Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0421

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
KGC0501266-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

[appellante] betwist allereerst dat het Bisdom een burgerlijke rechtspersoon is. Dit verweer wordt verworpen. Artikel 2:2 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland is een kerkgenootschap in de zin van deze bepaling. Het 'Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap', gepubliceerd op 31 oktober 1996 [..], heeft te gelden als het daarin bedoelde statuut. In dit Reglement wordt in artikel 2 het bisdom van Breda vermeld als één van de zeven bisdommen die samen het kerkgenootschap vormen. Het Bisdom heeft aldus, als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap, rechtspersoonlijkheid. Hetgeen [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren heeft gebracht, kan niet tot enige andere conclusie leiden.

[appellante] stelt voorts dat het Bisdom niet bevoegd is in rechte op te treden omdat die bevoegdheid ingevolge canon 393 van de Codex Iuris Canonici aan de Bisschop toekomt. Deze canon luidt als volgt: "In omnibus negotiis iuridicis diocesis, Episcopus dioecesanus eiusdem personam gerit." Ook dit verweer faalt. Het canoniek recht kent de diocesane Bisschop met betrekking tot het hem toevertrouwde bisdom alle bevoegdheden toe (canon 381); dit gegeven staat er niet aan in de weg dat een bisdom als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap naar Nederlands recht rechtspersoonlijkheid bezit. De aangehaalde canon betreft een bevoegdheidsregeling binnen de interne rechtsorde van het kerkgenootschap die (mede) door het canoniek recht wordt bepaald. Waar naar het gemene recht een rechtspersoon bevoegd is in rechte op te treden en het Bisdom als rechtspersoon aangemerkt dient te worden, is de bevoegdheidsregeling van canon 393 niet van invloed op de vraag of van het Bisdom bevoegd is als procespartij op te treden. Daarvoor is immers het Nederlands recht bepalend en daarvan uitgaande dient deze vraag bevestigend beantwoord te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. KG C0501266/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 20 juni 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [APPELLANTE].,

gevestigd te [plaats],

appellante,

verder: [appellante],

procureur: mr. J.E. Lenglet,

t e g e n :

HET BISDOM VAN BREDA,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

verder: het Bisdom,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 september 2005 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda tussen [appellante] als gedaagde en het Bisdom als eiser onder rolnummer 147070/ KG ZA 05-321 gewezen vonnis in kort geding van 18 augustus 2005.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van acht grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft het Bisdom onder overlegging van drie producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten door hun raadslieden doen bepleiten, wat [appellante] betreft aan de hand van een pleitnota. [appellante] heeft bij akte nog enkele producties in het geding gebracht. Met het oog op overleg tussen partijen over een minnelijke regeling van het geschil is de zaak na het pleidooi naar de rol verwezen voor royement dan wel fourneren.

Partijen hebben vervolgens alsnog de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Met deze grieven beoogt [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor te leggen.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten onder 3.1 van het vonnis waarvan beroep is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [appellante] heeft een uitvaartonderneming en verzorgt uitvaarten, waaronder afscheidsdiensten in de aula van haar uitvaartcentrum te Gilze. [appellante] verzorgt geen kerkelijke uitvaartdiensten.

b) Op 13 april 2005 heeft [appellante] in 'Weekblad Gilze en Rijen' een advertentie geplaatst, waarin een kostenvergelijking is opgenomen tussen enerzijds "[appellante] uitvaartverzorging, Afscheidsdienst in de aula, E. 175,00" en anderzijds "Bisdom, Uitvaartmis, E. 388,00" met de toevoeging "Verschil: E. 213,00". Voor een afdruk van de volledige advertentie wordt verwezen naar het vonnis waarvan beroep.

c) Door het Bisdom worden geen uitvaartdiensten aangeboden en/of verzorgd. Dat gebeurt door de afzonderlijke parochies. Ten aanzien van de hoogte van de daarvoor te hanteren tarieven hebben de parochies ten opzichte van het Bisdom een zekere vrijheid.

d) Het Bisdom heeft bij [appellante] bij brieven van 22 april 2005 en 13 mei 2005 bezwaar gemaakt tegen de advertentie en gesommeerd deze te rectificeren en te garanderen dat zij zich in de toekomst van het plaatsen van dergelijke advertenties zal onthouden. [appellante] heeft bij brieven van 4 en 13 mei 2005 laten weten hiertoe niet bereid te zijn.

e) In eerste aanleg was de behandeling van het kort geding bepaald op 20 juni 2005. Op verzoek van het Bisdom is de behandeling aangehouden; deze heeft op 8 augustus 2005 plaatsgevonden.

