Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX9333

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
27-06-2006
Zaaknummer
03/02799
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat de aanslag en de boetebeschikking zijn ontvangen door de belanghebbende, en dat daar tijdig bezwaar tegen is ingediend. Evenmin, dat op 18 september 2002 uitspraak op het bezwaar is gedaan en is toegezonden aan de advocaat de heer AA. Wel is in geschil of die uitspraak terecht dan wel niet terecht is gezonden aan de heer AA, in welk laatste geval de termijn voor beroep ten gunste van belanghebbende eerst nadien is aangevangen, en voorts of in die laatstbedoelde situatie alsnog tijdig beroep is ingesteld. [..] In de brief van 28 augustus 2000, vermeld onder 2.6., wordt aan de fiscus geschreven dat beraad plaatsvindt met de advocaat die de heer W heeft benoemd, en in de onder 2.8 genoemde brief van 26 januari 2001 dat de advocaat AA de behandeling van de zaken van WW heeft overgenomen van Kantoor N. In het onder 2.10 genoemde controlerapport wordt vermeld dat het rapport is besproken onder meer met belanghebbende en dat de heer AA de motivering van de bezwaren tegen de aanslagen zal verzorgen. In de onder 2.15 genoemde brief van B & B - waarvan een kopie is gezonden aan de heer G en aan de heer mr. AA - wordt nogmaals vastgelegd dat de gehele zaak in handen is gesteld van de heer AA. Deze heeft zijn diensten eerst beëindigd, blijkens zijn onder 2.19 vermelde brief, op 21 november 2002, door opzegging aan de heer G zelf. Uit deze gegevens en feiten leidt het hof af, dat de belanghebbende, in de persoon en kwaliteit van haar directeur de heer G, aan de advocaat de heer mr. AA opdracht heeft gegeven de fiscale aangelegenheden te verzorgen als gemachtigde voor en van belanghebbende. [..] Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de uitspraken op de bezwaren die op 18 september 2002 zijn gedaan, met juistheid zijn toegezonden aan de advocaat de heer mr. AA als gemachtigde van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/58.1.1
V-N 2006/53.3 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr.03/02799

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2000 onder aanslagnummer 0000.00.000 A.01.0000 over het jaar 1998 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 377.191 aan belasting alsmede bij beschikking een boete van ƒ 188.595 en met ƒ 16.939 aan heffingsrente.

Namens belanghebbende is met dagtekening 3 juli 2000 bezwaar gemaakt tegen deze aanslag en boetebeschikking. Bij uitspraak op bezwaar van 18 september 2002 zijn de naheffingsaanslag en de boete bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het hof. Het beroepschrift is ingediend door A belastingadviseurs te B en is ingekomen bij het hof op 16 december 2003. Terzake van het beroep heeft de griffier een griffierecht van belanghebbende geheven van € 232.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen bij het hof op 9 juni 2004, nog gevolgd door een aanvulling, ingekomen bij het hof op 15 november 2004, alsmede een aanvulling met bijlage ingekomen bij het hof op 25 januari 2005.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden op 30 juni 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heren mr. C en mr. D, verbonden aan A belastingadviseurs te B, als gemachtigden van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur de heren drs. E en F.

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent de pleitnota van belanghebbende tot de stukken van het geding.

1.5. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een uitspraak van de negende enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2005, kenmerk 04/01265.

1.6. De Inspecteur heeft ter zitting het hof verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen ten einde partijen alsnog de gelegenheid te geven over een compromissoire oplossing van de zaak te praten. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof met partijen afgesproken dat zij, indien zij tot een compromis zouden komen, zij het hof hiervan op de hoogte zullen stellen.

1.7. Bij brief aan het hof van belanghebbende van 12 juli 2005 en bij brief van de Inspecteur aan het hof van dezelfde datum, met als bijlage een brief van belanghebbende aan de Inspecteur van 1 juli 2005, hebben partijen het hof medegedeeld dat zij niet tot een compromissoire oplossing van de zaak zijn gekomen. Zij hebben het hof daarbij verzocht zonder nadere mondelinge behandeling schriftelijk uitspraak te doen. Het hof rekent al deze brieven tot de stukken van het geding.

