Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3848

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
99/30078
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Is de verordening onverbindend omdat het bekostigingsbesluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt?

3.1.2. Is de verordening onverbindend omdat het bekostigingsbesluit niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen?

3.1.3. Is de verordening onverbindend omdat deze is vastgesteld meer dan twee jaren nadat de voorzieningen zijn voltooid?

3.1.4. Is de verordening onverbindend omdat het daarin vermelde tijdstip waarop moet worden beoordeeld of de onroerende zaak is gebaat meer dan een jaar na voltooiing van de voorzieningen is gelegen?

3.1.5. Moet de verordening onverbindend worden verklaard, nu deze na afloop van de termijn van artikel 221, lid 2, Gemeentewet is gewijzigd?

3.1.6. Moet de verordening onverbindend worden verklaard omdat de onroerende zaken gelegen aan de A-weg, de W-straat, de AA-straat 2 alsmede de percelen 0000 en 1111 ten onrechte buiten de heffing zijn gehouden?

3.1.7. Moet de aanslag worden vernietigd omdat de onroerende zaak niet is gebaat bij de getroffen voorzieningen?

3.1.8. Handelt de verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door terzake een tweetal onroerende zaken wel een aanslag op te leggen doch in verband met een toezegging een schadevergoeding ter hoogte van het belastingbedrag toe te kennen?

3.1.9. Zijn tot de kosten van de voorzieningen ten onrechte de kosten van de sloop van een schuur aan de BB-straat gerekend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1028
Belastingblad 2007/339
V-N 2006/58.1.9

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30078

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd afdeling financiën van de gemeente Z op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997, met dagtekening 12 november 1997, een aanslag in de baatbelasting A opgelegd tot een belastingbedrag van ƒ 19.186,77. Tegen die aanslag is door belanghebbende op 23 december 1997, derhalve tijdig, bezwaar gemaakt. Na een verzoek van belanghebbende tot heffing van de baatbelasting in de vorm van een jaarlijkse belasting, is voormelde aanslag vernietigd en is op 15 juli 1999 een aanslag opgelegd voor het tijdvak 1 november 1997 tot en met 31 oktober 1998 tot een belastingbedrag van ƒ 1.639,66. De verweerder heeft daarbij aan belanghebbende medegedeeld dat gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht het op 23 december 1997 ingediende bezwaarschrift wordt geacht mede gericht te zijn tegen de aanslag van 15 juli 1999 (hierna: de aanslag).

De verweerder heeft bij uitspraak van 24 augustus 1999 de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 60,-- (€ 27,23).

De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De inlichtingencomparitie heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2004. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde de heer mr. B, verbonden aan C Advocaten te D, alsmede namens de verweerder, de heer F, de heer G en mevrouw H.

1.4. Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota's met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het hof rekent deze pleitnota's alsmede de bijlagen bij de pleitnota van de verweerder tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.6. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk behoort bij deze uitspraak.

1.7.1. De tweede inlichtingencomparitie heeft plaatsgevonden op 1 maart 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, de heer J vergezeld van de heer mr. B voornoemd, alsmede namens de verweerder, de heer F, de heer G, mevrouw K.

1.7.2. Voorts is te dezer inlichtingencomparitie verschenen de heer L, die door belanghebbende op de voet van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb is meegebracht teneinde als getuige te worden gehoord.

1.8. Van de inlichtingencomparitie is op de voet van artikel 8:44 van de Awb een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 1 april 2004 aan partijen is gezonden.

1.9.1 De derde inlichtingencomparitie heeft plaatsgevonden op 8 april 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord heer mr. B voornoemd, alsmede namens de verweerder, de heer F, de heer G en mevrouw K.

1.9.2. Voorts is te dezer inlichtingencomparitie verschenen de heer M, die door het hof op de voet van artikel 8:60, eerste lid, van de Awb is opgeroepen om te verschijnen teneinde als getuige te worden gehoord.

1.9.3. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.10.1. Het horen van de getuige M is voortgezet ter inlichtingencomparitie van 17 mei 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de heer J, vergezeld van de gemachtigde de heer mr. B voornoemd, alsmede namens de verweerder, de heer F, de heer G en mevrouw K.

