Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0431

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
C0500961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge art. 6: 228, lid 1 sub b BW is een onder invloed van dwaling gesloten overeenkomst ook vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

Indien derhalve [appellant sub 1] heeft gedacht dat genoemde aandelen en panden waren gewaardeerd op hun waarde in het economisch verkeer en op die basis in het bedrag van F 1.300.000,- waren betrokken, en [geïntimeerde sub 1] wist of behoorde te weten dat [appellant sub 1] daarvan uitging, had [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] ervan op de hoogte dienen te stellen dat zulks niet het geval was.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. LD

rolnr. C0500961/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

Vierde kamer, van 13 juni 2006,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap GECAN HOLDING B.V.,

gevestigd te Breda,

3. de besloten vennootschap [APPELLANTE SUB 3],

gevestigd te Breda,

appellanten bij exploot van dagvaarding van 7 juli 2005,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap JACOBRO HOLDING B.V.,

gevestigd te Tilburg,

3. de besloten vennootschap BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ

WOONGARANT B.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. E.G.M. van Ewijk,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 16 april 2003 en 8 juni 2005 tussen appellanten - [namen], gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] - als eisers en geïntimeerden - [geïntimeerde sub 1], Jacobro en Woongarant, gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 109362/HA ZA 02-980)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [appellanten] zeven grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot toewijzing van hun vorderingen.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van dit hof van 6 april 2006. Daarbij trad voor [appellanten] op Mr.J.L.G.M. Verwiel en voor [geïntimeerden] Mr. P.A. Groenhuis. Elk van partijen heeft van de gehouden pleidooien pleitnotities overgelegd. [geïntimeerde sub 1] heeft de pleitnota persoonlijk voorgedragen.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

De ontwerpakte waarnaar wordt verwezen in de memorie van antwoord, pagina 9 bovenaan, heeft het hof in de partijdossiers niet bij de memorie van antwoord aangetroffen.

3. De gronden van het hoger beroep

De eerste vijf grieven van [appellanten] strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling, bedrog, bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden niet heeft toegewezen.

De ten tweede male als grief vier en grief vijf aangeduide grieven (in feite dus de grieven 6 en 7) betreffen de door de rechtbank afgewezen vordering terzake van onverschuldigde betaling en de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] hebben sinds 1980 samengewerkt, aanvankelijk uitsluitend op het gebied van de makelaardij, later ook op het gebied van projectontwikkeling- en woongarantieactiviteiten.

b. In 2000 was de situatie als volgt:

- de makelaarsactiviteiten waren ondergebracht in [naam] Vastgoed BV, een 100 % dochtervennootschap van Beleggingsmaatschappij Oranjestad BV (Oranjestad);

- de projectontwikkelingsactiviteiten waren ondergebracht in [naam] Projectontwikkeling BV (Projectontwikkeling);

- de woongarantieactiviteiten waren ondergebracht in Beleggingsmaatschappij Woongarant BV (Woongarant);

Projectontwikkeling en Woongarant zijn 100 % dochtervennootschappen van Oranjestad Beheer BV (Oranjestad Beheer). Het hof verwijst naar het organogram ( prod. 19 mvg).

c. Van de aandelen Oranjestad bezaten [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] ieder 50% en van de aandelen Oranjestad Beheer bezat [appellant sub 1] via zijn Holding Gecan 34 % en [geïntimeerde sub 1] via zijn Holding Jacobro 66 %.

d. Voorts bezaten [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] privé in mede-eigendom een drietal panden met toebehoren te Breda, te weten de panden aan [adres] en aan [adres], alsmede een gezamenlijke vordering uit geldlening op [persoon 1], met een recht van eerste hypotheek op het pand [adres].

e. Op 10 november 2000 hebben [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten (prod. 21 mvg). Deze overeenkomst strekte ertoe het samenwerkingsverband te ontvlechten in die zin dat de makelaardij, ook financieel, geheel bij [appellant sub 1] terecht kwam en de overige activiteiten bij [geïntimeerde sub 1].

f. In de overeenkomst van 10 november 2000 in de considerans onder a. is vermeld dat "partijen herstructurering en verschuiving van eigendom in diverse rechtspersonen en daarmee ook in de eigendom van panden beogen, zodanig dat beide partijen uiteindelijk een tussen hen overeengekomen waarde ontvangen c.q. in bezit krijgen".

Daartoe hebben partijen afgesproken dat zij over en weer aandelen, enerzijds aandelen Oranjestad, anderzijds aandelen Oranjestad Beheer, aan elkaar zouden leveren (zie considerans onder c en d en art. 1 en 2), zodanig dat [appellant sub 1] (uiteindelijk) zou ontvangen c.q. in bezit zou krijgen een waarde van F 1.300.000,- als waarde van de aandelen in de vennootschappen aan de zijde van [appellant sub 1] (zie considerans onder e).