1.8. Het hof heeft daarop bij brief van 10 augustus 2005 het onderzoek ter zitting gesloten en partijen aangekondigd dat zij schriftelijk uitspraak zal doen.

2. Feiten.

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. De heer G en zijn beide zoons de heren H en J, hebben zich met hun kapitaalvennootschappen bezig gehouden met de teelt en de verkoop van tuinbouwproducten zoals asperges, aardbeien en prei.

De heer G is aandeelhouder van belanghebbende; daarnaast houdt hij ook alle aandelen van G Beheermaatschappij BV. Deze laatste vennootschap houdt alle aandelen van de BV Plantenkwekerij K. Ook bezit de heer G alle aandelen in K Polska Sp.Z.0.0. De beide zoons zijn voorts met elkaar een maatschap aangegaan welke handelt onder de naam L.

2.2. Naar aanleiding van door de Arbeidsinspectie Regio Zuid en de regiopolitie Brabant-Noord in de jaren 1997, 1998 en 1999 gehouden controles op aanwezigheid en tewerkstelling van Poolse of andere buitenlandse werknemers, heeft door de Arbeidsinspectie nader onderzoek plaatsgevonden op de terreinen welke in gebruik waren bij de ondernemingen van belanghebbende en/of de maatschap L, hetgeen is uitgemond in het tot de gedingstukken behorende proces-verbaal van de Arbeidsinspectie van 27 augustus 2001.

2.3. Met als datum 30 juni 2000 is aan belanghebbende de in geding zijnde aanslag met inbegrip van de boete opgelegd, toegelicht bij brief van 30 juni 2000 gezonden aan belanghebbende.

2.4. Bij brief van 3 juli 2000 van M Adviesbureau (hierna: Kantoor N) is, behandeld door de heer drs. O en getekend door de heer mr. P, pro forma bezwaar gemaakt, "namens onze client X BV ".

2.5. Bij brief van 28 augustus 2000 heeft de Belastingdienst Oost-Brabant onderdeel Ondernemingen R, hierna BD R, in de persoon van de heer S, aan belanghebbende de afboeking omschreven van de betaling van ƒ 348.609 uithoofde van beslag op de onroerende zaak T-weg 3A te Y.

2.6. Bij brief van 28 augustus 2000 van de heer mr. P van Kantoor N aan de BD R ter attentie van de heer S, schrijft deze onder meer:

"...Het derdenbeslag is dan ook gelegd op een vermogensbestanddeel dat niet tot het vermogen van X BV behoort. De heer W heeft deze kwestie in behandeling gegeven bij zijn advocaat.

Op 3 juli 2000 hebben wij pro-forma bezwaar aangetekend tegen de twee naheffingsaanslagen loonbelasting. De bedragen worden in het geheel bestreden, zowel de enkelvoudige heffing als de verhoging en rente. ...

Wij beschikken niet over relevante bescheiden en gegevens daar deze in beslag genomen zijn in het kader van het genoemde onderzoek....

Op dit moment voeren wij beraad met de advocaat die de heer W heeft benoemd om te bezien op welke wijze wij op korte termijn de beschikking kunnen krijgen over de relevante bescheiden en duidelijkheid geschapen kan worden ...".

2.7. Bij brief van 7 december 2000 heeft de BD R in de persoon van de heer F een toelichting gezonden aan de heer O van Kantoor N als toelichting met betrekking tot de naheffingsaanslagen en boeten over 1995 tot en met 1998 ten name van belanghebbende.

2.8. Bij brief van 26 januari 2001 schrijft de heer mr. E. AA, advocaat bij GG te FF, aan de BD R ter attentie van de heer S, onder meer:

"...De behandeling van de kwestie WW BV is door mij overgenomen van Bureau N. Ik heb Uw uitnodiging voor een bespreking op 6 februari aanstaande ontvangen... ".

2.9. In de brief d.d. 22 februari 2001 van de BD R aan de heer AA schrijft de heer S onder meer :

"...Verder sprak ik met U af, dat U de bezwaarschriften tegen de opgelegde aanslagen Loonheffing eerst zult motiveren nadat het strafrechtelijk rapport door U is ontvangen. Ik heb dit besproken met de heer F. Hij gaat daarmee accoord...."