4.3 In deze procedure stelt het Bisdom zich op het standpunt dat de advertentie van [appellante] onjuiste informatie bevat waardoor deze ingevolge artikel 6:162 jo. 6:194a lid 2 sub a BW jegens het Bisdom onrechtmatig is. Op grond daarvan vordert het Bisdom een verbod voor [appellante] om in advertenties het Bisdom te noemen, althans zich met het Bisdom te vergelijken en om onjuiste prijzen terzake het Bisdom te openbaren, alsmede plaatsing van een rectificatie, een en ander op verbeurte van een dwangsom. [appellante] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vorderingen grotendeels toegewezen.

4.4 Ingevolge dit vonnis diende [appellante] binnen drie weken na betekening ervan in 'Weekblad Gilze en Rijen' een rectificatie te (doen) plaatsen met de volgende inhoud:

"RECTIFICATIE

Op 13 april 2005 heeft [appellante] in dit weekblad een advertentie geplaatst, waarin haar diensten werden vergeleken met die van het Bisdom Breda, waarbij bovendien prijzen werden vermeld.

Bij vonnis in kort geding d.d. 18 augustus 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank van Breda geoordeeld dat de tekst van deze advertentie onrechtmatig is en bovendien misleidende reclame oplevert.

De in dat vermelde prijs is bovendien onjuist. De prijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Voor informatie kunt u contact opnemen met uw Parochie."

[appellante] heeft deze tekst op 31 augustus 2005 in het weekblad laten opnemen.

4.5 [appellante] betwist allereerst dat het Bisdom een burgerlijke rechtspersoon is. Dit verweer wordt verworpen. Artikel 2:2 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland is een kerkgenootschap in de zin van deze bepaling. Het 'Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap', gepubliceerd op 31 oktober 1996 (prod. bij pleitnota Bisdom eerste aanleg), heeft te gelden als het daarin bedoelde statuut. In dit Reglement wordt in artikel 2 het bisdom van Breda vermeld als één van de zeven bisdommen die samen het kerkgenootschap vormen. Het Bisdom heeft aldus, als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap, rechtspersoonlijkheid. Hetgeen [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren heeft gebracht, kan niet tot enige andere conclusie leiden.

4.6 [appellante] stelt voorts dat het Bisdom niet bevoegd is in rechte op te treden omdat die bevoegdheid ingevolge canon 393 van de Codex Iuris Canonici aan de Bisschop toekomt. Deze canon luidt als volgt: "In omnibus negotiis iuridicis diocesis, Episcopus dioecesanus eiusdem personam gerit." Ook dit verweer faalt. Het canoniek recht kent de diocesane Bisschop met betrekking tot het hem toevertrouwde bisdom alle bevoegdheden toe (canon 381); dit gegeven staat er niet aan in de weg dat een bisdom als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap naar Nederlands recht rechtspersoonlijkheid bezit. De aangehaalde canon betreft een bevoegdheidsregeling binnen de interne rechtsorde van het kerkgenootschap die (mede) door het canoniek recht wordt bepaald. Waar naar het gemene recht een rechtspersoon bevoegd is in rechte op te treden en het Bisdom als rechtspersoon aangemerkt dient te worden, is de bevoegdheidsregeling van canon 393 niet van invloed op de vraag of van het Bisdom bevoegd is als procespartij op te treden. Daarvoor is immers het Nederlands recht bepalend en daarvan uitgaande dient deze vraag bevestigend beantwoord te worden.