In art. 3 e.v. hebben partijen in dit kader voorts een aantal andere afspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat een drietal in art. 3 van de overeenkomst genoemde panden en een hypothecaire vordering op [adres] volledig en onbezwaard in eigendom naar [geïntimeerde sub 1] overgaan, zonder dat [geïntimeerde sub 1] daarvoor een (aparte) vergoeding aan [appellant sub 1] verschuldigd is.

In art. 12, gelezen in verband met de considerans onder e, zijn partijen overeengekomen dat het uiteindelijke resultaat van de uitvoering van de afspraken zodanig dient te zijn dat [appellant sub 1] een bezit aan aandelen in de vennootschappen aan zijn zijde ontvangt ter waarde van F 1.300.000,-, zulks op basis van de situatie voor aanvang van deze overeenkomst, en dat, indien dit niet het geval is, verrekening zal plaatsvinden zodanig dat verschillen op 50/50 basis worden verrekend en alsnog een genoemde waarde ontstaat.

In art. 13 van de overeenkomst is bepaald:

"Met inachtname van hetgeen onder punt 12 is bepaald, worden partijen geacht de juiste of overeengekomen waarde van de betrokken individuele vermogensbestanddelen (aandelen, panden, auto, huurrecht) als uitgangspunt voor deze afspraken te hebben genomen en deze waarden per 01 oktober 2000 als genoemd in deze overeenkomst te aanvaarden. Partijen sluiten bij deze op voorhand eventuele aansprakelijkheden of verrekeningen ten opzichte van incidentele vermogensrechten (ongeacht de oorzaak daarvan) ten opzichte van elkaar en elkaars rechtsopvolgers zonder enige uitzondering uit."

g. Ter uitvoering van deze overeenkomst zijn de volgende notariële akten, alle gedateerd 4 december 2000, opgemaakt door notaris Sulzer en door partijen ondertekend (prod. 22 mvg).

- een akte strekkende tot overdracht door [appellant sub 1] aan [geïntimeerde sub 1] van de helft van de hypothecaire vordering op [persoon 1] betreffende [adres] voor een bedrag van F 74.500,-;

- een akte strekkende tot overdracht door [geïntimeerde sub 1] van zijn aandelen in Oranjestad aan Oranjestad (feitelijk aan [appellant sub 1]) tegen een bedrag van F 542.165,-;

- een akte strekkende tot overdracht door Gecan (feitelijk door [appellant sub 1]) van haar aandelen in Oranjestad Beheer aan Oranjestad Beheer (feitelijk aan [geïntimeerde sub 1]) tegen een bedrag van F 229.925,-

- een akte strekkende tot verdeling van bovengenoemde drie panden met toebehoren te Breda en overdracht door [appellant sub 1] van zijn aandeel daarin aan [geïntimeerde sub 1] tegen een bedrag van F 392.500,-.

4.2. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat deze vaststellingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechthandelingen vernietigbaar zijn omdat zij tot stand zijn gekomen door dwaling, bedrog, bedreiging en misbruik van omstandigheden.

4.2.1. [appellanten] hebben op die grond onder meer vernietiging van die vaststellingsovereenkomst en de daaruit voortgevloeide rechtshandelingen gevorderd, met dien verstande dat aan deze vernietiging haar werking wordt ontzegd en [geïntimeerde sub 1] wordt veroordeeld aan [appellant sub 1] te betalen

a. E. 123.503,10 in verband met de benadeling terzake van de aandelen Oranjestad;

b. E. 265.461,43 in verband met de benadeling terzake voormelde panden, en

voorts Jacobro wordt veroordeeld aan Gecan te betalen

c. E. 52.218,76 in verband met de benadeling terzake de aandelen Oranjestad Beheer.

4.3. [appellanten] voeren daartoe aan dat in november 2000 tussen [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] persoonlijke spanningen en een onevenwichtige verhouding bestonden, dat [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] volkomen onvoorbereid voormelde vaststellingsovereenkomst op 10 november 2000 ter ondertekening heeft voorgelegd en dat [geïntimeerde sub 1] bij de ondertekening [appellant sub 1] heeft voorgehouden dat [appellant sub 1] deze overeenkomst op dat moment moest tekenen omdat [geïntimeerde sub 1] hem ([appellant sub 1]) "kapot zou maken" indien hij dat niet zou doen.

4.3.1. Voorts stellen [appellanten] dat [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1]

bij de ondertekening van de overeenkomst op 10 november 2000 heeft voorgespiegeld dat er taxatierapporten aan het in de overeenkomst opgenomen bedrag van F 1.300.000,- ten grondslag hebben gelegen (mvg punt 40) en dat hij - [appellant sub 1] - er dan ook van is uitgegaan dat de in de overeenkomst betrokken vermogensbestanddelen tegen de werkelijke waarde in de overeenkomst waren betrokken. Ook stellen [appellanten] dat [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] heeft gezegd dat hij - [appellant sub 1] - financieel volledig aan zijn trekken kwam en dat de bedragen reëel waren.

