Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX4434

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2006
Datum publicatie
24-05-2006
Zaaknummer
20-004209-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB7114, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB7114
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenste intimiteiten gepleegd binnen de politiedienst door een hoofdagent jegens vrouwelijke collega's; Feitelijke aanranding van de eerbaarheid meermalen gepleegd; Dwang als bedoeld in artikel 246 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004209-04

Uitspraak : 24 mei 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 9 juni 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-001787-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als niet te zijn gericht tegen de vrijspraken door de eerste rechter van de feiten ten laste gelegd onder 1., 3. en 5., voor zover dit laatste het als vierde genoemde feit betreft, gericht tegen [benadeelde 3].

Gelet daarop is het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2., 4. en 5. (overigens) is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte ten aanzien van de onder 2., 4. en 5. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot

- een gevangenisstraf voor de tijd van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 750,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot hetzelfde bedrag, subsidiair 15 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 750,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot hetzelfde bedrag,-- subsidiair 15 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

2.

hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 30 november 2000 te Oosterhout, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten en/of vastpakken van de borst(en) en/of het kruis van die [benadeelde 1] en/of het duwen/drukken van zijn geslachtsdeel tegen de bil(len) van die [benadeelde 1] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (via het balkon en/of in de nacht) binnendringen/binnengaan van de woning van die [benadeelde 1] en/of onverhoeds en/of van achteren vastpakken van die [benadeelde 1];

4.

hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 januari 2003 tot en met 25 januari 2003 te Breda, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het maken van zogenoemde "rijdende" bewegingen tegen de bil(len) van die [benadeelde 2] en/of het drukken/duwen van zijn geslachtsdeel tegen de bil(len) van die [benadeelde 2] en/of het knijpen in het achterwerk van die [benadeelde 2] en/of met zijn lichaam (tegen) de borsten van die [benadeelde 2] gaan staan/raken en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (onverhoeds) vastpakken en/of (vervolgens) draaien van het lichaam van die [benadeelde 2] en/of onverhoeds benaderen van die [benadeelde 2];

5.

hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 maart 2003 te Breda, althans in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en):

(van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2003) [benadeelde 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het in de bil(len) knijpen van die [benadeelde 4] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds naderen en/of knijpen

en/of

(van 3 januari 2003 tot en met 31 maart 2003) [benadeelde 5] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het duwen van zijn geslachtsdeel, althans het staan met zijn onderlichaam, tegen de arm van die [benadeelde 5] en/of het maken van zogenoemde "rijdende" bewegingen tegen het lichaam van die [benadeelde 5] en/of het betasten/aanraken van de borsten van die [benadeelde 5] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds naderen en/of vastpakken en/of betasten

en/of

(van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2000) [benadeelde 6] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het in de bil(len) van die [benadeelde 6] knijpen en/of het vastpakken van de knie van die [benadeelde 6] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds naderen en/of vastpakken en/of betasten

en/of

(van 1 februari 2003 tot en met 15 maart 2003) [benadeelde 7] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten/aanraken van de borst(en) van die [benadeelde 7] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds naderen en/of vastpakken en/of betasten.

In elk van deze feiten zijn de in artikel 246 van het wetboek van strafrecht genoemde "dwangmiddelen" nader omschreven met, onder andere, onverhoedse gedragingen.

Het hof verstaat dat met onverhoeds is tot uitdrukking gebracht: zodanig onverwachts, dat de in die feiten genoemde personen niet de gelegenheid hadden om zich tegen die gedragingen te verweren of zich daaraan te onttrekken.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging

A. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het Openbaar Ministerie in de strafvervolging niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat in de onderhavige zaak het opsporingsonderzoek eenzijdig, niet objectief en niet onafhankelijk heeft plaatsgevonden, waardoor aan verdachte een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is onthouden.

Daartoe is -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

1. Het onderzoek in deze zaak is verricht door opsporingsambtenaren, die binnen het politiekorps Midden en West Brabant hebben samengewerkt met aangevers, getuigen en de verdachte.

