Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3838

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
01/04249
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

-Moet bij de beoordeling of de personenauto hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van werkzaamheden buiten Nederland als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM het woon-werkverkeer worden beschouwd als gebruik van de personenauto voor de uitoefening van werkzaamheden buiten Nederland?

-Zo geen vrijstelling van toepassing is, belemmert de heffing van belasting van personenauto's het vrije verkeer van werknemers binnen de EU?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/04249

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Douane district P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Douane Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij zijn verzoekschrift met daarbij behorende bijlagen van 19

april 2001 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om vrijstelling van belasting van personenauto's (hierna: BPM) te verlenen als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), juncto artikel 2 van het Uitvoeringbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsbesluit BPM), voor een aan zijn werkgever toebehorende personenauto.

Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 17 mei 2001 heeft de Inspecteur besloten het verzoek niet in te willigen.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2005 te 's Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, wonende te Y en voorheen werkzaam bij A te B, trad per 1 januari 2001 in dienst bij A Gmbh te C, Duitsland (hierna: werkgever). Belanghebbende, met functie van Chief Technology Officer, is door zijn werkgever een leaseauto, merk Volvo V 70, kenteken XX-XX-00 (hierna: de auto) ter beschikking gesteld. De auto is niet ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register.

Belanghebbende was toegestaan de auto te gebruiken voor zowel zakelijke ritten als woon-werkverkeer en overig privé-vervoer.

2.2. Belanghebbende rijdt per maand in totaal 4700 km met de auto. Dit totaal is opgebouwd uit: 400 km voor werkzaamheden in het buitenland, 300 km voor werkzaamheden in Nederland, 3400 km voor woon-werkverkeer en 600 km voor persoonlijk gebruik in Nederland.

De aantallen kilometers komen overeen met de opgave op het hierna genoemde aanvraagformulier.

2.3. Met een fax gedagtekend 26 maart 2001 wordt de Inspecteur door A Electronics Nederland B.V. namens belanghebbende verzocht om toezending van een aanvraagformulier voor een vrijstelling BPM. Het betreft de vrijstelling op de voet van artikel 14 van de Wet BPM, juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM. Op 3 mei 2001 ontvangt de inspecteur het ingevulde en getekende aanvraagformulier met het verzoek om vrijstelling te verlenen voor de auto.

2.4. Belanghebbende geeft op het aanvraagformulier onder meer als te verrichten taken en werkzaamheden bij het A Gmbh Tuner Competence Center aan: management van development 2 engineering groupen plus modelshop 2 proj. management.

Verder geeft hij aan dat de volgende inwonende gezinsleden de auto bezigen voor privé-gebruik: X-D C.H.M, X B.J. en X M.H.B.

Tenslotte geeft hij aan dat A Gmbh Duitsland, Directie E de beslissing neemt in welk land de auto wordt geregistreerd.

2.5. Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 17 mei 2001 heeft de Inspecteur het verzoek om vrijstelling afgewezen. In de beschikking is onder meer het volgende aangegeven:

"Hoofdzakelijk wil zeggen dat meer dan 50% zowel zakelijk als buiten Nederland moet plaatsvinden, waarbij het woon-werkverkeer buiten beschouwing wordt gelaten.

In geval van hr. X betekent dit: totaal km = 4900 - woon-werk = 3400 = 1500 km.

Hierbij moet meer dan 50% buiten NL gereden worden, u geeft 400 km op, dus minder dan 50%.".

2.6. Belanghebbende geeft in zijn bezwaar aan dat rekening houdend met het woon-werkverkeer wordt voldaan aan de eis dat de auto hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de uitoefening van zijn werkzaamheden buiten Nederland. Hij verzoekt hem alsnog in het bezit te stellen van de gevraagde vergunning.

Bij uitspraak van 26 november 2001 verklaart de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

-Moet bij de beoordeling of de personenauto hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van werkzaamheden buiten Nederland als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM het woon-werkverkeer worden beschouwd als gebruik van de personenauto voor de uitoefening van werkzaamheden buiten Nederland?

-Zo geen vrijstelling van toepassing is, belemmert de heffing van belasting van personenauto's het vrije verkeer van werknemers binnen de EU?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De auto is later door mij aangekocht.

Het geschil beperkt zich inderdaad tot de toepassing van de regeling van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit. Artikel 2 betreft het gebruik woonplaats-werkplaats, afgezien van persoonlijk gebruik.

In geding is ook wetgeving van de Europese Unie. Ik verwijs naar het douanebulletin van 16 oktober 2003, nr. 19, nr. 2003-0732, inzake de zaak van F. Het betreft de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie.

De regeling houdt een belemmering van de werknemer in. Er is bij het rijden naar de werkplaats geen sprake van zakelijk gebruik in Nederland.

