Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY2314

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
R200600605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet ophalen van brief als bedoeld in artikel 3 lid 1 FW. Ook geen verzoek tijdens zitting gedaan. Toch toetsing als bedoeld in artikel 15 b FW.

Na faillietverklaring kan in hoger beroep het verzoek om toelating tot de WSNP niet meer worden behandeld.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 3
Faillissementswet 15b
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WG

3 juli 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R06/00605

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

procureur mr. R.M. Kerkhof,

t e g e n

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Loodgieters-, Fitters- en Centrale Verwarmingsbedrijf,

Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technische Installatiebedrijf,

Stichting Sociaal Fonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken,

N.V. Schadeverzekering Metaal en Technische Bedrijfstakken,

allen kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerden.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 juni 2006 heeft [X.] verzocht

voormeld vonnis te vernietigen en hem opnieuw rechtdoende in de gelegenheid te stellen binnen een door het hof te bepalen termijn een verzoekschrift in te dienen tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling, althans de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] van toepassing te verklaren, althans zodanige voorzieningen te treffen als het hof geraden voorkomt, kosten rechtens.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2006. Bij die gelegenheid is [X.], bijgestaan door mr. C. de Blaey, gehoord. Namens geïntimeerden is mr. P.N. van Schaik ter zitting verschenen en gehoord.

De curator in het faillissement van [X.], mr. P.J.H. Keulers, is na voorafgaand bericht van afwezigheid niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 14 juni 2006;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 20 juni 2006;

- de fax met producties (de stukken van eerste aanleg) van de rechtbank Maastricht d.d. 22 juni 2006;

- de brief van de curator mr. P.J.H. Keulers d.d. 22 juni 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1.1. Geïntimeerden hebben de rechtbank Maastricht bij verzoekschrift van 17 maart 2006 verzocht [X.] in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen en [X.] bij het bestreden vonnis in staat van faillissement verklaard. Voorts heeft de rechtbank mr. P.J.H. Keulers daarbij tot curator benoemd. Uit het vonnis blijkt niet of [X.] ter zitting is verschenen. Dit blijkt uit de fax van 22 juni 2006 en de verklaring van [X.] ter zitting van het hof. Verzet is mitsdien niet aan de orde.

4.1.2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder meer overwogen dat uit de erkentenis en de opgave van [X.] ter terechtzitting en in verband met het bij het verzoekschrift gestelde summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de schuldeisers, alsmede dat er feiten en omstandigheden aanwezig zijn, die aantonen dat [X.] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

4.2. [X.] kan zich niet verenigen met zijn faillietverklaring en hij is daarvan in hoger beroep gekomen. [X.] heeft daartoe in zijn beroepschrift naar voren gebracht dat hij, hoewel hij niet bestrijdt dat hij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, voorafgaand aan zijn faillietverklaring een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had willen indienen, waarna overeenkomstig art. 3a lid 2 Fw de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring geschorst had dienen te worden, totdat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou zijn beslist. [X.] heeft gesteld dat hij de brief van de griffier van de rechtbank Maastricht, waarin hij overeenkomstig art. 3 lid 1 Fw dient te worden gewezen op het bestaan van een termijn van veertien dagen voor de indiening van een verzoek tot toepassing van de schuldsanerings- regeling, niet heeft gezien, zodat de termijn van art. 3 lid 1 Fw was verstreken toen [X.] het verzoek wilde indienen. Nu de mogelijkheid van hoger beroep mede ten doel heeft dergelijke verzuimen te herstellen, heeft [X.] in hoger beroep verzocht hem in de gelegenheid te stellen alsnog een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank in te dienen.

4.3. Het hof overweegt als volgt.

4.3.1. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [X.] naar voren gebracht dat [X.] de brief waarin de griffier van de rechtbank hem overeenkomstig art. 3 lid 1 Fw wijst op de termijn van veertien dagen voor het indienen van een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet heeft ontvangen, omdat [X.] werkt en hij daarom niet in staat was de aangetekende brief bij het postkantoor op te halen. Voor zover de advocaat van [X.] met zijn stelling dat hoger beroep mede ten doel heeft verzuimen in de eerste aanleg te herstellen, de intentie heeft te betogen dat in hoger beroep het verzuim van [X.] om het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen kan worden hersteld, faalt het, omdat dit verzuim niet herstelbaar is.