2. Het onderzoek door de Unit Veiligheid en Integriteit (UVI) was slechts gericht op het verzamelen van negatieve ervaringen van vrouwelijke collega's en ex-vriendinnen van verdachte en tijdens verhoren werden door getuigen gegeven positieve antwoorden afgekapt.

3. Voorafgaand aan het verhoor van getuigen is door de verhorende verbalisanten een vals beeld geschetst van de verdenkingen tegen verdachte, met als doel de getuigen te beïnvloeden.

4. Aan getuigen is voorgehouden dat - indien zij niet aan het verhoor zouden meewerken - dit zou kunnen worden gezien als plichtsverzuim.

5. Voorafgaand aan het verhoor van getuigen zijn door de districtsleiding twee bijeenkomsten georganiseerd, waar werd gesproken over de aangiften die tegen verdachte waren of zouden worden ingediend; daardoor is door de UVI een vals beeld geschetst van de verdenkingen tegen verdachte.

6. Door de UVI is geen onderzoek verricht naar de vraag hoe de cultuur zich binnen het betreffende korps had ontwikkeld en naar de vraag of het vermeende ontuchtige gedrag binnen de in het korps heersende moraal normaal was.

B. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

ad 1.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij het door de UVI uitgevoerd onderzoek één oud-collega van verdachte en van één of meer van de in de tenlastelegging genoemde vrouwen was betrokken, te weten [verbalisant/getuige].

De enkele omstandigheid dat een oud-collega van zowel de verdachte als aangeefsters deel uitmaakte van de eenheid die was belast met het opsporingsonderzoek, is een minder wenselijke omstandigheid, doch wettigt niet de door de verdediging betrokken stelling dat reeds om die reden geen sprake meer kon zijn van een objectief, onafhankelijk onderzoek. Ook overigens is gesteld noch uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken van bijzondere omstandigheden die tot deze conclusie zouden moeten leiden.

ad 2.

Het onderzoek door de UVI in deze zaak is aangevangen naar aanleiding van de verdenking dat de verdachte zich met regelmaat schuldig maakte aan het aanranden en/of belagen van vrouwelijke collega's.

Het is aan de aard van een dergelijk strafrechtelijk-disciplinair onderzoek eigen, dat het zich hoofdzakelijk richt op het verzamelen van ervaringen van vrouwelijke collega's binnen het betreffende politiekorps. Die omstandigheid op zich getuigt niet van een eenzijdig uitgevoerd onderzoek. De stelling van de verdediging dat getuigen door verhorende ambtenaren niet in de gelegenheid zouden zijn gesteld om ook omtrent hun positieve ervaringen met verdachte te verklaren, vindt rechtstreeks weerlegging in een aantal getuigenverklaringen, die zich in het dossier bevinden, waarin ook positieve aspecten van het functioneren van verdachte als politieagent en collega naar voren komen.

ad 3.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], afgelegd op 25 april 2006 bij de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof, blijkt dat voorafgaand dan wel aan het begin van bedoelde verhoren aan getuigen is medegedeeld -zakelijk weergegeven- dat zij werden verhoord naar aanleiding van de verdenking dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan stalking en/of betastingen en/of aanrandingen en/of ongewenste intimiteiten. Daaruit blijkt geenszins dat er toen door verhorende politieambtenaren een vals beeld omtrent die verdenking is geschetst; ook anderszins is van aanwijzingen daarvoor niet gebleken.

ad 4.

Dat aan agenten van politie in het kader van een onderzoek naar strafbare feiten, gepleegd door een collega, te kennen wordt gegeven dat zij mee moeten werken aan dat onderzoek en dat het niet meewerken daaraan zou kunnen worden gezien als plichtsverzuim, impliceert niet dat degenen die worden ondervraagd ook een voor die collega belastende verklaring zouden moeten afleggen. Ook overigens is niet aannemelijk geworden, dat op zodanige verklaringen zou zijn aangestuurd.

ad 5.

