Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0434

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
C0500130-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezien de aard van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen dus in beginsel daaraan gebonden. Zelfs indien in de toelichting op grief 2, vierde alinea zou moeten worden gelezen dat [appellant] dwaalde omtrent de waarde van de Mercedes kan hem dat niet baten, omdat partijen in beginsel geen beroep kunnen doen op dwaling terzake van hetgeen waarover juist werd getwist of waarover onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, NJ 1986, 228).

Het hof stelt vast dat er bij de vaststellingsovereenkomst tussen partijen geen verrekening was overeengekomen en geen voorbehoud was gemaakt ten aanzien van eventuele waardevermindering, zodat waardevermindering van de Mercedes bij het ongedaan maken van de ruil in beginsel voor rekening van [appellant] dient te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0500130/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 13 juni 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

29 december 2004,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank te Roermond, sector kanton, locatie Roermond, tussen appellant - verder te noemen [appellant] - als eiser en geïntimeerde - verder te noemen [geïntimeerde] - als gedaagde gewezen vonnis van 5 oktober 2004.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 116378/CV EXPL 03-3854)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daarop gevolgde herstelvonnis van 23 november 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het vonnis van 5 oktober 2004 aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging c.q. nietigverklaring van het vonnis waarvan beroep en tot, kort gezegd, alsnog veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [appellant] van een bedrag van E. 2.613,--, met (in beide gevallen) veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van een productie de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Bij het genoemde herstelvonnis van 23 november 2004 werd het tussen partijen gewezen vonnis van 5 oktober 2004 alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Waar het hof in het navolgende spreekt over "het vonnis" is daarmede bedoeld het vonnis van 5 oktober 2004 waartegen [appellant] in beroep is gekomen.

Met de grieven wordt het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4.2 De vaststelling door de kantonrechter van de feiten zoals in het vonnis onder DE FEITEN weergegeven is in hoger beroep niet bestreden. De door de kantonrechter vastgestelde feiten vormen daarom ook in hoger beroep het uitgangspunt.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende:

4.2.1 Tussen [appellant] en [geïntimeerde] heeft op 9 juni 2001 een ruil plaatsgevonden, waarbij [appellant] zijn Mercedes 190 D 2.5 met kenteken [kenteken] heeft geruild tegen de Alfa Romeo met kenteken [kenteken] van [geïntimeerde]. De Alfa Romeo is omstreeks september 2001 gestolen. [appellant] had de Alfa Romeo verzekerd tegen diefstal.

4.2.2 Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over de waarde van de Mercedes ten tijde van de overeenkomst en [geïntimeerde] een (andere dan de onderhavige) gerechtelijke procedure tegen [appellant] had ingesteld waarbij hij (primair) de nietigheid van de ruilovereenkomst inriep en ongedaanmaking van de geleverde prestaties vorderde, en (subsidiair) ontbinding van de overeenkomst met vervangende schadevergoeding, is in die procedure een comparitie van partijen gehouden.

Ter zitting van 18 juni 2002 zijn partijen ten overstaan van de kantonrechter ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst aangegaan die als volgt is geformuleerd (zittingsproces-verbaal d.d. 18 juni 2002 overgelegd bij de inleidende dagvaarding in eerste aanleg):

".....................

1. [geïntimeerde] zal de Mercedes binnen 1 week na heden retourneren aan [appellant] (............).

2. [appellant] zal aan [geïntimeerde] betalen een bedrag van

f. 7.000,00 (E. 3.176,46). [geïntimeerde] zal de verzekeringsmaatschappij opdracht geven dit bedrag over te maken naar de derdenrekening van Hoeberechts Advocaten (..................).

3. Mocht de verzekeringsmaatschappij weigerachtig zijn tot uitbetalen over te gaan dan zal [appellant] zelf voor de betaling van voormeld bedrag zorgdragen.

.........................".

4.2.3 [geïntimeerde] heeft op 21 juni 2002 de Mercedes aan [appellant] teruggeven. [appellant] heeft nadien de Mercedes voor E. 363,02 aan een opkoper verkocht. De verzekeringsmaatschappij bij wie [appellant] de Alfa Romeo verzekerd hield heeft geweigerd verzekeringspenningen uit te keren. [appellant] heeft vervolgens niets aan [geïntimeerde] betaald.

