Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX9345

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
04/00396
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De termijn voor het instellen van het administratief beroep bij de Ontvanger verliep op 14 oktober 2003. Het beroepschrift is bij de Ontvanger binnengekomen op 7 november 2003, derhalve te laat. Belanghebbende stelt, dat op de akte van betekening van het dwangbevel geen rechtsmiddelverwijzing staat vermeld. De Ontvanger heeft die stelling betwist door te stellen, dat op de achterzijde van het dwangbevel een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. De Ontvanger heeft die stelling echter niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld aan het Hof een kopie van die achterzijde te doen toekomen. Uit de stukken van het geding blijkt niet, dat de belanghebbende is gewezen op de mogelijkheid tegen de beschikking rechtsmiddelen aan te wenden, binnen welke termijn en bij welk orgaan. Het Hof hecht geloof aan belanghebbendes - door de Ontvanger onvoldoende weersproken - stelling, zodat het er voor moet worden gehouden, dat belanghebbende niet van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel op de hoogte is gesteld. Er is derhalve niet voldaan aan het voorschrift van artikel 3:45 van de Awb.

Belanghebbende heeft binnen zes weken na ontvangst van de akte van betekening en het dwangbevel administratief beroep ingesteld bij de Ontvanger. Volgens de wetsgeschiedenis van de Awb dient belanghebbende, nadat hij van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel op de hoogte is gekomen, zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kan worden, bezwaar te maken (vergelijk MvT Awb, Kamerstukken II, 21 221, nr. 3, blz. 131 en 132). In dit geval ontbrak de rechtsmiddelverwijzing en niet gebleken is, dat belanghebbende op een andere wijze en eventueel op een later tijdstip door de Ontvanger in kennis is gesteld van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel. Het Hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat belanghebbende in verzuim is geweest. Het administratief beroep dient alsnog ontvankelijk te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 986
FutD 2006-1214
V-N 2006/53.4

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/00396

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (Kroatië), (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Ontvanger) op het administratief beroep betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een dwangbevel betekend betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 (hierna ook: de aanslag). Ter zake van de akte van betekening van het dwangbevel is bij beschikking van 2 september 2003 een bedrag van € 373,= aan kosten in rekening gebracht. Het tegen die beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Ontvanger niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31,=.

De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Ontvanger schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 augustus 2005 te 's-Hertogenbosch voor de zevende enkelvoudige Belastingkamer.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Ontvanger.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald, dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.7. De zevende enkelvoudige Belastingkamer heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:10 van de Awb de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de vierde meervoudige Belastingkamer van het Hof.

1.8. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald, dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Op 30 september 2003 ontving belanghebbende op zijn adres in Kroatië het dwangbevel, gedagtekend 12 augustus 2003, betreffende de aanslag, en de daarbij behorende beschikking vervolgingskosten (hierna: de beschikking), gedagtekend 2 september 2003.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking administratief beroep ingesteld bij de Ontvanger. Het beroepschrift is bij de Ontvanger binnengekomen op 7 november 2003. De Ontvanger heeft dit beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en ambtshalve geoordeeld, dat het administratief beroep ongegrond is.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het door belanghebbende ingestelde administratief beroep terecht door de Ontvanger niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is het administratief beroep terecht ongegrond verklaard?

Belanghebbende is van oordeel dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende (gemachtigde)

- Belanghebbende kreeg het dwangbevel op een aanslag, die hij niet kende. Hij had ook geen aanslag inkomstenbelasting 2000 verwacht, omdat hij een aangifte heeft gedaan van een negatief inkomen van € 3.910,= en er was al een voorlopige aanslag opgelegd van € 4.655,=. Daarom wist belanghebbende in eerste instantie niet wat hij met het dwangbevel moest doen. Hij heeft de aanmaning ook niet ontvangen. In de betekeningsakte stond geen rechtsmiddelverwijzing. Belanghebbende wist dus niet, dat hij direct moest reageren.

- Belanghebbendes eigen accountant was aan het minderen met werk, hij was overspannen. Daarom heeft belanghebbende mijn kantoor ingeschakeld. Wij hebben vervolgens zo spoedig mogelijk administratief beroep ingesteld.

- Uiteindelijk heeft belanghebbende de aanslag pas met het verweerschrift in deze zaak onder ogen gekregen. Tegen de aanslag is bezwaar gemaakt.

- Ik beroep me niet op artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: de Kostenwet), maar op artikel 1 van die wet.

- Het dwangbevel heeft belanghebbende eind september 2003 bereikt. Ik ga akkoord met de vaststelling als datum van ontvangst op 30 september 2003.

- Ik stel niet meer, dat de aanslag en het dwangbevel niet correct zouden zijn geadresseerd. De adressering is niet meer in geschil.

- Ik trek mijn grief over het niet horen in de fase van administratief beroep in.

De Ontvanger

- Het bezwaar tegen de aanslag zal waarschijnlijk niet ontvankelijk worden verklaard.

- Ik ga akkoord met 30 september 2003 als datum, waarop belanghebbende het dwangbevel heeft ontvangen. Maar na 30 september 2003 had belanghebbende nog altijd twee weken om beroep in te dienen. Hij had altijd een pro-formaberoepschrift kunnen indienen.

