Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3876

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
R200600666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beloning mentorschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HK

27 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600666

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante]

wonende te [woonplaats]

appellante,

hierna: [A.],

procureur mr. A.M.H.C. Coppens,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking ‘machtiging inzake onderbewindstelling en mentorschap’ van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond van 3 november 2005 (zaaknummer 153163/RV 05-1324).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, dat is ingekomen ter griffie op 2 februari 2006 en dat tevens is gericht tegen een groot aantal andere beschikkingen van de kantonrechter in Roermond, heeft [A.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de door haar in eerste aanleg verzochte additionele vergoeding en kosten uit hoofde van persoonlijke zorg en extra werkzaamheden van in totaal € 1.297,56 vast te stellen, althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie juist acht.

2.2. Op 20 april 2006 heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift plaatsgevonden. [A.] is bij die gelegenheid niet zelf verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door:

-de heer mr. P.J.L. Tacx, advocaat;

-de heer T.G. Jacobs, werkzaam bij haar bewindvoeringskantoor.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie,

- de na de mondelinge behandeling nog ontvangen brief met bijlagen d.d. 9 juni 2006 van de advocaat van [A.], met daarin opgenomen aanvullende gegevens en informatie, zoals door het hof bij brief van 1 juni 2006 verzocht.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De beschikking waarvan beroep wordt door het hof aangemerkt als een administratieve beslissing. Het hof heeft afgezien van het oproepen en doen horen van de betrokkene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld (vgl. HR 19 januari 1990, NJ 1991/213).

4.2. Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat – kort gezegd - tegen een in eerste aanleg (in een dagvaardingsprocedure) gewezen vonnis hoger beroep open tenzij de vordering waarover de rechter had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. Een overeenkomstige beperking van de appellabiliteit wordt niet gemaakt ten aanzien van beschikking op een verzoekschrift. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.4. [A.] exploiteert een professioneel bewindvoeringskantoor, dat is aangesloten bij de branchevereniging van professioneel bewindvoerders en inkomensbeheerders (BPBI). Uit de stukken is gebleken dat zij regelmatig wordt benoemd tot curatrice in een curatelebewind en tot bewindvoerster en/of mentrix in een meerderjarigenbewind en/of mentorschap.

4.5. In de onderhavige procedure heeft [A.] zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek een vergoeding voor door haar verrichte werkzaamheden in het kader van het mentorschap ten behoeve van [C.] over het jaar 2004 vast te stellen van € 1.297,56.

4.6. Uit de brief van 9 juni 2006 van de advocaat van [A.] is gebleken dat [A.] ook bewindvoerster over het vermogen van [C.] is geweest en dat zij daarvoor reeds een afzonderlijke vergoeding heeft ontvangen. De onderhavige procedure heeft derhalve alleen betrekking op de vergoeding voor verrichte werkzaamheden en kosten in het mentorschap.

4.7. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een vergoeding vastgesteld van € 972,83 en is het meer of anders verzochte afgewezen.

Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat [A.] vóór 1 januari 2006 een begroting van de te verrichten werkzaamheden over 2006 dient te overleggen.

4.8. [A.] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte slechts 15 van de door haar gedeclareerde 19,25 uur aan werkzaamheden heeft toegekend, waarbij is overwogen dat voor de overige werkzaamheden vooraf geen toestemming is gevraagd. [A.] is voorts van mening dat het door de kantonrechter gehanteerde uurtarief van € 54,50 (exclusief btw) geen kosten zijn begrepen en dat de kantonrechter om die reden ten onrechte de verzochte vergoeding voor reis- en parkeerkosten heeft afgewezen. Tenslotte heeft [A.] bezwaren gemaakt tegen het feit dat de kantonrechter haar heeft verzocht om een begroting van kosten voor 2006 te overleggen. [A.] stelt zich op het standpunt dat, nu het onderhavige mentorschap reeds vanaf 2001 bestaat, daarop de in 2004 via het LOK tot stand gekomen ‘aanbevelingen mentorschap’, waarin wordt bepaald dat professionele mentors voor benoeming een begroting aan de kantonrechter dienen te overleggen, niet van toepassing zijn. [A.] heeft voorts aangevoerd dat noch in de wet noch in de ‘aanbevelingen mentorschap’ van het LOK is bepaald dat in lopende mentorschappen jaarlijks een begroting vooraf dient te worden ingediend, dat het overleggen van een begroting vooraf zich voorts niet verdraagt met het karakter van een mentorschap en op praktische bezwaren stuit.

4.9. Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:460 lid 2 BW bepaalt dat de rechter aan de mentor ten laste van betrokkene een beloning kan toekennen indien hij zulks redelijk acht, waarbij de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking dient te worden genomen. In de ‘aanbevelingen mentorschap’ van het LOK (Landelijk Overleg Kantonrechters), gepubliceerd op 1 juni 2004, wordt vermeld dat het vercommercialiseren van het mentorschap niet dient te worden bevorderd en dat, indien benoeming van een professionele mentor onvermijdelijk is, eerst tot benoeming zal worden overgegaan nadat de beroepsmentor een begroting heeft ingediend, die kan worden goedgekeurd, waarbij de kantonrechter in het bijzonder let op de financiële draagkracht van betrokkene. Aanbevolen wordt te bepalen dat die begroting niet zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter ten laste van betrokkene kan worden overschreden.