1.10.2. Het hof heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.11. Van de op 8 april 2005 en 17 mei 2005 gehouden inlichtingencomparities zijn op de voet van artikel 8:44 processen-verbaal opgemaakt, welke op 7 juni 2005 aan partijen zijn toegezonden.

1.12. Met toestemming van partijen heeft het hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en partijen daarvan bij brief van 22 december 2005 in kennis gesteld.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. In het kader van de realisatie van de woonlocatie A is door de gemeente Y (thans de gemeente Z, beide hierna te noemen: de Gemeente) een aantal voorzieningen getroffen. Met de totstandbrenging van deze voorzieningen is aangevangen in 1984. Bij besluit van 16 juli 1992 (hierna: het Bekostigingsbesluit) heeft de raad van de Gemeente besloten:

a. Het gebied, waarin de onroerende zaken zijn gelegen, die geschikt of beter geschikt worden voor bebouwing of in een voordeliger positie zullen komen te verkeren als gevolg van de door de gemeente of met medewerking van de gemeente te treffen voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van het bestemmingsplan A aan te duiden overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte kaart;

b. De voorzieningen, als bedoeld onder a. omvatten in ieder geval de volgende werken:

1. De aanleg binnen een exploitatiegebied van de hieronder vermelde werken:

a. het dempen van sloten en het verrichten van grondwerken met inbegrip van het egaliseren, ophogen en afgraven;

b. riolering, met inbegrip van bijbehorende werken;

c. wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, bruggen, tunnels en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen en kunstwerken verband houdende werken;

d. plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder begrepen de aanleg en inrichting van openbare speelplaatsen en speelweiden alsmede de sierende elementen welke rechtstreeks voortvloeien uit een juiste uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;

e. openbare verlichting en brandkranen met de nodige aansluitingen;

f. het verrichten van bodemonderzoek en -sanering, voor zover de daarmee verband houdende kosten niet op andere wijze kunnen worden verhaald;

g. het treffen van milieutechnisch noodzakelijke maatregelen en voorzieningen ter uitvoering van een bestemmingsplan;

h. alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende aanleg van voorzieningen van openbaar nut;

2 De aanleg van de onder 1. vermelde werken buiten het exploitatiegebied voor zover deze werken direct dan wel indirect profijt opleveren voor de binnen het exploitatiegebied liggende onroerende zaken.

c. De mate waarin de kosten van de onder b. genoemde voorzieningen van openbaar nut via een bouwgrondbelasting zullen worden verhaald, vast te stellen op 100 % van de kosten, zoals vermeld in de hierna onder d opgenomen en gewaarmerkte indicatieve kostenbegroting, zulks onder de bij de latere bouwgrondbelastingverordening vast te stellen regels met betrekking tot onder meer de definitieve omvang en de verdeling van die kosten naar rato van het verkregen of te verkrijgen profijt over de binnen het onder a. genoemde gebied gelegen onroerende zaken voorzover die kosten niet via overeenkomst zijn voldaan;

d. Kostenbegroting A

* Ondergrond voorzieningen van openbaar nut f 700.000,--

* Aanleg van riolering en verharding - 3.310.000,--

* Aanleg overstortriool en bergingsbezinkbassin - 1.484.000,--

* Kosten basisrioleringsplan - 46.000,--

* Aanleg openbare verlichting - 160.000,--

* Aanleg openbaar groen - 125.000,--

* Overige kosten - 1.139.000,--

Totaal f 6.964.000,--

e. De inhoud van dit besluit, naast de openbare bekendmaking, ter kennis te brengen aan de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken, welke zijn opgenomen in het onder a. genoemde gebied;

2.2. Op 15 juli 1997 is door de raad van de Gemeente vastgesteld de verordening baatbelasting A 1997 (hierna: de verordening). In de verordening wordt onder meer het volgende bepaald:

Artikel I Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder: a. een onroerende zaak:

1 een gebouwd eigendom;

2 een ongebouwd eigendom;

3 een gedeelte van een onder 1 of 2 bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

4 een samenstel van twee of meer van de onder 1 of 2 bedoelde eigendommen of onder 3 bedoelde gedeelten daarvan die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen.

b. het bestemmingsplan: het bestemmingsplan A zoals dat is vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente Y d.d 30 juni 1988. goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant d.d. 3 1 november 1988. alsmede het bestemmingsplan A 1 e partiële herziening zoals dat vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente Y

d.d. I 3 december 1990 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant d.d. 15 maart 199 I .

