Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3874

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
R200600128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beloning curator in curatelebewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HK

27 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600128

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante.]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [A.],

procureur mr. A.M.H.C. Coppens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking ‘machtiging inzake curatelebewind’ van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond van 3 november 2005 (zaaknummer 153070/RV 05-1317).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, dat is ingekomen ter griffie op 2 februari 2006 en dat tevens is gericht tegen een groot aantal andere beschikkingen van de kantonrechter in Roermond, heeft [A.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de door haar in eerste aanleg verzochte additionele vergoeding en kosten uit hoofde van persoonlijke zorg en extra werkzaamheden van in totaal € 443,81 vast te stellen, althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie juist acht.

2.2. Op 20 april 2006 heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift plaatsgevonden. [A.] is bij die gelegenheid niet zelf verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door:

-de heer mr. P.J.L. Tacx, advocaat;

-de heer T.G. Jacobs, werkzaam bij haar bewindvoeringskantoor.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van de ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De beschikking waarvan beroep wordt door het hof aangemerkt als een administratieve beslissing. Het hof heeft afgezien van het oproepen en doen horen van de curandus (vgl. HR 19 januari 1990, NJ 1991/213).

4.2. Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat – kort gezegd - tegen een in eerste aanleg (in een dagvaardingsprocedure) gewezen vonnis hoger beroep open tenzij de vordering waarover de rechter had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,=. Een overeenkomstige beperking van de appellabiliteit wordt niet gemaakt ten aanzien van beschikking op een verzoekschrift. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.4. [A.] exploiteert een professioneel bewindvoeringskantoor, dat is

aangesloten bij de branchevereniging van professioneel bewindvoerders en inkomensbeheerders (BPBI). Uit de stukken is gebleken dat zij regelmatig wordt benoemd tot curatrice in een curatelebewind en tot bewindvoerster en/of mentrix in een meerderjarigenbewind en/of mentorschap.

4.5. In de onderhavige procedure heeft [A.] de kantonrechter verzocht een

vergoeding vast te stellen voor haar werkzaamheden en kosten in het curatelebewind over het vermogen van mevrouw [B.] over de periode 13 oktober 2004 tot en met 31 december 2004 en een extra vergoeding voor het mentorschap ad in totaal € 443,81. Bij haar verzoek in eerste aanleg heeft [A.] een declaratie gevoegd, waarop de verzochte vergoeding wordt gespecificeerd:

-mentorschap 6,5 uur x € 54,50 + 19% btw = € 421,56,

-kilometervergoeding: 89 kilometer x € 0,25 = € 22,25.

4.6. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een vergoeding van € 304,01 vastgesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.7. In de bestreden beschikking is met betrekking tot de beloning van [A.] als curatrice aansluiting gezocht bij de ‘aanbevelingen mentorschap’ en de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (hierna: LOK), gepubliceerd op 1 juni 2004. In de laatstgenoemde aanbevelingen wordt terzake de beloning voor professionele bij de branche aangesloten bewindvoerders onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden die wel en niet tot het gewone takenpakket van de bewindvoerder behoren. Voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen een maximale jaarbeloning inclusief kosten worden vastgesteld van € 972,82 inclusief btw (15 x € 54,50 + 19% btw, tarief 2004), waarbij er vanuit wordt gegaan dat in een bewindvoering aan gewone werkzaamheden gemiddeld 15 uur per jaar wordt besteed. Deze maximale vergoeding voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen in beginsel door deze groep bewindvoerders jaarlijks worden gevraagd, ongeacht het aantal aan het bewind bestede uren. Het betreft derhalve een forfaitair bedrag, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de eenvoudige bewinden mede de lasten van ingewikkelder bewinden dragen. Het staat bewindvoerders echter vrij om minder uren te declareren. In de aanbevelingen is een -niet limitatieve- lijst opgenomen van werkzaamheden die wel en werkzaamheden die niet worden geacht tot de gewone taken van de bewindvoerder te behoren.

Voor extra werkzaamheden, die niet tot de gewone werkzaamheden van een bewindvoerder worden gerekend, dient volgens de aanbeveling vooraf machtiging te worden gevraagd aan de kantonrechter en voor deze extra werkzaamheden geldt alsdan een uurloon van € 54,50 ( tarief 2004).