4.3.2. Zulks blijkt echter, aldus [appellanten], geenszins het geval te zijn, nu op basis van de werkelijke waarde de onder 4.1. sub c en d vermelde aandelen en panden tegen een aanzienlijk hogere waarde met [appellant sub 1] hadden moeten worden afgerekend dan de waarde die is opgenomen in de ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst opgemaakte en door [appellant sub 1] ondertekende notariële akten van 4 december 2000. Als gevolg van een en ander is [appellant sub 1] met de onder 4.2.1. genoemde bedragen benadeeld, in totaal belopende

E. 441.183,29 (mvg punt 34, 35 en 36), berekend als volgt:

- Aandelen Oranjestad

* overgedragen aan [appellant sub 1]

voor een bedrag van F 542.165,-.

* werkelijke waarde (zie

prod. 23 mvg: brief d.d.

16-5-2002 betreffende

waardering aandelenpakket) F 270.000,-

benadeling F 272.165,- = E. 123.503,10

- Aandelen Oranjestad Beheer

* overgedragen aan [geïntimeerde sub 1]

voor een bedrag van F 229.925,-

* werkelijke waarde (zie

prod. 23 mvg: brief d.d.

16-5-2002 betreffende

waardering aandelenpakket) F 345.000,-

benadeling F 115.075,- = E. 52.218,76

- Aandeel in de drie panden

* overgedragen aan [geïntimeerde sub 1]

voor een bedrag van F 392.000,-

dit bedrag is door [geïntimeerde sub 1]

niet betaald.

Bovendien was aandeel waard

F 585.000,-; meerwaarde F 193.000,-

Benadeling F 585.000,- = E. 265.461,43

Totale benadeling E. 441.183,29

4.4. In het tussenvonnis van 16 april 2003 heeft de rechtbank het beroep van [appellanten] op dwaling verworpen (rov. 3.6.) en [appellanten] toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vaststellingsovereenkomst van 10 november 2000 is gesloten onder invloed van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden.

4.5. [appellanten] hebben vervolgens als getuigen doen horen

- zichzelf en [geïntimeerde sub 1], op 24 september 2003;

- [partner van appellant sub 1]) en [voormalig werknemer geïntimeerde en appellant]), op 4 februari 2004;

- [voormalig accountant [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1]], en werkzaam bij Deloitte en Touche), [zeilvriend appellant sub 1]) en [voormalig werkneemster [appellant sub 1]]), op 14 april 2004;

- Sulzer (notaris), op 1 september 2004.

4.6. In het eindvonnis van 8 juni 2005 heeft de rechtbank [appellanten] niet geslaagd geacht in het bewijs en de onder 4.2.1. vermelde vorderingen afgewezen.

De overige door [appellanten] ingestelde vorderingen heeft de rechtbank eveneens afgewezen.

4.7. In het tussenvonnis van 16 april 2003 (rov. 3.6.) heeft de rechtbank de stelling van [appellanten] dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van dwaling is gesloten, verworpen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat van iemand die ruim 20 jaar zakelijk actief is in de onroerend goed markt, mag worden verwacht dat hij de nodige kennis bezit over de waarde van de betreffende vermogensbestanddelen dan wel dat hij, voorzover het hem aan kennis terzake zou ontbreken, in staat is zich terzake te laten voorlichten.

4.8. Hiertegen is de eerste grief van [appellanten] gericht.

[appellanten] handhaven hun hierboven onder 4.3. e.v. - kort samengevat weergegeven - stellingen.

4.9. [geïntimeerden] hebben de stellingen van [appellanten] betwist. Het ging, aldus [geïntimeerden], om een aandelenruil, waarbij de in de overeenkomst betrokken onderdelen of bedragen niet nader werden gespecificeerd. Het ging niet om individuele koopovereenkomsten waarin partijen uitsluitend individuele vermogenbestanddelen aan elkaar verkochten (mva pag. 7, 18 en 19). [geïntimeerden] ontkennen de door [appellanten] gestelde mededelingen te hebben gedaan.

4.10. Ingevolge art. 6: 228, lid 1, sub a BW is een onder invloed van dwaling gesloten overeenkomst vernietigbaar indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten.

4.10.1. De stelling dat de dwaling van [appellant sub 1] omtrent de "financiële waarden" van de aandelen en panden die in de vaststellingsovereenkomst zijn betrokken, te wijten is aan het feit dat [geïntimeerde sub 1] hem op 10 november 2000 onjuist heeft ingelicht door voor te spiegelen dat er taxatierapporten ten grondslag lagen aan het in de overeenkomst opgenomen bedrag van F 1.300.000,- en dat de genoemde financiële waarden reëel waren, is niet komen vast te staan.