Artikel 2 Belastbaar feit

I Onder de naam 'baatbelasting A' wordt in de vorm van een heffing ineens een belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de rode omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op I augustus 1996 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn of gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

2 De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten:

a. het verwerven c.q. beschikbaar stellen van onroerende zaken ten behoeve van de aanleg van voorzieningen van openbaar nut; -

b. het verrichten van grondwerken met inbegrip van egaliseren, ophogen en afgraven van gronden voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut;

c. de aanleg van riolering met inbegrip van bijbehorende werken;

d. de aanleg van straten, wegen en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen verband houdende werken;

e. de aanleg van plantsoenen en andere openbare groenvoorzieningen;

f. de aanleg van openbare verlichting en brandkranen met de nodige aansluitingen:

g. de aanleg van parkeervoorzieningen c.q. -plaatsen.

Artikel 3 Belastingplicht

1 De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht

2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op het tijdstip van ingang van de heffing dan wel, indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting, bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig bij het kadaster bekend staat, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

(...)

Artikel 4 Maatstaf van heffing

I De maatstaf van heffing is het aantal vierkante meters oppervlakte toegelaten bebouwing van de onroerende zaak vermenigvuldigd met de liggingsfactor zoals bedoeld in het derde lid en de hoogtefactor zoals bedoeld in het vierde lid.

2 De oppervlakte toegelaten bebouwing van een onroerende zaak wordt bepaald op het aantal vierkante meters grondoppervlakte, dat ingevolge het bestemmingsplan ten behoeve van de bestemmingen woondoeleinden, onderwijsvoorzieningen en bedrijfsdoeleinden maximaal mag worden bebouwd.

De grondoppervlakte van een onroerende zaak wordt bepaald op het aantal volle vierkante meters kadastrale oppervlakte.

(...)

Artikel 5 Belastingtarief

De belasting bedraagt voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf ƒ 57,51.

Artikel 7 Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting

1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende maximaal 20 jaren. Het verzoek genoemd in de eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag schriftelijk bij het college van burgemeester en wethouders te worden ingediend.

2 Het belastingjaar vangt aan op I november en eindigt op 31 oktober.

(...)

Artikel 14 Inwerktreding en citeertitel

(...)

2 De datum van ingang van de heffing is 1 november 1997.

(...)

De verordening is bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad "De N" van 23 juli 1997. Onder de bekendmaking is vermeld dat de verordening en de daarbij behorende gewaarmerkte kaart voor een ieder ter inzage ligt bij de Afdeling Ruimelijke Ordening en Economie.

2.3. Op 16 december heeft de raad van de Gemeente besloten tot wijziging van de verordening in verband met de wijzigingen van de formele belastingbepalingen in de Gemeentewet. Op 10 maart 1998 heeft de raad van de Gemeente besloten tot wijziging van de verordening in verband met de invoering van de derde tranche van de Awb. Ten slotte is op 29 september 1998 door de raad van de Gemeente besloten tot wijziging van artikel 5 van de verordening. Het belastingtarief is toen verlaagd van ƒ 57.51 tot ƒ 56.37. Voornoemde wijzigingsverordeningen zijn bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad "De N" van respectievelijk 22 december 1997, 25 maart 1998 en 9 juni 1999. Onder ieder van voormelde bekendmakingen is vermeld dat het besluit is opgenomen in de algemeen verkrijgbare uitgave belastingverordeningen gemeente Z, dat de besluiten ter inzage liggen op de afdeling financiën in het gemeentehuis, alsmede dat iedereen een afschrift van de besluiten kan aanvragen.