4.7 [appellante] heeft in dit verband ten slotte nog naar voren gebracht dat nergens uit blijkt dat de bisschop van Breda (schriftelijk) toestemming heeft verleend tot het voeren van de onderhavige procedure. Ook dit verweer faalt. Om als procespartij te kunnen optreden is het voor een bisdom geen vereiste aan te tonen dat de bisschop, al dan niet schriftelijk, voor dat optreden toestemming heeft verleend. Geen wettelijke regel verplicht daartoe, zodat op het eventueel ontbreken van een dergelijke toestemming aan de wederpartij geen beroep toekomt. Of in dit geval die toestemming al dan niet is verleend, is in deze procedure dan ook niet relevant.

4.8 Volgens [appellante] ontbreekt bij het Bisdom het voor een kort geding als dit vereiste spoedeisend belang. Zij wijst erop dat in eerste aanleg door het Bisdom de behandeling van de zaak eenzijdig en zonder opgave van redenen werd uitgesteld en leidt daaruit af dat deze voor het Bisdom kennelijk niet zoveel spoed had. Dit verweer faalt. Wanneer men wil optreden tegen een gepubliceerde tekst die men onrechtmatig en/of misleidend acht, dient dat op kort termijn te geschieden. Het door het Bisdom zelf bewerkstelligde uitstel in eerste aanleg maakt in dit verband geen erg sterke indruk, zeker niet nu daarvoor kennelijk geen zodanige reden bestond dat deze met goed fatsoen aan de wederpartij kenbaar gemaakt kon worden, maar het is ook weer niet van dien aard dat daardoor gezegd kan worden dat het spoedeisend belang is komen te ontbreken.

4.9 [appellante] betoogt verder dat voor het Bisdom het belang bij de ingestelde vorderingen ontbreekt, in die zin dat de normen die de aangehaalde bepalingen inhouden niet strekken ter bescherming van het Bisdom tegen schade als gevolg van schending van die normen. [appellante] verliest hierbij uit het oog dat zij zich in haar advertentie over het Bisdom uitlaat. Wanneer dat gebeurt op een wijze die misleidend of anderszins jegens de aangesprokene onrechtmatig is, kan deze daar tegen opkomen.

4.10 [appellante] heeft hierbij naar voren gebracht dat waar in de advertentie het woord 'Bisdom' voorkomt, dit duidt op het gebied waarover het bisdom van Breda zich uitstrekt. Dit argument gaat niet op aangezien in de advertentie de begrippen 'bisdom' en 'uitvaartmis' en een bedrag met elkaar worden verbonden. Deze combinatie wekt (in ieder geval: ook) de suggestie dat het gaat om het bedrag dat het Bisdom rekent voor het laten opdragen van een uitvaartmis. Dat deze combinatie ook kan worden gelezen als het bedrag dat daarvoor in het desbetreffende gebied wordt gerekend, doet hier niet aan af, nog afgezien van het gegeven dat de parochies waar uitvaartmissen worden opgedragen binnen dit gebied vallen onder de verantwoordelijkheid van het Bisdom.

4.11 Volgens [appellante] mag voor het opdragen van (uitvaart)missen geen geld worden gevraagd, omdat dit in haar visie volgens het canoniek recht niet is toegestaan. Of dit standpunt al dan niet juist is, kan in het midden blijven aangezien deze kwestie niet relevant is voor de beoordeling van de vordering die in dit kort geding aan de orde is.

4.12 Ook de andere kwesties van meer algemene strekking die [appellante] in eerste aanleg en in hoger beroep aanroert zoals de kerkrechtelijke positie van de bisschop, de implicaties van de theologie van de Rooms-Katholieke Kerk, de aard van de door deze te verlenen diensten en de exclusiviteitsclaim die [appellante] deze toeschrijft, kunnen buiten beschouwing blijven omdat deze voor de beoordeling van de vordering niet relevant zijn.

4.13 De suggestie die van de advertentie uitgaat, is dat men bij [appellante] E. 213,= goedkoper uit is dan bij het Bisdom omdat [appellante] slechts E. 175,= rekent voor een afscheidsdienst terwijl het Bisdom E. 388,= in rekening brengt. Deze suggestie is naar het voorlopig oordeel van het hof om de volgende redenen misleidend en jegens het Bisdom onrechtmatig te achten.