4.10.2. Er is geen bewijs op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat [geïntimeerde sub 1] in het gesprek op 10 november 2000 voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst

- al dan niet desgevraagd door [appellant sub 1] - zulks aan [appellant sub 1] heeft voorgehouden. Bij het gesprek op 10 november 2000 tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1], bij gelegenheid waarvan de overeenkomst werd ondertekend, was niemand aanwezig die over de gestelde mededeling van [geïntimeerde sub 1] kan verklaren.

4.10.3. In dit verband wijst het hof nog op het volgende.

Als getuige heeft [geïntimeerde sub 1] verklaard: "Wij vonden dat met de vaststellingsovereenkomst op dat moment recht werd gedaan aan de situatie waarin wij beiden zaten. Er is toen ook in de voorbesprekingen over 1.300.000,- gesproken. Eerst wilde [appellant sub 1] 1.700.000,- hebben, maar vanwege nog zaken ([naam]) die liepen is dat in goed overleg 1.300.000,- geworden."

Als getuige heeft [appellant sub 1] verklaard: "Ik voelde mij op 10 november 2000 bedreigd doordat ik iets moest tekenen wat ik niet eerder had gezien. (......) Er waren op dat moment nog drie zaken die opgelost moesten worden. Dat waren [namen] [geïntimeerde sub 1] zou zorgen dat die problemen werden opgelost en daarom was het bedrag van 1.300.000,- lager."

In zijn brief d.d. 23 oktober 2002, pag. 5 onderaan (prod. 15 cvd) spreekt ook [vm. accountant partijen] over deze posten: ".... de claim [naam], welke bij [appellant sub 1] voor tenminste F 300.000,- bekend moet zijn." en "Verder de 'mogelijke' schade inzake de onverdeelde helft [adres] van circa F 250.000,-.....".

Blijkens deze verklaringen waren in het bedrag van F 1.300.000,- ook voormelde negatieve posten verdisconteerd zonder dat deze posten door middel van taxatie of accountantsrapporten waren vastgesteld. Gelet op de wijze waarop deze posten in aanmerking zijn genomen, ligt het niet voor de hand aan te nemen dat [geïntimeerde sub 1] met betrekking tot de financiële waarden van de aandelen en panden aan [appellant sub 1] heeft voorgehouden dat terzake daarvan taxatierapporten ten grondslag lagen aan het bedrag van F 1.300.000,-.

4.10.4. Niet geconcludeerd kan dus worden dat, indien er sprake is geweest van de gestelde dwaling bij [appellant sub 1], deze te wijten is geweest aan de gestelde inlichting van [geïntimeerde sub 1].

4.11. Ingevolge art. 6: 228, lid 1 sub b BW is een onder invloed van dwaling gesloten overeenkomst ook vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

Indien derhalve [appellant sub 1] heeft gedacht dat genoemde aandelen en panden waren gewaardeerd op hun waarde in het economisch verkeer en op die basis in het bedrag van F 1.300.000,- waren betrokken, en [geïntimeerde sub 1] wist of behoorde te weten dat [appellant sub 1] daarvan uitging, had [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] ervan op de hoogte dienen te stellen dat zulks niet het geval was.

4.12. Voorafgaande aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is op 6 november 2000 tussen [appellant sub 1], [geïntimeerde sub 1]s en [vm. accountant partijen] (destijds accountant van [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1]) een gesprek gevoerd over de splitsing van de bedrijven van [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] (verklaring getuige [geïntimeerde sub 1], bevestigd in de verklaring van getuige [vm. accountant partijen]). De getuige [vm. accountant partijen] heeft dienaangaande verklaard dat er met name is gesproken over de tussentijdse financiële verslaglegging en wel de balans van alle BV's per 30 september 2000. [vm. accountant partijen] zegt dat hij erop heeft gewezen dat dit in verband met de aandelen wel van belang was om de vermogenspositie van de verschillende BV's vast te stellen. [appellant sub 1] heeft, aldus [vm. accountant partijen], in dat gesprek de toekomst van de makelaardij geschetst, hoe de omzet zich zou ontwikkelen, wat de kostenontwikkeling zou zijn en hoe hij in een periode van 10 tot 12 jaar naar een bepaalde vermogenspositie zou komen. [geïntimeerde sub 1] schetste, aldus [vm. accountant partijen], de ontwikkelingen met betrekking tot projectontwikkeling en beleggingen. Het gesprek was, aldus [vm. accountant partijen], bedoeld om de cijfers te bespreken, maar die zijn niet echt aan de orde geweest.

Wel is, aldus [vm. accountant partijen], nog gesproken over een financiële compensatie voor [appellant sub 1] in de vorm van meer salaris omdat inkomsten die hij ontving en gerelateerd waren aan bepaalde onroerende goederen wegvielen, want die onroerende goederen zouden naar [geïntimeerde sub 1] gaan. Voorts verklaart [vm. accountant partijen] dat de intrinsieke waarde van de aandelen in de beide BV's op 1 oktober 2000 niet van belang was voor de hoogte van de koopprijs.