2.4. Het op 13 augustus 1996 gedagtekende "Proces-Verbaal van oplevering infra-structuur bestemmingsplan A te Y", vermeldt dat op dinsdag 13 augustus 1996 in het bijzijn van de heren P, Q en L een oplevering heeft plaatsgevonden. De op 16 augustus 1995 gedagtekende "Correctie op proces verbaal van oplevering A" vermeldt "dat in het gisteren gesloten proces-verbaal van oplevering verkeerde data zijn opgenomen. Voor de zowel in de tekst als in de ondertekening genoemde datum van dinsdag 13 augustus 1995 moet worden gelezen dinsdag 15 augustus 1996.".

2.5. R boomkwekerijen B.V. heeft met dagtekening 8 januari 1996 aan de Gemeente een factuur gezonden ter zake van geleverde beplantingen ten bedrage van ƒ 21.200,--. Op de factuur is handmatig aangetekend dat van dit bedrag ƒ 18.200,-- ten laste is gekomen van de Algemene dienst, ƒ 2.500,-- ten laste is gekomen van het krediet S en ƒ 500,-- ten laste is gekomen van het krediet A.

Op 19 maart 1996 factureert R ter zake van 11 T een bedrag van ƒ 9.41,55. Op deze factuur is handmatig vermeld dat ƒ 500,-- ten laste van het krediet A is gekomen.

Voorts is op 4 maart 1996 door diezelfde onderneming een factuur gezonden ten bedrage van ƒ 9.233,68, met op de factuur de eveneens handmatig aangebrachte vermelding dat een bedrag van ƒ 3.000,-- ten laste van het krediet A is gekomen.

2.6. Bijlage 3.c. bij "Exploitatie bestemmingsplan A- kostprijsberekening ten behoeve van toepassing baatbelasting" (hierna: de kostprijsberekening) vermeldt dat de kosten van bouwrijp maken ƒ 4.377.822,-- hebben bedragen. Dit bedrag is in de kostprijsberekening tevens vermeld onder "Samenvatting in aanmerking komende kosten voor toepassing baatbelasting" (hierna: de samenvatting). In bijlage 3c van de kostprijsberekening is voorts vermeld dat de overige kosten bouwrijp maken ƒ 399.499,-- hebben bedragen. Dit bedrag is in de samenvatting niet vermeld.

2.7. De bij het bekostigingsbesluit geraamde kosten van de voorzieningen belopen ƒ 6.964.000,--. De definitieve kosten hebben, na vermindering met de op de niet tot de voorzieningen behorende overstortleiding betrekking hebbende directie-, toezicht en rentekosten ten bedrage van ƒ 113.000,--, ƒ 5.606.340,-- bedragen.

2.8. Belanghebbende heeft het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de op het aanslagbiljet genoemde onroerende zaak.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard het antwoord op de volgende vragen:

3.1.1. Is de verordening onverbindend omdat het bekostigingsbesluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt?

3.1.2. Is de verordening onverbindend omdat het bekostigingsbesluit niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen?

3.1.3. Is de verordening onverbindend omdat deze is vastgesteld meer dan twee jaren nadat de voorzieningen zijn voltooid?

3.1.4. Is de verordening onverbindend omdat het daarin vermelde tijdstip waarop moet worden beoordeeld of de onroerende zaak is gebaat meer dan een jaar na voltooiing van de voorzieningen is gelegen?

3.1.5. Moet de verordening onverbindend worden verklaard, nu deze na afloop van de termijn van artikel 221, lid 2, Gemeentewet is gewijzigd?

3.1.6. Moet de verordening onverbindend worden verklaard omdat de onroerende zaken gelegen aan de A-weg, de W-straat, de AA-straat 2 alsmede de percelen 0000 en 1111 ten onrechte buiten de heffing zijn gehouden?

3.1.7. Moet de aanslag worden vernietigd omdat de onroerende zaak niet is gebaat bij de getroffen voorzieningen?

3.1.8. Handelt de verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door terzake een tweetal onroerende zaken wel een aanslag op te leggen doch in verband met een toezegging een schadevergoeding ter hoogte van het belastingbedrag toe te kennen?