2.10. De Belastingdienst heeft bij belanghebbende een controleonderzoek gehouden, begonnen op 7 juni 2000, het rapport is uitgebracht op 23 februari 2001. Het is in afschrift gezonden aan het Guo en aan de Arbeidsinspectie. Als contactpersoon van belanghebbende staat vermeld dat accountant is vanaf 1996 B & B te Y. Het controlerapport is getekend door de heer F. Punt 6 van dat rapport luidt:

"6. Slotopmerkingen.

De belastingplichtige en zijn adviseur gaan niet akkoord met de correctie loonbelasting Poolse medewerkers.

De adviseur M Adviesbureau heeft namens X BV twee pro forma bezwaarschriften ingediend, een tegen de aanslag over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 en een tegen de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998. De twee bezwaarschriften zijn op tijd binnengekomen.

Ik heb in de brief van 24 november 2000 al uitvoerig melding gemaakt op grond waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd. De advocaat AA heeft op 21 januari aan de ontvanger gevraagd om de motivering te mogen uitstellen totdat aan hem de redenen van de aanslag bekend zijn gemaakt. Ik heb van de ontvanger het bericht ontvangen dat de heer AA de motivatie wil opsturen nadat hij het strafrapport heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie. Ik ga hiermee akkoord. De bezwaarschriften zullen na binnenkomst van de motivering verder worden behandeld.... ".

2.11. Bij beschikking van 9 maart 2001, gezonden aan belanghebbende, geeft de Inspecteur kennis van een ambtshalve vermindering van de aanslag en van de boete en van de heffingsrente voor wat betreft de aanslag over de jaren 1995 tot en met 1997.

2.12. In een brief van 14 maart 2001 adviseert de heer AA aan de heer G, aangeschreven als Beste Harry, om een acte van verpanding ten gunste van de fiscus te ondertekenen, in welk geval "...de ontvanger bereid is uitstel van betaling te verlenen voor de openstaande aanslagen...."en "... is de fiscus bereid af te zien van persoonlijke aansprakelijkstelling... ".

2.13. Met als datum 23 maart 2001 wordt aan belanghebbende een tweede naheffingsaanslag opgelegd, waarbij f 111.507 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen en f 55.753 aan boete en f 15.286 aan heffingsrente wordt vastgesteld.

2.14. Op 5 april 2001 wendt de heer AA zich schriftelijk tot de BD R in de persoon van de heer S, en schrijft onder meer:

"...Ik heb begrepen van de heer CC van het fraudeteam dat het rapport van het fraudeteam een dezer dagen te verwachten is; zoals afgesproken stel ik U voor daarna met U en de aanslagregelend inspecteur in overleg te gaan... ".

2.15. In de brief van 30 januari 2002 van B & B, getekend door de heer DD R.A., aan de BD R, ter attentie van de heer F, schrijft deze - met copie aan de heer W en aan de heer AA - onder meer:

"...In 2000 is door adviesburo N te EE een PROFORMA bezwaar ingediend tegen genoemde aanslagen.

Het geheel is zeer bemoeilijkt door inbeslagname van de basisgegevens; inmiddels is de gehele zaak in handen van advocaat mr. AA te FF.

...is het op dit moment ONMOGENLIJK om voldoende inhoudelijk het bezwaar te onderbouwen....verzoek ik U vriendelijk uitstel te verlenen tot 1 mei a.s...".

2.16. Op 13 mei 2002 vindt een bespreking plaats tussen de heren AA en F en S.

2.17. Met als datum 18 september 2002 worden door de BD R in de persoon van de heer mr. HH, uitspraken gedaan op de bezwaren.

Een en ander is geadresseerd aan Advocaten GG te FF, en luidt onder meer:

"...Tot op heden is echter geen inhoudelijke reactie ontvangen tegen de naheffingsaanslag...

Ik stel mij nog steeds op het standpunt dat de Poolse werknemers in loondienst zijn bij X BV. Dit naar aanleiding de geconstateerde feiten tijdens het boekenonderzoek, diverse verklaringen, ondertekende brieven, correspondentie met afnemers en notities van de bank.