4.2.4 Bij inleidende dagvaarding van 27 oktober 2003 heeft [appellant], stellende dat na teruggave van de Mercedes, deze in zeer slechte staat bleek te verkeren, dat de auto niet meer gebruikt kon worden en dat [geïntimeerde] daarom wegens onzorgvuldig gebruik en gebrek aan onderhoud aan [appellant] schadevergoeding dient te betalen, gevorderd veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [appellant] van:

I. een bedrag van E. 2.613,-- als schadevergoeding;

II. de wettelijke rente vanaf de dag der ingebrekestelling 8 juli 2003;

III. de kosten van de procedure.

4.2.5 [geïntimeerde] heeft de stellingen en vorderingen van [appellant] gemotiveerd weersproken, waarna de kantonrechter te Roermond bij het vonnis waarvan beroep de vordering van [appellant] als ongegrond en onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Tegen dat vonnis, van 5 oktober 2004, is [appellant] in beroep gekomen.

4.3 [appellant] heeft zich in hoger beroep niet uitgelaten over de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst zoals die in de eerdere procedure op 18 juni 2002 is gesloten. Hij maakt uitsluitend bezwaar:

a) tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] op het moment dat de Mercedes aan hem is teruggegeven weer in dezelfde situatie verkeerde als vóór de ruil met [geïntimeerde] (grief 1);

b) tegen het oordeel van de kantonrechter dat de waardevermindering door tijdsverloop ook zonder ruil voor rekening van [appellant] zou zijn gekomen (grief 2);

a) tegen het - volgens [appellant] ten onrechte - afgewezen zijn van zijn schadevordering ten bedrage van E. 2.613,--(grief 3).

De grieven hebben alle drie betrekking op de door [appellant] gestelde waardevermindering van de Mercedes en de volgens hem als gevolg daarvan door hem geleden schade. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.3.1 De kantonrechter overwoog in het vonnis waarvan beroep (pag. 3) dat in de voorgaande procedure ook al als geschilpunten aan de orde waren de waarde van de Mercedes, de - volgens [geïntimeerde] - door [appellant] daarover aan [geïntimeerde] gegeven (onjuiste) informatie en het aantal met die auto gereden kilometers. Het eerste geschil destijds ging, aldus overwoog de kantonrechter, nu juist over de vraag of [appellant] daarbij een juiste voorstelling van zaken aan [geïntimeerde] had gegeven.

Juist vanwege en omtrent die reeds bestaande geschilpunten hebben partijen - en het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter op dit punt - ervoor gekozen hun vaststellingsovereenkomst aan te gaan, om aan deze onzekerheden en hun geschil een eind te maken. Daarom vormt de vaststellingsovereenkomst het uitgangspunt voor het nu voorliggende geschil.

4.3.2 De onderliggende ruilovereenkomst is aldus niet meer aan de orde. Deze is door partijen ongedaan gemaakt en de voorwaarden waarop dit zou plaatsvinden zijn ten overstaan van de kantonrechter overeengekomen en door deze vastgelegd.

De vraag doet zich voor, of vervolgens op de gesloten vaststellingsovereenkomst dan toch weer door een van partijen, eenzijdig, kan worden teruggekomen.

Van toepassing zijn de artt. 7:900 t/m 7:906 B.W. (titel 15 van Boek 7). Art. 7:902 bepaalt dat de vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig is als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud en strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde; partijen zijn jegens elkaar daaraan gebonden, óók voorzover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (art.7:900 lid 1).

Gezien de aard van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen dus in beginsel daaraan gebonden. Zelfs indien in de toelichting op grief 2, vierde alinea zou moeten worden gelezen dat [appellant] dwaalde omtrent de waarde van de Mercedes kan hem dat niet baten, omdat partijen in beginsel geen beroep kunnen doen op dwaling terzake van hetgeen waarover juist werd getwist of waarover onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, NJ 1986, 228).

4.4.1 Het hof stelt vast dat er bij de vaststellingsovereenkomst tussen partijen geen verrekening was overeengekomen en geen voorbehoud was gemaakt ten aanzien van eventuele waardevermindering, zodat waardevermindering van de Mercedes bij het ongedaan maken van de ruil in beginsel voor rekening van [appellant] dient te komen.

4.4.2 In hoger beroep legt [appellant] aan zijn vordering expliciet ten grondslag onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens hem (toelichting grief 2, laatste alinea).