3.1.9. Zijn tot de kosten van de voorzieningen ten onrechte de kosten van de sloop van een schuur aan de BB-straat gerekend?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Niet meer in geschil is het antwoord op de vraag of het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente bevoegd was de uitspraak op het bezwaar te doen. Evenmin is nog in geschil dat het moment van ingebruikname van de voorzieningen niet van belang is voor de vraag of de verordening tijdig is vastgesteld.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting en ter inlichtingencomparities hebben zij daaraan toegevoegd hetgeen is vermeld in de onder 1.5, 1.8 en 1.10 vermelde en op de aldaar genoemde data aan partijen gezonden processen-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 273a, vierde lid, van de Gemeentewet (tekst 1992) wordt, voordat met het treffen van de voorzieningen wordt aangevangen, door de raad besloten in welke mate die aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen het gebate onroerend goed is gelegen. Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.

Ingevolge artikel XXV, tweede lid, van de Wet van 22 mei 1991 tot wijziging van diverse wetten in verband met de vereenvoudiging van regelgeving en vergroting van gemeentelijke en provinciale beleidsvrijheid (hierna: de Wet van 22 mei 1991) neemt de raad, ter zake van voorzieningen, waarvan de totstandbrenging is aangevangen voordat een jaar na inwerkingtreding van deze wet is verstreken en welke niet voor het verstrijken van die termijn in gebruik zijn genomen dan wel zijn voltooid, en waarvoor geen besluit als bedoeld in het vierde lid van artikel 273a en 274 van de Gemeentewet is genomen, binnen één maand na afloop van deze termijn alsnog een zodanig besluit.

4.2. De Wet van 22 mei 1991 is in werking getreden op 26 juli 1992. Gelet op de omstandigheid dat door de Gemeente in 1984 is aangevangen met de totstandbrenging van de voorzieningen, derhalve voordat een jaar na inwerkingtreding van voornoemde wet is verstreken, en vorengenoemde voorzieningen niet voor die termijn in gebruik waren genomen dan wel waren voltooid, diende de raad voor 26 augustus 1992 een besluit als bedoeld in artikel 273a, vierde lid te nemen. Nu het bekostigingsbesluit is vastgesteld op 16 juli 1992, is naar het oordeel van het hof voldaan aan het bepaalde in artikel XXV van de Wet van 22 mei 1991.

4.3. Door de in 2.2. bedoelde bepalingen van het bekostigingsbesluit te publiceren in het weekblad "De N" heeft de Gemeente naar het oordeel van het hof die bepalingen bekendgemaakt op de gebruikelijke wijze als bedoeld in artikel 273a, vierde lid, van de Gemeentewet zoals dat artikel ten tijde van die bekendmaking luidde. Het hof neemt hierbij in overweging dat het weekblad "De N" huis aan huis wordt verspreid, voorts dat, naar de verweerder onweersproken heeft gesteld, andere verordeningen van de gemeente, met name verordeningen waarin strafbepalingen voorkomen, toentertijd ook op deze wijze ter kennis van het publiek werden gebracht en daarnaast dat, naar het hof aannemelijk acht, aan alle betrokkenen een in een brief vervatte persoonlijke aankondiging van dit besluit is gedaan.

4.4. Ten aanzien van de door belanghebbende aangevoerde grieven met betrekking tot het bekostigingsbesluit heeft naar het oordeel van het hof het volgende te gelden.

Het staat gemeenten vrij ter vermijding van financiële risico's in het bekostigingsbesluit een ruime aanduiding van het gebate gebied op te nemen. De grenzen van die vrijheid zijn pas overschreden indien de gemeente een zo ruim gebied heeft aangeduid, dat zij daarbij niet uitsluitend de vermijding van financiële risico's op het oog kan hebben gehad (HR 8 augustus 2003, BNB 2003/339). Het hof is, het in het bekostigingsgebied aangeduide gebied vergelijkend met het gebied als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de verordening, van oordeel, dat de verweerder in het bekostigingsbesluit niet een zodanig ruim gebied heeft aangeduid dat zij daarmee de grenzen van haar vrijheid heeft overschreden.