Als getuige heeft [geïntimeerde sub 1] verklaard: "Voor ons hoefde niet de waarde van de aandelen vastgesteld te worden. Die waarde was voor ons niet relevant. De waarde van het onroerend goed was bij ons bekend en wij hebben er ook over gesproken. De waarde van het onroerend goed was slechts zijdelings van belang. Het ging ons om de toekomst. Daarbij was van belang enerzijds het financieel gezond voortzetten van onze bedrijven en anderzijds dat op het moment van pensionering van ons beide elk voldoende liquiditeiten zouden hebben en een vast inkomen."

Uit deze verklaringen - met name die van [vm. accountant partijen] - kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde sub 1] op de bijeenkomst van 6 november 2000 wist of behoorde te weten dat [appellant sub 1] ervan uitging dat de aandelen in de vennootschappen die partijen over en weer aan elkaar zouden overdragen, en de aan partijen toebehorende panden waarvan toedeling aan [geïntimeerde sub 1] zou plaatsvinden, waren gewaardeerd op hun respectievelijke waarden in het economisch verkeer en op die basis in het in de overeenkomst genoemde bedrag van F 1.300.000,- waren betrokken.

4.12.1. Tegenover voormelde verklaringen van [vm. accountant partijen] en [geïntimeerde sub 1] heeft [appellant sub 1] geen bewijs geleverd van feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat [geïntimeerde sub 1] op 6 november 2000 wist of behoorde te weten dat [appellant sub 1] ervan uitging dat het bedrag van F 1.300.000,- wel op die basis was bepaald. Taxatierapporten met betrekking tot de in de overeenkomst betrokken aandelen en panden waren op de bijeenkomst van 6 november 2000 niet voorhanden. Er is zelfs geen aanwijzing dat [appellant sub 1] ervan uitging dat die rapporten bestonden.

4.13. De verklaringen van de door [appellant sub 1] voorgebrachte getuigen bieden ook geen aanknopingspunten waaruit is af te leiden dat [geïntimeerde sub 1] op 10 november 2000 wist of behoorde te weten dat [appellant sub 1] ervan uitging dat genoemde aandelen en panden waren gewaardeerd op hun waarde in het economisch verkeer en op die basis in het bedrag van F 1.300.000,- waren betrokken.

4.14. Grief 1 kan geen doel treffen. Op basis van het bestaande bewijsmateriaal heeft de rechtbank terecht het beroep op dwaling afgewezen. Ook in hoger beroep kan niet worden geconcludeerd dat het beroep op dwaling slaagt. Het geleverde bewijs is daartoe ontoereikend. [appellant sub 1] heeft in hoger beroep verder geen bewijs van de dwaling aangeboden. De vaststellingsovereenkomst kan op deze grond niet worden vernietigd.

4.15. In het eindvonnis d.d. 8 juni 2005 (rov. 2.6.) concludeert de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten onder invloed van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden, zulks op grond van haar beoordeling van de verklaringen van de gehoorde getuigen [appellant sub 1], [vm. werknemer appellant en geïntimeerde], [vm. werkneemster appellant sub 1], [zeilvriend appellant sub 1], [partner appellant sub 1], [vm. accountant partijen] en Sulzer en de brief d.d. 23 (lees: 10) maart 2005 van [naam], aan de rechtbank toegestuurd bij brief d.d. 23 maart 2005 (prod. N bij pleidooi in eerste aanleg zijdens [appellanten]).

4.16. De grieven 2, 3, (eerste) 4 en (eerste) 5 zijn gericht tegen deze beoordeling en conclusie.

In het bijzonder onder de eerste grief 5 bestrijdt [appellant sub 1] voormelde conclusie.

4.17. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant sub 1] niet heeft bewezen dat de vaststellingsovereenkomst door bedrog zijdens [geïntimeerde sub 1] tot stand is gekomen. Niet gebleken is dat [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] opzettelijk heeft misleid tot het aangaan van de onderhavige overeenkomst.

De stelling dat [geïntimeerde sub 1] aan [appellant sub 1] heeft medegedeeld dat hij had onderzocht dat de in de overeenkomst betrokken vermogensbestanddelen tegen reële waarden werden verrekend, vindt in geen enkele getuigenverklaring steun. Er is geen bewijs dat [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] heeft voorgespiegeld dat het bedrag van F 1.300.000,- op basis van taxatierapporten was bepaald.

Het hof verwijst naar hetgeen hierboven ten aanzien van het beroep van [appellanten] op dwaling is overwogen.

4.17.1. De gestelde mededeling levert bovendien geen bedrog op, nu er geen bewijs is dat [geïntimeerde sub 1] [appellant sub 1] bewust heeft misleid met betrekking tot de waarde van de in de overeenkomst betrokken vermogensbestanddelen.