Ik zie geen reden om tegemoet te komen aan het pro forma bezwaarschrift en ik wijs daarom het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de verhoging af. Het uitstel van betaling zal tevens worden ingetrokken...".

2.18. Bij brief van 18 november 2002 van de BD R aan belanghebbende wordt kennis gegeven van het vervallen van het uitstel van betaling "...omdat de in de uitstelbeschikking genoemde termijn inmiddels is verstreken of op het bezwaar- of beroepschrift inmiddels is beslist... ". Op deze brief is handgeschreven: "AUB met spoed even reageren wat nu te doen. Dhr. JJ "

2.19. Bij brief van 21 november 2002 schrijft de heer AA aan de heer G:

"Beste Harry

Dezer dagen heb ik jouw zaken nog eens doorgelopen. Mijn zorg is dat er van mijn zijde erg veel tijd aan besteed is zonder dat daar enige betaling tegenover staat....Dit betekent dat ik in

die zaken niet langer voor je kan optreden. De dossiers kan je laten afhalen op mijn kantoor; ik kan geen tijd meer aan jouw zaken besteden... ".

2.20. In een brief van 10 januari 2003 aan de heren F en S van de BD R schrijft de heer G:

"...dat ik vandaag de stukken van mr. KK heb teruggehaald; gedeeltelijk bleek zojuist, KK berichte, dat hij nog een archiefdoos gevonden heeft, die we ook nog ophalen moeten ...".

2.21. Op 8 juli 2003 vindt bij de BD R een (hoor)gesprek plaats, naar aanleiding van een door de G ingediende klacht. Van dat gesprek is geen officieel verslag gemaakt. Wel is bij de aanvulling van het verweerschrift een ambtsedige verklaring overgelegd gedateerd 1 juli 2004 en getekend door mevrouw LL, waarin zij verklaart:

"...Op 8 juli 2003 heeft zijn belastingadviseur MM en C te B, namens hem, gebruik gemaakt van het recht om gehoord te worden. Bij dit hoorgesprek waren aanwezig de heren C en D van eerder genoemd kantoor....

Door mij is aan de heren C en D op 8 juli 2003 o.a. een kopie verstrekt van een brief van 18 september 2002. Deze brief, kenmerk 1111.11.111L11, gericht aan de Advocaten GG te FF, ziet op de afwijzing van het pro forma bezwaarschrift dat door M Adviesbureau te EE is ingediend namens haar client G. Het bezwaarschrift richt zich tegen de voorlopig opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting 1995 tot en met 1997 0000.00.000.A.01.1111...".

2.22. Bij brief van 17 november 2003 informeert de heer S de heer D naar aanleiding van diens brief van 15 oktober 2003 over nog openstaande bedragen. In de brief is verder onder meer opgenomen:

"...In mijn telefoongesprek van maandag jl. hebt U te kennen gegeven dat U alsnog een beroepschrift bij het hof zult indienen...."

2.23. Bij brief van 21 november 2003 aan de BD R vraagt de heer D om afschriften van een aantal stukken; de heer F beantwoordt die brief bij schrijven van 28 november 2003.

2.24. Bij brief van 15 december 2003, ingekomen bij het hof op 16 december 2003, stelt de heer mr. C, A, beroep in tegen de uitspraak op het bezwaar van 18 september 2002.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. is het beroep tijdig ingediend en mitsdien ontvankelijk; en zo ja,

2. is de aanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen opgelegd aan de belanghebbende.

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

K Polska heeft, op advies van Kantoor N, niet ingehouden en niet afgedragen, en is inmiddels uit het beeld bij de heer W verhaalsmogelijkheden zijn er nu niet. De strafzaak heeft geleid tot een vonnis van twaalf maanden voorwaardelijk. Er is geen verschil over de cijfers als zodanig. We zijn graag bereid om over een compromis te praten, en we begrijpen dat daarbij de claim tegen de fiscus van tafel moet.

De Inspecteur:

Het restant aan schulden is te begroten op ongeveer € 520.000. De afspraak van de heer F met de advocaat ging wel degelijk over de aanslagen en niet over de invordering. Belanghebbende heeft een aansprakelijkstelling neergelegd van € 1 miljoen en een gesprek over een compromis heeft geen zin zolang die claim dreigt. Die claim moet eerst van tafel.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, en vernietiging van de bestreden uitspraak.