Uit de verklaringen van onder meer de getuigen [getuige 4], [getuige 2], [benadeelde 1], [benadeelde 2], [getuige 5], [verbalisant/getuige], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11], afgelegd bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Breda, valt af te leiden dat er door de districtsleiding en/of maatschappelijk werk van de politie twee bijeenkomsten zijn georganiseerd, waarbij door degenen die bij de zaak waren betrokken is gesproken over de verdenkingen die tegen verdachte waren gerezen. Bedoelde bijeenkomsten hadden kennelijk als doel om aan betrokkenen zorg en ondersteuning te bieden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is in het geheel niet aannemelijk geworden dat deze bijeenkomsten als doel hadden getuigen in negatieve zin te beïnvloeden en/of dat daarbij is getracht de verdachte in een kwaad daglicht te stellen.

ad 6.

Zoals door het hof reeds ter terechtzitting van 7 februari 2006 is overwogen is voor het bewijs van de gedragingen waarvan jegens verdachte verdenkingen waren gerezen - te weten: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht -, de omstandigheid dat daarover mogelijk in een bepaalde groep anders wordt gedacht, zonder betekenis. De wettelijke norm toch is duidelijk en behoorde aan de verdachte, die ten tijde van de tenlastegelegde feiten in dienst van de politie als opsporingsambtenaar werkzaam was, meer nog dan aan de gemiddelde rechtsgenoot bekend te zijn. Doordat dienaangaande geen onderzoek is verricht is verdachte dan ook niet in een rechtens te respecteren belang geschaad.

Uit het vorenoverwogene trekt het hof het gevolg, dat niet aannemelijk is geworden, dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

C. Namens de verdachte is voorts ten verweer betoogd dat het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de onder 5. ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het opsporingsonderzoek naar die feiten is gestart niet naar aanleiding van een daadwerkelijke aangifte door de in de tenlastelegging genoemde vrouwen, doch naar aanleiding van slechts haar verklaringen.

D. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat het onderzoek naar verdachtes betrokkenheid bij de onder 5. ten laste gelegde feiten is aangevangen nadat uit feiten en omstandigheden, voortvloeiend uit evenbedoelde verklaringen, jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit was voortgevloeid.

De stelling dat een opsporingsonderzoek als het onderhavige een wettige basis ontbeert indien dat niet wordt uitgevoerd op basis van een "officiële" aangifte - te verstaan als een stuk dat het hoofd Aangifte draagt, dan wel waarin tot uitdrukking komt, dat aangifte wordt gedaan - vindt geen steun in het recht.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2., 4. en 5. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 30 november 2000 te Oosterhout door een feitelijkheid [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het duwen van zijn geslachtsdeel tegen de billen van die [benadeelde 1] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds en van achteren vastpakken van die [benadeelde 1];

4.

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 23 januari 2003 tot en met 25 januari 2003 te Breda door een feitelijkheid [benadeelde 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het maken van zogenoemde "rijdende" bewegingen tegen de bil(len) van die [benadeelde 2], te weten het drukken van zijn geslachtsdeel tegen de billen van die [benadeelde 2] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds benaderen van die [benadeelde 2];

5.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 maart 2003 te Breda, door feitelijkheden:

(tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2003) [benadeelde 4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het in de billen knijpen van die [benadeelde 4] en bestaande die feitelijkheden uit het onverhoeds naderen en knijpen

en

(tussen 3 januari 2003 en 31 maart 2003) [benadeelde 5] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het staan met zijn onderlichaam tegen de arm van die [benadeelde 5] en het maken van zogenoemde "rijdende" bewegingen tegen die arm en het aanraken van de borsten van die [benadeelde 5] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds naderen

en

(tussen 1 januari 2000 en 31 augustus 2000) [benadeelde 6] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het in de billen van die [benadeelde 6] knijpen en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds betasten

en

(tussen 1 februari 2003 en 15 maart 2003) [benadeelde 7] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het aanraken van de borsten van die [benadeelde 7] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds betasten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

E. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

F. Bij zijn oordeel, dat de verdachte de onder 2 en 5 bewezenverklaarde feiten heeft begaan heeft het hof mede het volgende betrokken.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen betroffen die feiten steeds ongewenste intimiteiten, bestaande in onverhoedse ontuchtige handelingen, gepleegd jegens vrouwelijke collega's in de politiedienst. Daardoor vertoonden die feiten op essentiële punten belangrijke overeenkomsten met de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde.