Met de opstelling van de aantallen kilometers ga ik akkoord.

Onder hoofdzakelijk wordt inderdaad meer dan 50% verstaan.

Los van de toets van het rijden in het buitenland is de uitwerking van de bepaling lastig in het EEG-verkeer.

De Inspecteur

Woon-werkverkeer moet worden aangemerkt als privé-gebruik. Daarvoor kan geen vrijstelling worden verleend.

Er is geen sprake van schending van Europees recht. De in Nederland gereden kilometers zijn aan te merken als privé-gebruik. De auto is bedongen voor het woon-werkverkeer. Vrijgesteld gebruik van de auto voor woon-werkverkeer strookt niet met de bedoeling van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM. Hoofdzakelijk moet worden opgevat als meer dan 50%. Het gaat om gebruik voor meer dan 50% zakelijk en meer dan 50% in het buitenland. Als het woon-werkverkeer als zakelijk zou worden aangemerkt, dan voldoet belanghebbende niet aan die tweede toets. Zonder het zakelijk verkeer in het buitenland zou de vrijstelling geen zin hebben en zou het een loze regeling zijn.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden uitspraak.

Verlening van de vrijstelling heeft, zoals belanghebbende nader aangeeft in zijn pleitnota, geen zin meer, omdat hij niet meer in Duitsland werkzaam is. In dat verband verzoekt hij om terugbetaling van ƒ 14.346,= BPM en ƒ 3.586,50 bestuurlijke boete (totaal € 8.137,19).

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende is van mening dat het criterium hoofdzakelijk als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM moet worden uitgelegd als hoofdzakelijk verband houdend met werkzaamheden in het buitenland. Het woon-werkverkeer is een noodzakelijke voorwaarde voor het uitoefenen van de werkzaamheden in het buitenland. De kilometers van het woon-werkverkeer moeten worden aangemerkt als zakelijke kilometers, die meetellen in het "hoofdzakelijk" criterium. Zo het vorenstaande niet van toepassing is, meent belanghebbende dat de heffing van belasting van personenauto's het vrije verkeer van werknemers binnen de EU belemmert, zodat om die reden een vrijstelling zou moeten worden verleend.

4.2. Op grond van artikel 14 van de Wet BPM kunnen bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling van belasting worden verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto's.

Aan de wetsgeschiedenis kan het volgende worden ontleend:

"Het is de bedoeling om onder de werking van de belasting van personenauto's de huidige praktijk voort te zetten. De vrijstelling voor werknemers zal, evenals thans, worden geconcretiseerd door middel van een vergunning van de Belastingdienst. In de overige gevallen zal degene die gebruik maakt van en buitenlands motorrijtuig aannemelijk moeten maken dat een vrijstelling van toepassing is." (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 868, nr. 3, blz. 19) en

"Met ingang van 1 januari 1984 hebben de communautaire wettelijke bepalingen wijzigingen ondergaan (...)Als gevolg daarvan is de regeling aangepast, in die zin dat deze in beginsel alleen geldt voor de categorie personen aan wie door een in een andere Lid-Staat gevestigde werkgever een aldaar ingeschreven mottorijtuig ter beschikking is gesteld voor de uitoefening van zijn taak in één van die landen en waarvoor door de werkgever heeft toegestaan dat het mede voor persoonlijk gebruik (waaronder het woon/werkverkeer) mag worden gebezigd."(Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 868, nr. 10, blz. 19).

4.3. In artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM is het volgende bepaald:

1. Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto's en motorrijwielen die zijn geregistreerd in het buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, indien:

a. de personenauto of het motorrijwiel hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen;

b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring heeft toegestaan dat de personenauto of het motorrijwiel mede voor persoonlijk gebruik wordt aangewend; en

c. de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto of het motorrijwiel wordt geregistreerd.

Voor 1992 gold op grond van het bepaalde in artikel 108 van de Regeling vrijstellingen bij invoer, regeling van 2 juli 1995, nr. 085-1733, Stcrt. 1985, nr. 134, het volgende:

Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting wordt verleend voor de invoer van personenvoertuigen, die worden ingevoerd door personen die hun normale verblijfplaats hier te lande hebben doch als werknemer in dienst zijn bij een in de Bondsrepubliek Duitsland of België gevestigde werkgever, mits: (...)

f. de personenvoertuigen bestemd zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik;

g. de werkgever heeft toegestaan dat de personenvoertuigen mede voor persoonlijk gebruik wordt aangewend.