De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en subsidiair, bij ontvankelijkheid van het beroep, tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil.

4.1. Niet in geschil is dat de aanslag en de boetebeschikking zijn ontvangen door de belanghebbende, en dat daar tijdig bezwaar tegen is ingediend. Evenmin, dat op 18 september 2002 uitspraak op het bezwaar is gedaan en is toegezonden aan de advocaat de heer AA. Wel is in geschil of die uitspraak terecht dan wel niet terecht is gezonden aan de heer AA, in welk laatste geval de termijn voor beroep ten gunste van belanghebbende eerst nadien is aangevangen, en voorts of in die laatstbedoelde situatie alsnog tijdig beroep is ingesteld.

4.2. Belanghebbende is van mening dat het beroep gedragen wordt door de omstandigheid dat de aanslag en de boete ten onrechte ten name van belanghebbende luiden omdat de heffing zou moeten plaatsvinden ten name van K Polska Sp. Z.0.0. aan wie ook door de NN BV namens de PP de premieheffing sociale verzekering is opgelegd.

4.3. In het beroepschrift is dienaangaande vermeld:

"...De Belastingdienst heeft nimmer rechtsgeldig een uitspraak gedaan op dit bezwaar. Althans, N en belanghebbende hebben nimmer een uitspraak op het bezwaar ontvangen. Bij wijze van toeval kwam ondergetekende er achter dat de heer mr. HH van de Belastingdienst op 18 september 2002 een brief ( zie bijlage 6 ) aan de heer mr. AA verbonden aan GG Advocaten had gestuurd waarin de Belastingdienst schrijft het pro forma bezwaarschrift af te wijzen ...

De heer mr. AA was en is echter nimmer gemachtigde van belanghebbende geweest.

De heer W heeft de heer mr. AA nimmer opdracht gegeven om zijn belangen te behartigen ter zake van de ( inhoudelijke ) bestrijding van de naheffingsaanslagen loonbelasting....

Toezending van stukken heeft in onderhavig geval plaatsgevonden aan iemand die niet de belanghebbende en evenmin gemachtigde zelf was...."

4.4. De Inspecteur heeft die visie bestreden in het beroepschrift.

Hij noemt daarbij de brief van 30 januari 2002 van B & B waarin wordt gerefereerd aan het de zaak in handen stellen van de advocaat AA, en diens brief van 26 januari 2001 dat hij de kwestie WW heeft overgenomen van Kantoor N, en het fiscale overleg tussen de heren F, AA en S, en schrijft:

"...Mijn conclusie kan niet anders luiden dan dat de advocaat gemachtigde was en handelde als gemachtigde met betrekking tot de afhandeling van de bezwaarschriften... ".

Voorts verwoordt de Inspecteur, dat uit het gesprek van 8 juli 2002 en de daarbij overhandigde afschriften van bescheiden - waaronder een kopie van de uitspraak op het bezwaar van 18 september 2002, inzake de heffing over de jaren 1995 tot en met 1997 - aan de gemachtigde van belanghebbende is gebleken dat afwijzend was beschikt op de bezwaarschriften; maar dat daarvan uitgaande een beroep bij het hof op eerst 21 november 2003 - dit moet zijn: 16 december 2003 - ook dan te laat blijft.

4.5. In de brief van 28 augustus 2000, vermeld onder 2.6., wordt aan de fiscus geschreven dat beraad plaatsvindt met de advocaat die de heer W heeft benoemd, en in de onder 2.8 genoemde brief van 26 januari 2001 dat de advocaat AA de behandeling van de zaken van WW heeft overgenomen van Kantoor N. In het onder 2.10 genoemde controlerapport wordt vermeld dat het rapport is besproken onder meer met belanghebbende en dat de heer AA de motivering van de bezwaren tegen de aanslagen zal verzorgen. In de onder 2.15 genoemde brief van B & B - waarvan een kopie is gezonden aan de heer G en aan de heer mr. AA - wordt nogmaals vastgelegd dat de gehele zaak in handen is gesteld van de heer AA. Deze heeft zijn diensten eerst beëindigd, blijkens zijn onder 2.19 vermelde brief, op 21 november 2002, door opzegging aan de heer G zelf.