- De betekening van de beschikking aan iemand, die in het buitenland woont, is het moment van betekening bij de Officier van Justitie.

- De aanslag en de aanmaning zijn wel degelijk verzonden. Het duplicaat, dat verstrekt is, is niet bedoeld om de aanslag alsnog bekend te maken, maar om aan te tonen, dat sprake is van een juiste adressering.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de beschikking.

De Ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De termijn voor het instellen van het administratief beroep bij de Ontvanger verliep op 14 oktober 2003. Het beroepschrift is bij de Ontvanger binnengekomen op 7 november 2003, derhalve te laat. Belanghebbende stelt, dat op de akte van betekening van het dwangbevel geen rechtsmiddelverwijzing staat vermeld. De Ontvanger heeft die stelling betwist door te stellen, dat op de achterzijde van het dwangbevel een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. De Ontvanger heeft die stelling echter niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld aan het Hof een kopie van die achterzijde te doen toekomen. Uit de stukken van het geding blijkt niet, dat de belanghebbende is gewezen op de mogelijkheid tegen de beschikking rechtsmiddelen aan te wenden, binnen welke termijn en bij welk orgaan. Het Hof hecht geloof aan belanghebbendes - door de Ontvanger onvoldoende weersproken - stelling, zodat het er voor moet worden gehouden, dat belanghebbende niet van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel op de hoogte is gesteld. Er is derhalve niet voldaan aan het voorschrift van artikel 3:45 van de Awb.

4.2. Belanghebbende heeft binnen zes weken na ontvangst van de akte van betekening en het dwangbevel administratief beroep ingesteld bij de Ontvanger. Volgens de wetsgeschiedenis van de Awb dient belanghebbende, nadat hij van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel op de hoogte is gekomen, zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kan worden, bezwaar te maken (vergelijk MvT Awb, Kamerstukken II, 21 221, nr. 3, blz. 131 en 132). In dit geval ontbrak de rechtsmiddelverwijzing en niet gebleken is, dat belanghebbende op een andere wijze en eventueel op een later tijdstip door de Ontvanger in kennis is gesteld van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel. Het Hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat belanghebbende in verzuim is geweest. Het administratief beroep dient alsnog ontvankelijk te worden verklaard.

4.3. Belanghebbende stelt, dat hij de aanslag en de aanmaning niet heeft ontvangen, zodat niet gezegd kan worden, dat hij in gebreke is gebleven het verschuldigde bedrag tijdig te betalen. De Ontvanger heeft die stelling gemotiveerd weersproken onder verwijzing naar het duplicaat-aanslagbiljet met dagtekening 21 maart 2003, een print uit het Inkomstenbelasting Systeem, waarin staat vermeld, dat de aanslag op 6 maart 2003 is verzonden naar Apeldoorn, en een uitdraai uit het archiefsysteem DACAS, waarin staat vermeld, dat er op 16 juni 2003 een aanmaning is verzonden met dagtekening 21 juni 2003.

4.4. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Artikel 1 van de Kostenwet bepaalt, dat kosten van invordering in rekening worden gebracht aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen. Artikel 7, lid 2, van die wet bepaalt, dat het bezwaar- of beroepschrift niet kan zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet of de aanmaning niet is ontvangen. Belanghebbendes stelling, dat hij de aanslag en de aanmaning niet heeft ontvangen, stuit derhalve af op het bepaalde in artikel 7, lid 2, van de Kostenwet. Bij een tijdige verzending van het aanslagbiljet of de aanmaning wordt het wettelijk vermoeden gehanteerd, dat de belastingschuldige tijdig is geïnformeerd over zijn betalingsverplichting. Het Hof acht aannemelijk, dat de aanslag en de aanmaning door de Ontvanger op of omstreeks 21 maart 2003 respectievelijk op of omstreeks 16 juni 2003, derhalve tijdig, zijn verzonden. Niet in geschil is, dat het door de Ontvanger gehanteerde adres van belanghebbende juist was. De aanslag is derhalve overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb correct bekendgemaakt en op grond van artikel 3:40 van de Awb in werking getreden.

4.5. Belanghebbendes beroep op het arrest van de Hoge Raad 29 mei 1996, nr. 30.212, BNB 1996/249, kan niet slagen, omdat dat arrest een geval betrof, waarin aan de betrokkene dadelijk en ineens invorderbare aanslagen werden uitgereikt.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende en met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Ontvanger.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten gemaakt in de bezwaarfase, nu belanghebbende geen verzoek als bedoeld in artikel 7:15, leden 2 en 3, van de Awb heeft gedaan.

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Ontvanger te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Hij heeft echter geen bijzondere omstandigheden gesteld, op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 2, lid 1, van het Besluit. Het Hof zijn ook ambtshalve dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken.

Het Hof stelt de proceskosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 3 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.449,=.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in zijn administratief beroep,

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,=,

- veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.449,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon, die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 20 april 2006 door J. Swinkels, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en J.W. van der Voort, in tegenwoordigheid van C. Blokx-van Roosmalen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 20 april 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.