4.4. Gelet op het bepaalde in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM, de voorloper van die bepaling en het gestelde in de wetsgeschiedenis is het hof van oordeel dat met bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland niet mede is gedoeld op het woon-werkverkeer. De zinsnede in voornoemd artikel 2 ", alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen" en het feit dat het woon-werkverkeer noodzakelijk is op de werkzaamheden in het buitenland te kunnen aanvangen doen daar niet aan af. Het persoonlijk gebruik van de personenauto is een tweede voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling.

4.5. Uitgaande van het vorenstaande moet voor toepassing van de vrijstelling worden beoordeeld of afgezet tegen het totale gebruik van de auto, de auto hoofdzakelijk zakelijk wordt gebruikt in het buitenland. Blijkens het bepaalde in meergenoemd artikel 2 moet het criterium hoofdzakelijk zowel op het zakelijke gebruik als op het gebruik in buitenland worden toegepast. Partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat hoofdzakelijk moet worden opgevat als meer dan 50%. Nu naar de mening van het hof partijen zich in dezen niet op een onjuist juridisch uitgangspunt baseren, zal het hof partijen hierin volgen. Gelet op de vastgestelde feiten is het hof van oordeel dat niet wordt voldaan aan die voorwaarde. Dat is ook het geval indien, zoals is goedgekeurd in de Leidraad bijzondere verbruiksbelasting, het woon-werkverkeer buiten beschouwing wordt gelaten. Alsdan heeft de Inspecteur terecht het verzoek om vrijstelling van belanghebbende afgewezen.

4.6. Belanghebbende doet een beroep op het arrest F van het Hof van Justitie van 2 oktober 2003, nr. C-232/01. Hij betoogt dat de heffing van bijzondere verbruiksbelasting het verkeer van werknemers in de EU belemmert. Het hof heeft in voornoemd arrest het volgende voor recht verklaard:

Artikel 39 EG verzet zich tegen een regeling van een eerste lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, volgens welke het een in deze Staat wonende werknemer verboden is op het grondgebied daarvan een in een aan de eerste lidstaat grenzende tweede lidstaat ingeschreven voertuig te gebruiken dat toebehoort aan een in deze tweede Staat gevestigde leasemaatschappij en de werknemer ter beschikking is gesteld door zijn werkgever, die eveneens in deze tweede Staat is gevestigd.

4.7. Het hof is van oordeel dat nu er in het onderhavige geval geen sprake is van een verbod tot gebruik van de auto er niet een beperking van het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in dat arrest aan de orde is. Het bepaalde in artikel 39 van het EG-Verdrag brengt alsdan niet mee dat belanghebbende recht heeft op de in de wettelijke bepalingen voorziene vergunning voor vrijstelling. Ook voorzover belanghebbende zou hebben betoogd dat het aanvragen van een vergunning op zich zelf een belemmering zou vormen als bedoeld in voornoemd artikel 39 wijst het hof dat beroep af.

4.8. Blijkens de wetsgeschiedenis is de belastbaarstelling van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland, zie artikel 1, lid 5 Wet BPM, noodzakelijk vanuit het oogpunt van controlestrategie (Tweede Kamer,1992-1993, 22 868, nr.7). In dat kader past het tevoren aanvragen van een vergunning voor vrijstelling voor zowel belanghebbende als de Inspecteur als een praktische aanpak. Mede blijkende uit de gang van zaken bij deze procedure is de aanvraag en de afwerking van de aanvraag een weinig tijdrovende en niet ingewikkelde aangelegenheid. Die controlestrategie is naar het oordeel van het hof een met het Verdrag verenigbaar doel en dient ook duidelijk het algemeen belang. Nu deze procedure naar het oordeel van het hof verder geschikt is voor de verwezenlijking van het doel en niet verder gaat dan nodig om dat doel te bereiken, is de aanvraagprocedure een door meergenoemd artikel 39 toegestane beperking. Het hof merkt daarbij op dat de belastingadministratie met het zogenoemde herstelbeleid, zie besluit van 30 januari 2001, nr. CPP 2000/1835, V-N 2001/11.27, nog wat extra ruimte voor betrokkenen heeft gegeven. Na constatering van belast weggebruik wordt onder omstandigheden gelegenheid gegeven alsnog een vrijstellingsvergunning aan te vragen.

4.9. Het hof verstaat belanghebbende verder zo dat hij meent dat in zijn geval sprake is van zodanige belemmeringen van het vrije verkeer van werknemers dat heffing van BPM achterwege zou moet blijven en hem in dat verband een vrijstellingsvergunning moet worden verleend. In dat kader doelt belanghebbende kennelijk ook op het bepaalde in meergenoemd artikel 39.