Uit deze gegevens en feiten leidt het hof af, dat de belanghebbende, in de persoon en kwaliteit van haar directeur de heer G, aan de advocaat de heer mr. AA opdracht heeft gegeven de fiscale aangelegenheden te verzorgen als gemachtigde voor en van belanghebbende.

De BD R heeft met de heer AA in zijn hoedanigheid van gemachtigde van belanghebbende besprekingen gevoerd, en gecorrespondeerd zoals blijkt uit de onder 2.9. en 2.14 vermelde stukken. Blijkens artikel 2:1 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht is de BD R bevoegd doch niet verplicht om van een gemachtigde een schriftelijke machtiging te verlangen. Op 18 september 2002 zijn de uitspraken op het bezwaar gedaan en ze zijn toegezonden aan de heer AA. Niet of niet mede aan Kantoor N en B & B, kennelijk en begrijpelijk omdat die blijkens de stukken vermeld onder 2.8 en 2.15 de aangelegenheden hadden overgedragen en overlieten aan de heer AA; niet of mede niet aan de belanghebbende, kennelijk vanwege en in overeenstemming met het omschrevene in 3.2. van de Voorschriften AWB 1997 waar aan de Inspecteur is voorgeschreven dat in geval van een gemachtigde het contact met de belanghebbende - afgezien van een persoonlijke oproeping - in beginsel via de gemachtigde loopt.

4.6. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de uitspraken op de bezwaren die op 18 september 2002 zijn gedaan, met juistheid zijn toegezonden aan de advocaat de heer mr. AA als gemachtigde van belanghebbende.

4.7. Het hof verwerpt op deze gronden de andersluidende visie van de belanghebbende.

4.8. Blijkens de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van het beroep zes weken, aanvangende de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt.

Uitgaande van de genoemde datum van 18 september 2002, eindigt de bedoelde termijn dan op 30 oktober 2002, en met inachtneming van artikel 6:9 AWB op 6 november 2002 mits het beroepschrift uiterlijk op 30 oktober 2002 ter post is bezorgd.

4.9. Niet in geschil is, dat het beroepschrift niet binnen deze termijn is ingekomen bij het hof, noch ook is gesteld of is gebleken dat hier sprake zou zijn van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Het hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar beroep.

4.10. Aan de BD R zou eerst door het faxbericht van de heer W van 10 januari 2003 kenbaar geworden zijn dat de heer AA niet meer als gemachtigde van belanghebbende fungeerde; dit ligt in tijd lang da de datum waarop uitspraak op het bezwaar is gedaan en uitgebracht.

4.11. Voorts merkt het hof nog op, dat de heer G als directeur van belanghebbende kennis droeg van het intrekken van het betalingsuitstel als omschreven in het onder 2.18 vermelde schrijven van 8 november 2002, en van de brief van de heer AA van 21 november 2002, vermeld onder 2.19, dat hij zijn diensten beëindigde. Verder dat de heren C en D door de bespreking op 8 juli 2003 en de daarbij ontvangen bescheiden waaronder het afschrift van de uitspraak op het bezwaar van 18 september 2002 inzake de heffing over de jaren 1995 tot en met 1997, kennis kregen van de stand van zaken. Veronderstellenderwijs uitgaande van deze zijdens belanghebbende nader genoemde data, als aanvang van de termijn voor het tijdig instellen van beroep, leidt dat niet tot ontvankelijkheid, omdat het beroepschrift dat bij het hof is ingekomen op 16 december 2003, ook alsdan eerst door het hof is ontvangen ver na de wettelijke termijn voor het tijdig indienen van een beroepschrift, terwijl ook overigens niet is gesteld of is gebleken dat er daarbij sprake zou zijn van verschoonbaarheid van de termijn.

4.12. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde eerste vraag aan de zijde van de Inspecteur.

Aan behandeling van de tweede vraag behoeft in verband hiermee niet te worden toegekomen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan op 29 maart 2006 door G.J. van Muijen, voorzitter, T. Blokland en J.P.F. Rijken, leden in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 29 maart 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.