4.8. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking tot uitgangspunt genomen dat gezien het karakter van de curatele er geen scheiding is gemaakt in een (meerderjarigen)bewind en een mentorschap en dat de beloning inclusief kosten voor een curator op jaarbasis maximaal € 1.459,25 inclusief btw bedraagt, zijnde 1,5 maal de maximale reguliere beloning inclusief kosten voor gewone werkzaamheden van een professionele bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerder, zoals vermeld in de hiervoor genoemde ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’. Uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de kantonrechter daarbij met betrekking tot de gewone vermogensrechtelijke werkzaamheden (waarvoor de aanbevelingen uitgaan van een maximale vergoeding van € 972,82 per jaar, inclusief BTW en kosten, gebaseerd op 15 uur per jaar) en de niet-vermogensrechtelijke werkzaamheden van een curator een maximale vergoeding van 1,5 laatstgenoemd bedrag toekent, derhalve een verhoging van € 486,41.

4.9. Het hof stelt voorop dat artikel 1:386 BW zich er niet tegen verzet dat de kantonrechter terzake de beloning van [A.] als curatrice aansluiting heeft gezocht bij de hiervoor vermelde aanbevelingen. [A.] heeft tegen die keuze als zodanig ook geen bezwaren naar voren gebracht; zij heeft enkel gesteld dat de beslissing van de kantonrechter om te dier zake uit te gaan van 1,5 maal de maximale reguliere jaarbeloning voor een professioneel bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerder, arbitrair is.

4.10. Naar het oordeel van het hof kan de door de kantonrechter gekozen beloningswijze niet onredelijk worden geacht en redelijkerwijs als uitgangspunt dienen voor de beloning van [A.] als curatrice. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vermogensrechtelijke werkzaamheden van een curator feitelijk veelal overeenkomen met de taken van een bewindvoerder, zodat met betrekking tot die werkzaamheden toepassing van een gelijke beloningswijze voor de hand ligt ([A.] hanteert overigens ook zelf een uurtarief van € 54,50 exclusief btw). Daarnaast omvat het takenpakket van een curator ook niet-vermogensrechtelijke werkzaamheden (als bij mentorschap) en heeft [A.] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen en moeten worden geconcludeerd dat de gemiddelde niet-vermogensrechtelijke werkzaamheden in een curatelebewind zodanig omvangrijk zijn dat de door de kantonrechter voor deze werkzaamheden gekozen factor van 0,5 te laag moet worden geacht. Het hof merkt in dat verband nog op dat denkbaar is dat de vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke werkzaamheden en te maken kosten in een curatelebewind kunnen worden gecombineerd. Overigens wordt in de ‘aanbevelingen mentorschap’ van het LOK de gedachte uitgedragen dat het vercommercialiseren van het mentorschap niet dient te worden bevorderd en geeft artikel 1: 460 lid 2 BW de rechter de vrijheid een mentor een beloning toe te kennen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de draagkracht van de betrokkene. Ook vanuit die optiek bezien kan de door de kantonrechter in casu gekozen beloningswijze als redelijk en billijk worden aangemerkt.

4.11. Nu in de onderhavige zaak niet is gebleken van bijzondere c.q. extra werkzaamheden en aangezien het verzoek van [A.] betrekking heeft op de periode van 13 oktober 2004 tot en met 31 december 2004 kan voorts juist en redelijk worden geacht dat de kantonrechter in de onderhavige zaak de maximale toe te kennen jaarvergoeding voor gewone werkzaamheden van een curator heeft omgerekend naar een periode van afgerond 2,5 maand (en niet een kwartaal) en aldus een vergoeding van € 304,01 heeft vastgesteld. Het enkele feit dat in andere zaken bepaalde werkzaamheden wel als extra werkzaamheden worden gerekend leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat omtrent de precieze inhoud van die werkzaamheden onvoldoende is komen vast te staan.

4.12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding om aan [A.] een hogere vergoeding toe te kennen dan de kantonrechter heeft gedaan. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

4.13. Het verzoek te bepalen dat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Nederlandse Staat komen, zal worden afgewezen. Daarvoor bestaat geen wettelijke basis. [A.] dient haar eigen proceskosten te dragen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat de kosten van dit hoger beroep door [A.] zelf dienen te worden gedragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Grapperhaus en Goyaerts en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.