Onjuist is de stelling van [appellanten] dat de bedragen die terzake van de overdracht van aandelen en het aandeel van [appellant sub 1] in de drie panden in de notariële akten van 4 december 2000 zijn opgenomen, tevens de bedragen zijn waarop feitelijk het overeengekomen bedrag van F 1.300.000,- is gebaseerd. Het hof verwijst dienaangaande naar hetgeen hierna onder 4.23 - 4.23.2. is overwogen. Een benadeling van E. 441.183,29, zoals door [appellanten] gesteld, kan dan ook niet worden aangenomen.

4.18. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellanten] ook niet hebben bewezen dat de vaststellingsovereenkomst door bedreiging of misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

4.19. Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel (rov. 2.8 van het eindvonnis) dat de bedreiging die [geïntimeerde sub 1] volgens [appellant sub 1] op 10 november 2000 heeft geuit bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst niet is bewezen. Geen enkele getuige - anders dan [appellant sub 1] - heeft daarover kunnen verklaren.

4.19.1. Het hof verwijst voor het overige naar hetgeen hierna onder 4.21 - 4.21.4. is overwogen.

4.20. De stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde sub 1] wist of moest begrijpen dat [appellant sub 1] op 10 november 2000 door bijzondere omstandigheden in een zodanige toestand verkeerde dat dit [geïntimeerde sub 1] had moeten weerhouden om [appellant sub 1] tot het aangaan van de onderhavige te bewegen, acht het hof evenmin bewezen. Op grond van de getuigenverklaringen kan dat immers niet worden aangenomen.

4.21. De getuige [partner appellant sub 1] (partner van [appellant sub 1]) heeft verklaard dat [appellant sub 1] op 10 november 2000 toen hij thuiskwam "helemaal ontdaan en helemaal van de wereld" was. In het licht van de hierna vermelde verklaringen van [vm. accountant partijen] en Sulzer kan echter op grond van deze verklaring die afkomstig is van de partner van [appellant sub 1], niet worden geconcludeerd dat de overeenkomst onder misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

4.21.1. [vm. accountant partijen] heeft als getuige verklaard: "Begin november 2000 heb ik met [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1] in Breda een gesprek gehad. (.....) Ik heb in dat gesprek niet iets gemerkt van spanningen tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1].

"Voorts verklaar ik nog dat ik in mijn positie van accountant en al vanaf 1980 voor beide heren werkzaam geen reden had om navraag te doen naar de wijze van totstandkoming van de hoogte van de koopprijs. Ik had geen reden om daarnaar te vragen omdat ik 2 tevreden heren tegenover me had. Mijn advies werd vooral door fiscale overwegingen ingegeven."

En verder:

"Ik heb voor het eerst in de tweede helft van 2001 en wel rond september/oktober 2001 gemerkt van spanningen tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1]."

Sulzer heeft verklaard: "Ik heb de ontwerpaktes toegezonden aan de beide heren en waarschijnlijk ook aan de accountant. Over de inhoud van die aktes is geen commentaar geweest.(....) De beide heren waren bij het passeren van de akte aanwezig. Er is mij toen niets bijzonders ten aanzien van [appellant sub 1] opgevallen."

4.21.2. Uit deze verklaringen van [vm. accountant partijen] en Sulzer volgt dat aan hen geen bijzondere omstandigheden zijn opgevallen, terwijl juist zij degenen waren met wie [appellant sub 1] in verband met het aangaan en de uitvoering van de onderhavige overeenkomst nauw contact had.

4.21.3. In het licht van voormelde verklaringen van [vm. accountant partijen] en Sulzer zijn er voorts onvoldoende aanknopingspunten om reeds op grond van het feit dat [geïntimeerde sub 1] door sommige getuigen als een dominante persoonlijkheid wordt geduid en zijn verhouding met [appellant sub 1] als onevenwichtig wordt gekenschetst, te concluderen dat [appellant sub 1] op 10 november 2000 in een toestand heeft verkeerd van abnormale geestestoestand, lichtzinnigheid of afhankelijkheid die [geïntimeerde sub 1] had moeten weerhouden van het aangaan van de onderhavige overeenkomst met [appellant sub 1].

4.22. In dit verband acht het hof nog het volgende van belang. Er kan niet van worden uitgegaan dat [appellant sub 1] van de tekst van de vaststellingsovereenkomst niet reeds voor 10 november 2000 heeft kunnen kennisnemen en dat [geïntimeerde sub 1] hem met die overeenkomst heeft "overvallen" op 10 november 2000.

Tijdens het gesprek van 6 november 2000 was de (tekst van de) nadien ondertekende vaststellingsovereenkomst aanwezig. Zulks blijkt uit de getuigenverklaringen van [geïntimeerde sub 1] en [vm. accountant partijen]. [vm. accountant partijen] verklaart: "In het gesprek was de overeenkomst wel aanwezig maar er is eigenlijk niet over gesproken."