G. Ook heeft het hof acht geslagen op het volgende.

De getuigenverklaringen van[getuige 12], [getuige 13], [getuige 14], [getuige 8], [getuige 15], [getuige 16] en [getuige 17], voor zover hierboven weergegeven en in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen beschouwd, laten een patroon zien van vrijheden, die de verdachte zich kennelijk tegenover vrouwelijke collega's meende te kunnen veroorloven.

Deze bestonden in gedragingen, in woord, gebaar en SMS- en/of eMailberichten, die goeddeels sexueel getint waren dan wel op sexualiteit toespelingen maakten en die door de betrokken vrouwelijke collega's overwegend als opdringerig en onprettig ervaren werden.

De bewezenverklaarde feiten passen volledig in dat patroon.

H. Met betrekking tot het eerste en het derde onder 5. bewezenverklaarde feit overweegt het hof dat de omstandigheid, dat de daar genoemde vrouwen al eerder door de verdachte op gelijkaardige wijze waren bejegend, aan het onverhoedse karakter van de bewezenverklaarde handelingen niet afdoet.

Die handelingen, een schending van haar lichamelijke integriteit opleverende, zijn immers zo strijdig met wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is, dat de betrokken vrouwen die niet behoefden te verwachten.

I. Op grond van de argumenten die ten grondslag zijn gelegd aan de weren nopens de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zoals hierboven weergegeven sub A en C, is namens de verdachte subsidiair ten verweer betoogd dat de resultaten van het onderzoek door de UVI, alsmede al het overige bewijsmateriaal dat op grond daarvan is verkregen, van het bewijs moeten worden uitgesloten.

J. Het hof verwerpt dit verweer met dezelfde overwegingen als die, welke het ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van de weren nopens de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, naar welk één en ander het te dezen verwijst.

K. Namens de verdachte is voorts ten verweer betoogd dat deze van het onder 2. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de aangifte van [benadeelde 1] onvoldoende betrouwbaar is om tot bewijs te kunnen dienen, zulks om de volgende redenen.

1. De aangeefster weet zich niet meer te herinneren of verdachte haar nu tijdens het bewuste incident in haar woning bij de borsten dan wel in haar "kruis" heeft vastgepakt.

2. De aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat zij tijdens het bewuste incident de verdachte - die zijn geslachtsdeel tegen de billen van aangeefster had gedrukt - hardhandig bij zijn scrotum heeft gepakt en dit heeft omgedraaid teneinde de vermeende aanranding af te wenden, hetgeen onder de door haar geschetste omstandigheden feitelijk onmogelijk is.

3. De aangifte door [benadeelde 1] is waarschijnlijk het gevolg van een interpretatie achteraf, waarin ongewenste maar niet onbegrijpelijke toenaderingspogingen in de herinnering veranderen in strafbare feiten.

4. De aangifte door [benadeelde 1] is een gevolg van twee bijeenkomsten die zijn georganiseerd door de districtsleiding, waarbij gedetailleerd is gesproken over de klachten tegen verdachte.

L. Het hof verwerpt het verweer; wat het eerste punt betreft omdat naar zijn oordeel aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde 1] niet afdoet, dat zij geen zekerheid (meer) had over een onderdeel van de door haar aangegeven gedraging van de verdachte dat niet de kern van het verwijt uitmaakt, en wat de overige punten betreft omdat die bij het onderzoek in hoger beroep niet aannemelijk zijn geworden.

M. Namens de verdachte is voorts ten verweer betoogd dat deze van het onder 4. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd dat de aangifte van [benadeelde 2] onvoldoende betrouwbaar is om tot bewijs te kunnen dienen, zulks om de volgende redenen.