Gelet op de vermelde, vooropstaande gebondenheid van partijen aan hun vaststellings-overeenkomst, en op de aan de rechter opgedragen terughoudendheid bij zijn, marginale, toetsing van een reeds totstandgekomen vaststellingsovereenkomst, zal naar het oordeel van het hof alleen dan van onrechtmatig handelen - dat mogelijk in casu uitzondering op het in de eerste alinea van deze rechtsoverweging genoemde beginsel zou kunnen rechtvaardigen - van [geïntimeerde] jegens [appellant] gesproken kunnen worden, indien [geïntimeerde] zodanig ernstig onzorgvuldig handelen (of nalaten) met de Mercedes te verwijten valt, dat als gevolg daarvan die auto een zodanig lagere waarde heeft gekregen dat [appellant] die niet behoefde te verwachten.

[appellant] stelt dat zich dat geval hier voordoet.

4.4.3 Het enkele feit dat er met de Mercedes na de ruil in juni 2001 een jaar gereden is en de Mercedes minder waard geworden is, leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van zodanig onrechtmatig handelen en is geen grond tot aantasting van de vaststellingsovereenkomst. Uiteraard heeft het [geïntimeerde] vóór het ongedaan maken van de ruil vrijgestaan de Mercedes te benutten, en niet valt in te zien waarom het gebruiken van de auto, al dan niet mede voor taxiritten, onrechtmatig zou zijn jegens [appellant].

Het daarop gerichte bewijsaanbod wordt door het hof als niet terzake dienend gepasseerd.

4.4.4 [appellant] stelt, dat de waarde van de Mercedes was gedaald van E. 3.176,46 (ten tijde van de ruil in juni 2001) tot E. 363,02 (bij verkoop na 21 juni 2002 aan een opkoper).

Het hof stelt vast, dat over de exacte waarde van de Mercedes ten tijde van de ruil geen informatie valt te putten uit een tevoren uitgevoerde inspectie of taxatie, noch blijkt dat partijen daarover afspraken hadden gemaakt.

Wel is door [geïntimeerde] overgelegd (prod. 2 bij cva) een in november 2001 uitgevoerde taxatie door [medewerker EMA] van de Mercedes-garage EMA Weert, die na constatering van de gebrekkige staat waarin de auto verkeerde de waarde van de Mercedes schatte op f. 500,-- tot f. 750,--.

De inhoud van die productie is door [appellant] niet betwist. In zijn conclusie van repliek in eerste aanleg is hij daarop en op de in die taxatie gedane constateringen in het geheel niet ingegaan. Ook in hoger beroep laat [appellant] zich over die taxatie niet uit.

Mét de kantonrechter is het hof voorts van oordeel, dat [appellant] zijn stelling dat de waarde van de Mercedes f. 7.000,-- bedroeg op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd of onderbouwd.

Dat er sprake is geweest van extreme waardevermindering in de periode na de ruil van juni 2001 tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst als in rechtsoverweging 4.4.1 bedoeld, is daarom ook op generlei wijze komen vast te staan.

4.4.5 [appellant] heeft bovendien, zelfs thans in hoger beroep, nagelaten te stellen waarin het beweerdelijke onrechtmatige, onzorgvuldige gebruik c.q. als onrechtmatig aan te merken gebrek aan onderhoud (dat hem pas na de teruggave van de Mercedes bekend zou zijn geworden) zou zijn gelegen. Geen enkel concreet feit waaruit zulks zou kunnen blijken wordt door [appellant] genoemd (afgezien van het mede als taxi gebruiken, hetgeen het hof in het voorgaande reeds als grond voor onrechtmatigheid van de hand gewezen heeft). Ook de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld wordt mitsdien door [appellant] onvoldoende onderbouwd, terwijl uit niets gebleken is dat van zulk beweerdelijk onrechtmatig handelen extreme waardevermindering gevolg is geweest.

4.5 Het door [appellant] gedane algemene bewijsaanbod wordt door het hof als te vaag gepasseerd.

4.6 Dat brengt mede, dat de aangevoerde grieven [appellant] niet kunnen baten, en dat de beslissing van de kantonrechter in het vonnis, waarvan beroep, moet worden bekrachtigd.

Het hof zal daarbij [appellant], als de ook in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, te voldoen zoals hierna in deze uitspraak bepaald.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak worden begroot op E. 244,-- aan verschotten en E. 632,-- aan salaris procureur, op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart deze uitspraak, voor wat de kostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-Van Dijken, Huijbers-Koopman en De Klerk-Leenen, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 13 juni 2006.