4.3.2. Voorts heeft [X.] ter zitting verklaard dat de kredietbank hem had medegedeeld dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ook nog tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek tot faillietverklaring kon worden ingediend. De rechtbank stelde echter tijdens de mondelinge behandeling op 31 mei 2006 vast dat de termijn voor indiening van het verzoek was verstreken, zodat het verzoek niet meer in behandeling kon worden genomen. Vervolgens heeft [X.] er van afgezien alsnog een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen ter griffie van de rechtbank. Het hof merkt op dat met de termijn van veertien dagen veelal soepel wordt omgegaan en dat ook wel nadien gelegenheid wordt gegeven om het verzoek in te dienen, zoals blijkt uit HR 18 februari 2000, NJ 2000/296 en Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, p. 21. Wat daar van zij, [X.] heeft zodanig verzoekschrift niet ingediend, ook niet ter zitting in eerste aanleg en is in staat van faillissement verklaard.

4.3.3. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van [X.] (een proces-verbaal is niet opgemaakt) is het hof van oordeel dat, hoewel de rechtbank de intentie van [X.] om hangende het verzoek tot faillietverklaring alsnog een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen kennelijk wel heeft getoetst of aan de in art. 3 lid 1 Fw gestelde termijn van veertien dagen is voldaan, zij heeft nagelaten overeenkomstig art. 15b Fw te onderzoeken of [X.] wegens niet aan hem toe te rekenen omstandigheden niet binnen de termijn van veertien dagen, althans voorafgaande of op de zitting, een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had ingediend en bij positieve beoordeling de behandeling van het faillissement had moeten aanhouden om [X.] in de gelegenheid te stellen het verzoek alsnog in te dienen. Van deze toets blijkt evenmin uit het vonnis. Het hof zal alsnog toetsen aan art. 15b Fw.

4.3.4. De mogelijkheid om een faillissement op te heffen, onder gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling is, wanneer het faillissement zoals in het geval van [X.] niet is uitgesproken op eigen aangifte van de gefailleerde, beperkt tot het geval dat de gefailleerde wegens niet aan hem toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten binnen de termijn van art. 3 lid 1 Fw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te doen. Ter zitting heeft de advocaat van [X.] als reden voor het niet binnen de termijn van veertien dagen indienen van het verzoek uitsluitend aangevoerd dat [X.] niet op de hoogte was van die termijn, nu hij de aangetekende brief van de rechtbank daarover niet bij het postkantoor had opgehaald. Het hof merkt op dat uit de stukken van eerste aanleg blijkt dat de betreffende brief d.d. 7 april 2006 op 10 april 2006 aangetekend is verzonden aan het juiste adres ([adres]) maar retour is gezonden onder vermelding: niet afgehaald. Niet gebleken is van rechtens te honoreren omstandigheden die [X.] hebben verhinderd deze brief op te halen, c.q. op te laten halen. Een dergelijk verzuim komt daarom naar het oordeel van het hof echter voor rekening en risico van [X.]. Daarbij komt dat de door [X.] genoemde omstandigheid hem niet verhinderde vóór of op de zitting alsnog het verzoekschrift in te dienen. Nu ook voor het overige aan het hof niet is gebleken van niet aan [X.] toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan [X.] heeft nagelaten binnen de termijn van art. 3 lid 1 Fw, of nadien, een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen, kan aan art. 15b lid 1 Fw geen toepassing worden gegeven en acht het hof geen termen aanwezig om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, teneinde het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog door de rechtbank te laten beoordelen en in het verlengde daarvan het uitgesproken faillissement mogelijk door de rechtbank te laten opheffen onder gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling.

4.3.5. Het hof ziet geen mogelijkheid voor [X.] om –buiten de voorzieningen van art 3 en 15b Fw- alsnog toelating tot de schuldsaneringsregeling te bewerkstelligen gedurende zijn faillissement. Een verzoek tot toelating tot de schuldsanerings- regeling is nog immer niet gedaan. Een aanhouding om [X.] alsnog in de gelegenheid te stellen het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen, stuit af op HR 18 februari 2000, NJ 2000/296. Na opheffing van het faillissement kan dit anders zijn (art. 288 lid 2 Fw).

4.3.6. Aangezien [X.] geen grieven heeft gericht tegen zijn faillietverklaring

-integendeel nu hij in zijn beroepschrift heeft erkend dat hij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen- zal het hof gelet op het bovenstaande het bestreden vonnis waarbij [X.] in staat van faillissement is verklaard bekrachtigen met verbetering van de gronden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2006 met verbetering van de gronden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Pouw en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.