[geïntimeerde sub 1] heeft als getuige verklaard: "Deze overeenkomst is op 6 oktober 2000 besproken bij ons op kantoor. Daarin zijn geen wijzigingen meer aangebracht. [appellant sub 1] heeft toen een exemplaar meegekregen."

4.22.1. Daarom kan ook niet worden aangenomen dat [appellant sub 1] niet de gelegenheid heeft gehad de overeenkomst inhoudelijk te bestuderen of door een extern deskundige te laten toetsen, zoals [appellant sub 1] in de memorie van grieven onder punt 11. stelt.

[appellant sub 1] had, toen hem bij de bijeenkomst van 6 november 2000 de alstoen aanwezige tekst van de overeenkomst ter beschikking stond, daarin bovendien kunnen zien dat die overeenkomst geen enkele verwijzing naar enig taxatierapport of ander rapport bevatte betreffende de waardering van de in die overeenkomst betrokken aandelen en panden.

Integendeel, [appellant sub 1] had in art. 13 van de overeenkomst kunnen lezen dat partijen worden geacht de juiste of overeengekomen waarde van de betrokken individuele vermogensbestanddelen als uitgangspunt voor de gemaakte afspraken te hebben genomen. Deze bepaling houdt in dat partijen in het kader van de onderhavige overeenkomst jegens elkaar bij wijze van fictie hebben vastgesteld dat zij van de juiste of overeengekomen waarde van die vermogensbestanddelen zijn uitgegaan. Partijen hebben voorts in art. 13 van de vaststellingsovereenkomst op voorhand eventuele aansprakelijkheden of verrekeningen ten opzichte van incidentele vermogensrechten jegens elkaar uitgesloten.

4.23. Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft [appellant sub 1] meegewerkt aan de uitvoering daarvan.

4.23.1. De concept-notariële akte betreffende de verdeling van de drie panden is, anders dan [appellanten] stellen (mvg punt 19), op voorhand ook aan [appellant sub 1] toegezonden door notaris Sulzer (zie de verklaring van de getuige Sulzer en diens brief d.d. 28 november 2000, prod. 10 cva).

De reden waarom de in deze akte opgenomen waarde van de helft van deze drie panden zo laag is, heeft [geïntimeerde sub 1] toegelicht in de mva pag. 12 en 20 en komt er, kort gezegd, op neer dat er naar gestreefd is om zo min mogelijk overdrachtsbelasting te betalen. Dit is door [appellanten] niet bestreden.

Het is dan ook onjuist ervan uit te gaan, zoals [appellanten] doen, dat het (lage) bedrag dat in de concept-akte betreffende de verdeling van de panden is opgenomen, de waarde is waarvan partijen ook feitelijk zijn uitgegaan bij de vaststelling van het bedrag van F 1.300.000,-. De in de notariële akten opgenomen bedragen hebben op de voet van art. 13 van de vaststellingsovereenkomst slechts (bij wijze van fictie) te gelden als de waarde waarvan partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn uitgegaan. De vraag van welke waarden van de onderscheiden, in de overeenkomst betrokken vermogensbestanddelen elk van partijen in werkelijkheid is uitgegaan toen zij het bedrag van F 1.300.000,- overeenkwamen, is niet te beantwoorden nu deze waarden in dit geding niet bekend zijn. Dat [geïntimeerde sub 1] in dit verband misbruik heeft gemaakt van de onervarenheid van de kant van [appellant sub 1] kan niet worden aangenomen. [appellant sub 1] was immers als makelaar reeds ruim 20 jaar werkzaam in de onroerend goed markt, zodat moet worden aangenomen dat [appellant sub 1] zich toen wel degelijk heeft gerealiseerd wat de waarde van de panden in het economisch verkeer was.