4.5. Indien, zoals in het onderhavige geval, in het bekostigingsbesluit is vermeld welk vast of maximum percentage van de geraamde lasten zal worden verhaald, dient in dat besluit tevens het bedrag van de geraamde lasten te worden vermeld; anders zou het besluit onvoldoende rechtszekerheid ten behoeve van de belastingplichtigen bieden (HR 23 september 2005, BNB 2006/4).

In het bekostigingsbesluit zijn de lasten geraamd op een bedrag van in totaal ƒ 6.964.000,--. Naar het oordeel van het hof voldoet het bekostigingsbesluit daarmee aan de daaraan te stellen eisen. Daaraan doet niet af dat in de onder d. van het Bekostigingsbesluit opgenomen kostenbegroting een niet nader gespecificeerde post "Overige kosten" is opgenomen ten bedrage van ƒ 1.139.000,--, nu reeds met de vermelding van het totaal van de geraamde lasten aan belanghebbende voldoende rechtszekerheid is geboden.

4.6. De vermelding van de woorden "in ieder geval" bij de aanduiding van de voorzieningen onder b. in het bekostigingsbesluit leidt er op zich zelf niet toe dat, zoals belanghebbende betoogt, een hoger bedrag zal worden verhaald dan het in het bekostigingsbesluit genoemde bedrag van de geraamde lasten. Voor zover de woorden "in ieder geval" zouden hebben geleid tot de realisatie van meer voorzieningen dan in het Bekostigingsbesluit vermeld, hetgeen gesteld noch gebleken is, zou de vermelding van het bedrag van de geraamde lasten in het bekostigingsbesluit immers in de weg hebben gestaan aan het verhaal van de kosten van die voorzieningen, voor zover die het bedrag van de geraamde lasten zouden overstijgen. Ook hier geldt naar het oordeel van het hof dat reeds met de vermelding van het totaal van de geraamde lasten aan belanghebbende voldoende rechtszekerheid is geboden.

4.7. Ter zake van de stelling van belanghebbende dat de verordening meer dan twee jaren na de voltooiing van de voorzieningen is vastgesteld heeft het volgende te gelden.

Zoals vermeld onder 2.4. hiervoor is aan de Gemeente in 1996 ter zake van de levering van diverse beplantingen een drietal facturen gezonden. Het hof leidt uit de op die facturen geplaatste verwijzingen naar het project A af dat die facturen voor de daarop met aanduiding "Krediet A" vermelde bedragen betrekking hebben op in het profijtgebied gerealiseerde voorzieningen. De vermeldingen op die facturen zijn naar het oordeel van het hof, anders dan belanghebbende stelt, niet zo onduidelijk dat aan de hand daarvan niet kan worden bepaald wat de bestemming van de geleverde producten is geweest. Het is voorts van algemene bekendheid dat het aanbrengen van beplantingen seizoensgebonden is. De verweerder heeft gesteld en belanghebbende heeft niet betwist, dat de ten behoeve van het profijtgebied geleverde beplantingen moesten worden aangebracht in het voorjaar, hetgeen naar het oordeel van het hof in overeenstemming is met de dagtekening van de voormelde facturen. Op grond van de dagtekening van de voormelde facturen acht het hof het voorts aannemelijk dat die beplantingen zijn aangebracht in het voorjaar van het jaar 1996 en niet, zoals belanghebbende heeft gesuggereerd zonder die suggestie overigens te onderbouwen, in het voorjaar van het jaar 1995.

4.8. Voor zover belanghebbende betoogt dat de in het jaar 1996 aangebrachte beplantingen niet kunnen worden aangemerkt als een voorziening als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de verordening en dientengevolge niet in aanmerking mogen worden genomen bij de bepaling van het moment van voltooiing van het geheel van voorzieningen, heeft het volgende te gelden.