1. Voor de aangifte is geen ondersteuning te vinden in overige bewijsmiddelen. Deze wordt zelfs weersproken, in het bijzonder door:

a. de verklaring van getuige [getuige 6], die niet heeft waargenomen dat verdachte op het moment waarvan [benadeelde 2] in haar aangifte spreekt, namelijk tijdens het zich ophouden aan een bar, doch tijdens het dansen met [benadeelde 2] in [Horecagelegenheid] te Breda "rijdende bewegingen" tegen haar maakte, alsmede

b. de verklaring van getuige [getuige 7], dat hij de verdachte en aangeefster op de bewuste avond met elkaar heeft zien dansen en zag dat zij amicaal met elkaar omgingen en dat hij niets heeft waargenomen dat erop duidde dat er sprake zou zijn van een aanranding door verdachte.

2. [benadeelde 2] bestonden op de bewuste avond voldoende mogelijkheden om onmiddellijk en duidelijk op de vermeende aanranding te reageren en van haar mocht

- gelet op haar persoonlijkheid - ook worden verwacht dat zij zulks zou doen.

3. Voorafgaand aan de bewuste avond in [Horecagelegenheid] heeft [benadeelde 2] aan verdachte een SMS-bericht inhoudende seksueel getinte opmerkingen gezonden, waaruit kan worden opgemaakt dat de vermeende seksuele toenadering door verdachte tijdens hun gezamenlijke dienst de avond daarvoor haar kennelijke instemming had.

N. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

ad 1a.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige 6] de aangifte van [benadeelde 2] in de kern daarvan ondersteunt, te weten: waar het betreft zijn waarneming van de zogenoemde "rijdende" bewegingen van verdachte tegen [benadeelde 2].

Dat deze getuige meent deze gebeurtenis op een ander moment te hebben waargenomen dan waarover de aangeefster heeft verklaard, kan daaraan niet afdoen.

ad 1b.

De omstandigheid dat een getuige, die aanwezig is in een drukke horecagelegenheid waar zich al dan niet dansende personen bevinden, een bepaalde gebeurtenis niet waarneemt, brengt niet mee, dat die gebeurtenis niet zou hebben plaatsgehad. Zij wettigt dan ook niet de conclusie dat degene, die van de gebeurtenis aangifte doet, daarom onbetrouwbaar zou zijn.

ad 2.

Aan de omstandigheid dat een slachtoffer van een delict als het onderhavige niet meteen na het gebeuren duidelijk voor derden reageert op het ontuchtige handelen, kunnen vele redenen ten grondslag liggen. Dat die omstandigheid redengevend zou zijn voor de conclusie dat de aangifte van een dergelijk slachtoffer onbetrouwbaar is, vermag het hof niet in te zien. Dat op grond van de persoonlijkheid van de aangeefster een dergelijke reactie had mogen worden verwacht, is uit het onderzoek ter terechtzitting geenszins aannemelijk geworden.

ad 3.

Het zenden van een SMS-bericht met de strekking zoals door de verdediging naar voren is gebracht, voor zover dat bericht al van [benadeelde 2] afkomstig zou zijn - hetgeen deze uitdrukkelijk heeft bestreden -, betekent nog niet dat de verzendster de later door verdachte jegens haar gepleegde handelingen maar te dulden had en/of dat zij daarvoor (impliciet) haar toestemming had gegeven.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

O. Namens de verdachte is voorts ten verweer betoogd dat deze moet worden vrijgesproken van het onder 5. ten laste gelegde feit betreffende [benadeelde 4], aangezien uit haar verklaring kan worden afgeleid dat de vermeende handelingen met haar instemming plaatsvonden.

P. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De gewraakte verklaring houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

"Vanaf begin 2002 begon [verdachte] mij regelmatig in mijn billen te knijpen. Dat gebeurde altijd op momenten of plaatsen dat een ander dat niet zag en gebeurde dan weer enkele malen per week en dat weer een tijdje niet.

Ik vond dat niet echt fijn, maar kon er ook niet echt iets van zeggen, omdat ik altijd "dichtklapte". Ik bedoeld daarmee dat ik op zo'n moment geen woorden uit mijn mond kon krijgen. Mijn hoofd is dan gewoon leeg.