4.10. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie verbiedt artikel 39 EG niet alleen iedere rechtstreekse of zijdelingse discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook nationale regelingen die, hoewel zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn, belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers inhouden. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige situatie geen sprake is van voornoemde belemmeringen. Met de ter beschikkingstelling van de in Duitsland geregistreerde auto aan belanghebbende zijn voor zijn werkgever immers niet meer kosten gemoeid dan voor een Duitse werknemer. Het is belanghebbende die, zo door diens gebruik geen vrijstelling van toepassing is, bij aanvang van weggebruik in Nederland de belasting verschuldigd wordt. Van een belemmering om in Duitsland te gaan werken, is ook anderszins geen sprake. Bij het gebruik van de auto uitgaande van arbeid voor een Nederlandse werkgever zou belanghebbende voor dezelfde kosten staan. Als privé-persoon zou hij BPM hebben moeten betalen. Zou een Nederlandse werkgever hem dezelfde auto ter beschikking hebben gesteld, dan zou, uitgaande van een zelfde opoffering als de Duitse werkgever, de BPM door belanghebbende moeten zijn betaald.

4.11. Wordt er vooronderstellenderwijs van uitgegaan dat wel sprake is van een belemmering als hiervoor bedoeld dan moet worden bezien of er voor die belemmering een rechtvaardiging bestaat.

In dat verband ontleent het hof aan het arrest van het Hof van Justitie van 15 september 2005, nr. C-464/02, V-N 200551.26, het volgende:

74. Onder voorbehoud van bepaalde in casu niet relevante uitzonderingen, is de belasting op motorvoertuigen niet geharmoniseerd. Op dit gebied oefenen de lidstaten dus vrij hun fiscale bevoegdheid uit, mits zij daarbij het gemeenschapsrecht in acht nemen (arrest Cura Anlagen, reeds aangehaald, punt 40).

75. Om te bepalen welke grenzen artikel 39 EG stelt aan de bevoegdheid van het Koninkrijk Denemarken om een registratiebelasting op te leggen, zij eraan herinnerd, dat de zaak die heeft geleid tot het arrest Cura Anlagen, reeds aangehaald, slechts de situatie betrof die voortvloeide uit een tussen een vennootschap met zetel in Oostenrijk en een vennootschap met zetel in een andere lidstaat gesloten lease-overeenkomst van drie jaar betreffende een voertuig dat hoofdzakelijk bestemd was voor gebruik in Oostenrijk. In punt 35 van dit arrest beklemtoonde het Hof dat het dus niet ging om eenvoudige huurovereenkomsten van korte duur, zoals de huur van een vervangingswagen bij een in een andere lidstaat gevestigde onderneming.

76. Wanneer de bedrijfsauto voornamelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in Denemarken of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt, is de situatie vergelijkbaar met die in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Cura Anlagen.

77. Het is het Koninkrijk Denemarken derhalve toegestaan om een registratiebelasting te heffen op een voertuig dat ter beschikking van een aldaar wonende werknemer is gesteld door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming.

78. In die situatie is immers een gelijke behandeling van het gebruik van een bedrijfsauto door de betrokken werknemers en het gebruik van een bedrijfsauto door andere Deense ingezetenen, wat de heffing van een dergelijke belasting betreft, rechtmatig en volstaat dit ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers.

79. Wordt daarentegen niet aan de in punt 76 van dit arrest genoemde voorwaarden voldaan, dan is de band van de in een andere lidstaat geregistreerde bedrijfsauto met Denemarken minder, zodat de betrokken beperking een andere rechtvaardiging vereist.

83. Deze vaststelling geldt niet alleen voor een gebruik van de bedrijfsauto voor beroepsmatige doeleinden, maar ook voor een gebruik voor privé-doeleinden dat ten opzichte van het beroepsmatig gebruik bijkomstig van aard is (zie in die zin arrest Ledoux, reeds aangehaald, punt 18).

4.12. Het hof is gezien de vastgestelde feiten van oordeel dat sprake is van een bestemming tot een duurzaam gebruik en een feitelijk duurzaam gebruik van de auto als hiervoor bedoeld in Nederland. Het zakelijk gebruik van de auto buiten Nederland betreft immers maandelijks slechts 400 kilometer op een totaal van 4700 kilometer. Dat belanghebbende de hem ter beschikking gestelde auto gebruikt voor het woon-werkverkeer doet daar niet aan af. Dat een werkgever bereid zou zijn de kosten te dragen van zulk verkeer brengt geen wijziging in het karakter ervan. Het gebruik van de auto door belanghebbende is in dezen volledig vergelijkbaar met dat van een in Nederland wonende werknemer met een Nederlandse werkgever. Het is Nederland gezien het vorenstaande in het onderhavige geval derhalve toegestaan BPM te heffen, zodat de Inspecteur het verzoek om hem een vergunning met vrijstelling te verlenen terecht heeft afgewezen.

4.13. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 15 maart 2006 door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 15 maart 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.