4.23.2. Ook voor de bedragen die zijn opgenomen in de notariële akten met betrekking tot de levering van de aandelen geldt dat die bedragen feitelijk niet ten grondslag hebben gelegen aan het bedrag van F 1.300.000,- Ook te dien aanzien is in dit geding niet bekend van welke waarde elk van partijen feitelijk is uitgegaan. [vm. accountant partijen] heeft de intrinsieke waarde van de aandelen op de in de notariële akte vermelde bedragen bepaald in het kader van de overdracht van de aandelen, zoals blijkt uit de brief van [vm. accountant partijen] d.d. 23 oktober 2002, pag. 1, aan [geïntimeerde sub 1] (prod. 15 cvd). Als getuige [vm. accountant partijen] heeft verklaard: "Voorts verklaar ik nog dat de intrinsieke waarde van de aandelen in de beide BV's op 1 oktober 2000 niet van belang was voor de hoogte van de koopprijs.". De voor de berekening van de intrinsieke waarde gebruikte berekeningsmethode heeft, zo zegt [vm. accountant partijen] in de brief van 23 oktober 2002, een arbitrair karakter, hetgeen wordt bevestigd door de deskundige Donkers die [appellant sub 1] in 2001 ter berekening van de waarde van de aandelen heeft ingeschakeld (zie prod. 7, pag. 3 bij cvd). Het hof begrijpt daaruit dat de uitkomsten van de berekening dan ook (sterk) uiteen kunnen lopen. Dat [geïntimeerde sub 1] in dit verband misbruik heeft gemaakt van de onervarenheid van de kant van [appellant sub 1] kan niet worden aangenomen, nu blijkens de verklaring van de getuige [vm. accountant partijen] voorafgaande aan de ondertekening van de overeenkomst tussen partijen uitvoerig is gesproken over de tussentijdse financiële verslaglegging van 30 september 2000 van alle BV's. [vm. accountant partijen] verklaart verder: "Voorts verklaar ik nog dat ik in mijn positie van accountant en al vanaf 1980 voor beide heren werkzaam geen reden had om navraag te doen naar de wijze van totstandkoming van de hoogte van de kooprijs. Ik had geen reden om daarnaar te vragen omdat ik 2 tevreden heren tegenover me had. Mijn advies werd vooral door fiscale overwegingen ingegeven."

4.24. [appellanten] stellen in de toelichting onder grief 1 (punt 34 onder 3) nog aan de orde dat de bedragen (koopsommen) die zijn vermeld in de notariële akten die ter uitvoering van art. 3 van de overeenkomst zijn opgemaakt, niet door [geïntimeerde sub 1] aan [appellant sub 1] zijn voldaan, zulks terwijl dat wel in die akten is vermeld. Het hof begrijpt dat [appellant sub 1] alsnog afzonderlijke betaling wenst van de waarde van zijn aandeel in de betrokken drie panden. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

4.24.1. In de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat [appellant sub 1] (uiteindelijk) een waarde van F 1.300.000,- zou ontvangen en dat [geïntimeerde sub 1] voor de panden en de hypothecaire vordering niet "een (aparte) vergoeding aan [appellant sub 1] verschuldigd is" (art. 3 van de overeenkomst). [appellant sub 1] heeft derhalve afstand gedaan van zijn recht op een aparte vergoeding terzake van deze panden en de hypothecaire vordering, zodat hem, naast de waarde van F 1.300.000,-, niet een aparte vergoeding terzake toekomt.

4.24.2. Voor het overige wijst het hof er op dat partijen in art. 13 van de vaststellingsovereenkomst eventuele aansprakelijkheden of verrekeningen ten aanzien van incidentele vermogensrechten jegens elkaar hebben uitgesloten.

4.25. De conclusie is dat ook de grieven 2, 3, (eerste)4 en (eerste)5 falen.

4.26. De (tweede) grief 4 betreft de afwijzing van de vordering van E. 24.277,24 (= F 53.500,-) die door [appellanten] is gegrond op onverschuldigde betaling (vordering nr. 7 in de inleidende dagvaarding).

4.27. Vaststaat dat voormeld bedrag door Woongarant op

1 mei 2001 aan [appellant sub 1] is gefactureerd en door deze laatste aan Woongarant is betaald (inl. dagv. punt 29). Niet gemotiveerd betwist is dat die facturering en betaling plaats hebben gevonden op de grond dat [appellant sub 1] bij de uitvoering van de overeenkomst (uiteindelijk) een hogere waarde heeft ontvangen dan F 1.300.000,- (cvd pag. 21 Ad 18).

4.27.1. Het bedrag van F 53.500,- (= E. 24.277,24) is gespecificeerd in de brief van Deloitte & Touche van 23 oktober 2002, pag. 4 (prod. 15 cvd).

In hoger beroep hebben [appellanten] deze specificatie niet gemotiveerd betwist.

4.27.2. Op grond van het bovenstaande moet ervan worden uitgegaan dat de grondslag van de betaling gelegen is in het feit dat [appellant sub 1] na uitvoering van de overeenkomst van 10 november 2000 teveel bleek te hebben ontvangen, zodat [appellant sub 1] op die grond verplicht was mee te werken aan betaling van dit bedrag. Het bedrag is dus niet onverschuldigd betaald, waarbij ervan uitgegaan moet worden dat betaling door [appellant sub 1] namens, althans voor rekening van [appellant sub 1] heeft plaatsgevonden. De (tweede) grief 4 faalt.

4.28. De (tweede) grief 5 faalt omdat de rechtbank [appellanten] terecht als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten heeft veroordeeld.

4.29. Nu alle grieven falen, dienen de beroepen vonnissen te worden bekrachtigd en dienen [appellanten] te worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen d.d. 16 april 2003 en 8 juni 2005, waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen worden begroot op E. 5.731,- wegens verschotten en

E. 11.685,- wegens salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Klerk-Leenen en Van Veen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 13 juni 2006.