Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0302

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
05/00026
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Het Hof ziet niet in hoe genoemde onrechtmatigheid van de dwang door de keuringsarts van het ABP, was zij bij het Hof eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Deze onrechtmatigheid doet niet af aan het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat, objectief beschouwd, bij de aanvang van de casestudie, noch ook in later jaren, in redelijkheid in de toekomst positieve inkomsten waren/zijn te verwachten en dat die casestudie in verband daarmee een bron van inkomen vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1093
FutD 2006-1253

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00026

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het verzoek van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) om herziening in de zin van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de na de melden uitspraken van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De twaalfde enkelvoudige Belastingkamer heeft op 26 september 2003, bij mondelinge uitspraken, de beroepen van belanghebbende, tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op de bezwaarschriften betreffende de aan hem opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1998 en 1999, ongegrond verklaard. De vijfde enkelvoudige Belastingkamer heeft op 12 februari 1999, bij mondelinge uitspraak, het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft om herziening in de zin van artikel 8:88 van de Awb verzocht van de in 1.1 genoemde uitspraken. Ter zake van dit verzoek heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. De Inspecteur heeft het Hof bericht niet te zullen dupliceren.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 januari 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.8. Het Hof heeft in deze zaak op 2 februari 2006 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 7 februari 2006 aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 22 februari 2006 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft, naar hij stelt, ter behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, een casestudie gedaan over het verzet tijdens de tweede wereldoorlog in B, in het bijzonder C. Ter zake van deze casestudie heeft hij vele tienduizenden guldens aan kosten gemaakt, welke de inkomsten verre hebben overtroffen.

2.2. Belanghebbende heeft de negatieve inkomsten uit de casestudie onder andere in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1996, 1998 en 1999 in mindering gebracht op zijn belastbaar inkomen.

2.3. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1996, 1998 en 1999 geen rekening gehouden met de door belanghebbende geclaimde negatieve inkomsten uit de casestudie. De tegen deze aanslagen ingediende bezwaarschriften zijn, bij uitspraken van de Inspecteur, ongegrond verklaard.

2.4. Het Hof heeft de tegen genoemde uitspraken van de Inspecteur ingediende beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende vraagt om herziening van de uitspraken van het Hof. Hij stelt dat hij, na de uitspraken van het Hof, heeft ontdekt dat de keuringsarts van het ABP die hem, zoals hij stelt, de verplichting had opgelegd te gaan publiceren en zijn vak bij te houden, hiertoe niet bevoegd was. Deze ontdekking wordt door belanghebbende aangevoerd als grond voor herziening van de uitspraken van het Hof.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vraag:

Is het feit dat de keuringsarts van het ABP, zoals belanghebbende stelt, hem onrechtmatig heeft verplicht om, ter behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, te gaan publiceren en zijn vak bij te houden, reden tot herziening van de in 1.1 genoemde uitspraken van het Hof?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting nog hebben toegevoegd, verwijst het Hof naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzoek om herziening, herziening van de bestreden uitspraken van het Hof en vernietiging van de aanslagen.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het verzoek om herziening.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 8:88 van de Awb kan het Hof op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c) waren zij bij het Hof eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2. Het Hof ziet niet in hoe genoemde onrechtmatigheid van de dwang door de keuringsarts van het ABP, was zij bij het Hof eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Deze onrechtmatigheid doet niet af aan het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat, objectief beschouwd, bij de aanvang van de casestudie, noch ook in later jaren, in redelijkheid in de toekomst positieve inkomsten waren/zijn te verwachten en dat die casestudie in verband daarmee een bron van inkomen vormt.

4.3. Gelet op het voorstaande dient het verzoek van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het verzoek om herziening ongegrond.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van I. van Wijk, griffier, op: 7 april 2006

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 7 april 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.