4.10. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter, kennelijk mede vanwege het

feit dat het mentorschap al sinds 2001 bestond en er geen begroting beschikbaar was, terzake de beloning van [A.] als mentor aansluiting gezocht bij de beloningswijze voor professionele bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerders, zoals opgenomen in de ‘aanbeveling meerderjarigenbewind’ van het LOK. In deze aanbevelingen wordt terzake de beloning voor professionele bij de branche aangesloten bewindvoerders onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden die wel en niet tot het gewone takenpakket van de bewindvoerder behoren. Voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen een maximale jaarbeloning inclusief kosten worden vastgesteld van € 972,82 inclusief btw (15 x € 54,50 + 19% btw, tarief 2004), waarbij er vanuit wordt gegaan dat in een bewindvoering aan gewone werkzaamheden gemiddeld 15 uur per jaar wordt besteed. Deze maximale vergoeding voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen in beginsel jaarlijks worden gevraagd, ongeacht het aantal aan het bewind bestede uren. Het betreft derhalve een forfaitair bedrag, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de eenvoudige bewinden mede de lasten van ingewikkelder bewinden dragen. Het staat bewindvoerders echter vrij om minder uren te declareren. In de aanbevelingen is een -niet limitatieve- lijst opgenomen van werkzaamheden die wel en werkzaamheden die niet worden geacht tot de gewone taken van de bewindvoerder te behoren.

Voor extra werkzaamheden, die niet tot de gewone werkzaamheden van een bewindvoerder worden gerekend, dient volgens de aanbeveling vooraf machtiging te worden gevraagd aan de kantonrechter en voor deze extra werkzaamheden geldt alsdan een uurloon van € 54,50 ( tarief 2004).

4.11. Het hof stelt voorop dat 1:460 lid 2 BW zich er niet tegen verzet dat de

kantonrechter terzake het onderhavige verzoek van [A.] aansluiting heeft gezocht bij de ‘aanbevelingen meerderjarigen- bewind’ van het LOK. In de lijn van de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat voor gewone werkzaamheden een maximale vergoeding per jaar kan worden vastgesteld van € 972,82 inclusief btw, gebaseerd op gemiddeld 15 uur per jaar (tarief 2004). Weliswaar zijn in het onderhavige mentorschap over 2004 meer uren dan het gemiddelde aantal uren gemaakt, echter in de lijn van de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ gaat het hof er vanuit, dat de door de kantonrechter in aanmerking genomen maximale forfaitaire vergoeding jaarlijks kan worden gevraagd, ongeacht het aantal uren dat aan het mentorschap wordt besteed, waarbij de achterliggende gedachte is dat de eenvoudige zaken mede de lasten van de meeromvattende zaken dragen. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de in de onderhavige zaak verrichte meeromvattende werkzaamheden worden gecompenseerd door mentorschappen waarin minder werkzaamheden behoeven te worden verricht en waarvoor toch het forfaitaire maximale bedrag kan worden verzocht. Op grond van het voorgaande, nu niet is gebleken van bijzonderheden die buiten het takenpakket van een mentor vallen en nu in het maximale forfaitaire bedrag volgens de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ tevens de kosten worden geacht te zijn begrepen, ziet het hof geen aanleiding om een hogere vergoeding vast te stellen dan de kantonrechter heeft gedaan. Het enkele feit dat in andere zaken bepaalde werkzaamheden wel als extra werkzaamheden worden gerekend leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat omtrent de precieze inhoud van die werkzaamheden onvoldoende is komen vast te staan.

4.12. [A.] heeft nog bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de kantonrechter dat zij voorafgaand aan het jaar 2006 een begroting dient te overleggen.Gelet op de taak van de kantonrechter als toezichthouder op de uitvoering van het mentorschap en het feit dat in het kader van de beloning tevens acht dient te worden geslagen op de draagkracht van de betrokkene, acht het hof het verzoek van de kantonrechter aan [A.] om een jaarlijkse begroting van werkzaamheden en kosten vooraf over te leggen gerechtvaardigd en passend bij een behoorlijke taakuitoefening. Een dergelijke begroting betreft een schatting van de te verrichten werkzaamheden die onder normale omstandigheden in een komend jaar zullen worden verricht, die kan worden aangepast zodra er zich een onverwachte omstandigheden voordoen. Het vooraf verlangen van een begroting is niet in strijd met de wet en [A.] heeft niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vooraf overleggen van een jaarlijkse begroting onwerkbaar, onredelijk of in strijd met het karakter van het mentorschap zou zijn.

4.13. Op grond van het voorgaande zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. Het verzoek te bepalen dat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Nederlandse Staat komen, zal worden afgewezen. Daarvoor bestaat geen wettelijke basis. [A.] dient haar eigen proceskosten te dragen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat de kosten van dit hoger beroep door [A.] zelf dienen te worden gedragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Grapperhaus en Goyaerts en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.