Het hof acht het aannemelijk dat de beplantingen door de Gemeente in eigen beheer zijn tot stand gebracht. Dit brengt mee dat naast de eerdergenoemde kosten ter zake van de aanschaf van beplanting in het jaar 1996 tevens kosten van voorbereiding, uitvoering en toezicht moeten zijn gemaakt.

Voor zover belanghebbende betoogt dat de kosten van de beplantingen in verhouding tot de totale kosten van de voorzieningen zodanig beperkt van omvang zijn, dat dientengevolge geen sprake kan zijn van een voorziening, faalt dat betoog reeds omdat die kosten -inclusief die van voorbereiding, uitvoering en toezicht- beduidend meer moeten hebben bedragen dan de door belanghebbende gestelde ƒ 3.000,--.

Het hof acht het, gelet op de door de verweerder overgelegde kaart met daarop een vermelding van de in het profijtgebied aangebrachte beplantingen en gelet op bijlage 3c van de kostprijsberekening, aannemelijk dat de facturen in 1996 betrekking hadden op de afronding van het geheel van de in het profijtgebied gerealiseerde groenvoorzieningen en niet zoals belanghebbende betoogt, op het vervangen van dode boompjes en op onderhoud van eerder aangebrachte groenvoorzieningen. Dientengevolge wordt het moment waarop de voorzieningen geheel zijn voltooid mede bepaald door het moment van voltooiing van de groenvoorzieningen.

4.9. Hetgeen in 4.4 en 4.5. hiervoor is overwogen brengt het hof tot het oordeel dat het moment waarop de voorzieningen geheel zijn voltooid is gelegen in het voorjaar van het jaar 1996. De vraag naar de wijze van totstandkoming en het moment van ondertekening van het proces-verbaal van oplevering behoeft dientengevolge geen beantwoording meer.

4.10. De verordening is vastgesteld op 15 juli 1997, zodat de in artikel 222, lid 4, van de Gemeentewet gestelde termijn van twee jaren niet is overschreden. Evenmin is de in lid 3 van voornoemd artikel bedoelde termijn van een jaar overschreden, nu ingevolge artikel 2, lid 1, van de verordening baatbelasting wordt geheven ter zake van onroerende zaken die op 1 augustus 1996 zijn gebaat.

4.11. In het geval in de baatbelasting tevens kosten zijn betrokken welke geen betrekking hebben op voorzieningen, is niet de verordening in haar geheel onverbindend, maar slechts de tariefstelling voorzover daardoor het uit het Bekostigingsbesluit voortvloeiende maximum wordt overtroffen. Een en ander heeft, zoals de verweerder terecht heeft gesteld, steeds een correctie van de tariefstelling van de verordening tot gevolg, hetgeen leidt tot verlaging van de desbetreffende aanslag (HR 27 juni 2003, BNB 2003/910). Anders dan belanghebbende betoogt is het aanbrengen van een correctie als hiervoor bedoeld niet uitsluitend toegestaan binnen de termijn van twee jaren als bedoeld in artikel 222, lid 3, Gemeentewet, zodat een wijziging van de verordening na die termijn van twee jaren niet leidt tot onverbindendheid van de verordening.

4.12. De verweerder heeft onweersproken gesteld dat tot de kosten van voorzieningen niet zijn gerekend de kosten van de werkzaamheden verricht aan de A-weg en de W-straat. Aangezien ingevolge artikel 2, lid 1, van de verordening slechts die onroerende zaken in de baatbelasting worden betrokken die zijn gebaat bij voorzieningen als bedoeld in dat artikel, heeft de verweerder terecht de onroerende zaken gelegen aan de A-weg en de W-straat buiten de heffing gelaten.

De verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat de percelen 1111 en 0000 voorafgaand aan de, wel tot de voorzieningen behorende, herinrichting van de woonstraat CC reeds bebouwd waren, ontsloten zijn naar de A-weg en aldaar ook aangesloten zijn op de riolering. Het hof acht voorts aannemelijk dat voor perceel 0000 reeds voor de herinrichting van CC de mogelijkheid bestond een tweede ontsluiting te creëren naar reeds bestaande woonstraat CC. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de betreffende percelen niet meer dan verwaarloosbaar gebaat zijn door de herinrichting van CC.