4.14 Tussen partijen is niet in discussie dat het Bisdom als zodanig geen uitvaartmissen opdraagt, maar dat dit binnen de parochies gebeurt. Door [appellante] worden de genoemde afscheidsdiensten wel zelf verzorgd, zodat een nevenschikking van [appellante]/afscheidsdienst in de aula en Bisdom/uitvaartmis reeds hierom niet op zijn plaats is. Door [appellante] is verder niet bestreden dat tussen een afscheidsdienst in de aula van haar uitvaartcentrum en een uitvaartmis in een parochie (ten aanzien van het religieuze karakter) verschillen bestaan. Dat deze verschillen mogelijk door de één als wezenlijk worden ervaren en door de ander slechts voor gradueel worden gehouden, is niet van belang voor de kwestie die in deze procedure aan de orde is. Daarvoor volstaat dat het hier gaat om diensten die niet of in ieder geval niet geheel vergelijkbaar zijn, terwijl zij in de advertentie zonder meer op één lijn worden gesteld. Door het Bisdom is voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrag van E. 388,= dat in de advertentie wordt genoemd niet het bedrag is dat altijd en onder alle omstandigheden door een parochie voor een uitvaartmis in rekening wordt gebracht. Allereerst bestaan er verschillen in de bedragen die door de parochies in de praktijk in rekening worden gebracht aangezien er voor de parochies enige vrijheid van handelen bestaat met betrekking tot de toepassing van tarieven. Van meer belang is dat het bedrag dat door een parochie in rekening wordt gebracht, afhankelijk is van de bijdragen die door de betrokkene is de jaren voorafgaande aan het overlijden aan de parochie zijn betaald. Dit laatste brengt mee dat het vermelden van één standaardbedrag hoe dan ook te ongenuanceerd is, ook indien dat bedrag zou hebben te gelden als een vanwege het Bisdom vastgestelde richtlijn.

4.15 Door partijen is ook gesproken over de formulering van enkele andere zinnen in de advertentie, maar daarvoor geldt dat deze niet rechtstreeks op het Bisdom betrekking hebben. Voor zover deze zinnen als weinig smaakvol voor een uitvaartonderneming ervaren worden, zullen deze veeleer voor [appellante] een averechts effect hebben dan dat [appellante] door het gebruik ervan jegens het Bisdom onrechtmatig handelt. Nader ingaan hierop is in het bestek van dit kort geding niet nodig.

4.16 Nu naar het voorlopig oordeel van het hof de advertentie van [appellante] als misleidend en jegens het Bisdom onrechtmatig dient te worden bestempeld, dient aan de orde te komen in hoeverre de hierop gebaseerde vorderingen van het Bisdom voor toewijzing in aanmerking komen. Hierbij dient het hof mede in aanmerking te nemen hetgeen zich na het vonnis waarvan beroep heeft voorgedaan.

4.17 Het hof stelt vast dat het in deze zaak gaat om één incidentele advertentie en dat [appellante] de van haar verlangde advertentie inmiddels ruimschoots binnen de daarvoor gestelde termijn heeft doen plaatsen. Bij het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat [appellante] bereid is haar advertenties in de toekomst zodanig in te kleden dat daardoor onjuiste suggesties ten aanzien van het Bisdom worden vermeden. Een en ander leidt ertoe dat het hof een rectificatie zoals door de voorzieningenrechter geboden en inmiddels op 31 augustus 2005 geplaatst op zijn plaats acht, maar dat een dwangsom daarbij onnodig is, terwijl een algemeen geformuleerd verbod als in het eerste onderdeel van de vordering van het Bisdom opgenomen onder de gegeven omstandigheden als te verstrekkend afgewezen dient te worden.

4.18 Nu beide partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties tussen hen compenseren.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van het gebod tot het plaatsen van een rectificatie;

bekrachtigt dit vonnis wat betreft deze rectificatie;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 20 juni 2006.