Ook ten aanzien van de onroerende zaak gelegen aan de AA-straat 2 heeft naar het oordeel van het hof te gelden dat deze niet meer dan verwaarloosbaar is gebaat bij de tot stand gebrachte voorzieningen. Het hof acht dienaangaande, mede gelet op de bij de verordening behorende kaart, aannemelijk dat deze onroerende zaak is ontsloten naar de niet tot de voorzieningen behorende W-straat en aldaar is aangesloten op de riolering.

4.13. Het hof acht aannemelijk dat bij de herinrichting de functie van CC is gewijzigd van een landbouwweg in een woonstraat en dat eerst bij die herinrichting de aanleg van riolering heeft plaatsgevonden. Het hof acht voorts aannemelijk dat de bij een woonstraat behorende verharding en openbare verlichting is aangebracht en dat voorts trottoirs zijn aangebracht. De enkele omstandigheid dat CC ook voor de herinrichting was voorzien van verlichting en verharding, brengt nog niet met zich dat de bij de herinrichting aangebrachte verlichting en verharding niet, zoals belanghebbende kennelijk stelt, als voorzieningen kunnen worden aangemerkt. Onder het tot stand brengen van voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet is immers niet enkel te verstaan het tot stand brengen van een voorheen niet bestaande voorziening. Ook een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening kan het tot stand brengen van een voorziening in de zin van genoemde wetsbepaling inhouden, mits zulks in een verbetering van de bestaande voorziening resulteert (HR 8 augustus 2003,

BNB 2003/342).

De verweerder heeft dienaangaande onweersproken gesteld dat de aangebrachte verlichting en verharding specifiek zijn afgestemd op de eerst bij de herinrichting gerealiseerde woonfunctie van deze straat. Het hof is dientengevolge van oordeel dat de vervanging van de bestaande voorzieningen tot een verbetering daarvan heeft geleid en dat de onroerende zaak door die voorzieningen alsmede door de aanleg van de niet eerder aanwezige riolering meer dan verwaarloosbaar in een voordeliger positie is gekomen.

4.14. Op grond van de omstandigheid dat aan de heer DD ter zake van perceel C 2222 in het verleden is toegezegd dat hij geen bijdrage voor het bouwrijp maken is verschuldigd, terwijl een dergelijke toezegging aan belanghebbende niet is gedaan is het hof van oordeel dat van gelijke gevallen geen sprake is. Gesteld noch gebleken is immers dat aan deze toezegging een begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging ten grondslag heeft gelegen. Veeleer moet uit hetgeen de verweerder heeft gesteld de conclusie worden getrokken dat de toezegging beruste op een achteraf bezien verkeerde inschatting dat (een deel van) het perceel van de heer DD door de voorzieningen niet gebaat was. Nu geen andere begunstigend behandelde gevallen zijn genoemd kan ook niet worden gezegd dat de meerderheid van de vergelijkbare gevallen begunstigend is behandeld. Aldus heeft de verweerder niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Voor zover belanghebbende betoogt dat niet alle onroerende zaken in de heffing zijn betrokken, faalt dat betoog, nu de onroerende zaak van de heer DD wél in de heffing is betrokken.

4.15. Blijkens de onder 2.6. vermelde kostprijsberekening, in het bijzonder de specificatie van bijlage 3c, zijn in de kosten bouwrijp maken ten bedrage van ƒ 4.377.822,-- geen sloopkosten begrepen, terwijl die sloopkosten wel zijn begrepen in de "Overige kosten bouwrijp maken". Het hof acht aannemelijk dat de kosten van de sloop van een schuur aan de BB-straat niet door middel van de onderhavige baatbelasting zijn verhaald, nu in de samenvatting, zoals vermeld in de kostprijsberekening, de post "Overige kosten bouwrijp maken" niet is vermeld.

4.16. Het gelijk is aan de zijde van de verweerder, zodat het beroep ongegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 26 april 2006 door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 26 april 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.