Het knijpen in mijn billen heb ik altijd geaccepteerd, terwijl ik eigenlijk vond dat het niet kon. Ik heb er toch niets mee gedaan, omdat ik het zo ook weer niet zo ernstig vond om daarvoor naar teamleiding te gaan. Mocht [verdachte] mij bijvoorbeeld in een hoek gedreven hebben en aangaf dat hij iets meer wilde met mij, dan had ik dat niet geaccepteerd. Ook bijvoorbeeld het aanraken van mijn borsten zou mijn grens duidelijk overschrijden, maar dat heeft hij niet gedaan".

Uit deze verklaring kan op geen enkele wijze de instemming van [benadeelde 4] met de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte worden afgeleid. Integendeel valt daaruit juist af te leiden, dat zij het knijpen in haar billen door verdachte als onprettig ervoer en afkeurde, maar dat zij kennelijk als gevolg van haar persoonlijkheid niet in staat was om daar adequaat op te reageren.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

Q. Namens de verdachte is voorts ten verweer betoogd dat deze moet worden vrijgesproken van de onder 5. ten laste gelegde feiten betreffende [benadeelde 6], aangezien op grond van haar verklaring, in het bijzonder vanwege gebruikmaking van het woordje "of" tussen de door haar beschreven handelingen, onvoldoende zekerheid bestaat over de vraag of zij zich wel herinnert drie jaar geleden door verdachte in een bil te zijn geknepen.

R. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De gewraakte verklaring houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

"Rond februari 2000 is [verdachte] komen werken in het politieteam [naam politieteam]. Hij werkte toen dus in hetzelfde team als ik en wij hadden regelmatig dienst. Tijdens onze diensten werd ik, bijvoorbeeld in de dienstauto, vaak door [verdachte] aangeraakt. Hij pakte dan mijn knie vast, kneep in mijn bil of streek over mijn haar op het moment dat hij zich omdraaide bij het achteruitrijden."

Door gebruikmaking van het woord "of" in deze verklaring heeft [benadeelde 6] kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat verdachte in de door haar bedoelde periode weliswaar meermalen de door haar omschreven handelingen jegens haar heeft begaan, doch niet elk van deze handelingen op elk van de door haar bedoelde momenten.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

S. Namens de verdachte is ten slotte ten verweer betoogd dat deze moet worden vrijgesproken van het onder 5. ten laste gelegde feit betreffende [benadeelde 7], aangezien niet kan worden bewezen dat verdachte de borsten van [benadeelde 7] opzettelijk heeft aangeraakt.

Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat haar verklaring voor zover inhoudende dat zij het gevoel had dat verdachte haar bij het oprapen van een koffiebekertje opzettelijk met zijn onderarm bij haar borsten aanraakte, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde gedraging.

T. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De toedracht van de bewezen verklaarde gedraging, zoals die naar voren komt uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van [benadeelde 7], laat redelijkerwijs geen ruimte voor de mogelijkheid dat deze anders dan opzettelijk heeft plaatsgehad. Het hof verwijst te dezen nog naar hetgeen het hierboven onder G. heeft overwogen.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2., 4. en 5. bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen en maatregelen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte zich gedurende een aantal jaren heeft schuldig gemaakt aan het plegen van ongewenste intimiteiten binnen het politiekorps waar hij werkzaam was - al dan niet tijdens de dienst -, bestaande in ontuchtige handelingen jegens vrouwelijke collega's;

- de mate waarin verdachte daardoor telkens de lichamelijke integriteit van de slachtoffers heeft geschonden;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed en psychische schade teweeg heeft gebracht aan de slachtoffers.

In het voordeel van verdachte heeft het hof bij de strafoplegging er rekening mee gehouden dat hij naar aanleiding van vorenomschreven feiten uit zijn functie van hoofdagent van politie is ontslagen.

Op grond van één en ander acht het hof oplegging van een hogere taakstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Met oplegging van bovendien een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]) als gevolg van het onder 2. bewezen verklaarde feit, immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op

EUR 750,--. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 750,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken, dat [benadeelde 2] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]) als gevolg van het onder 4. bewezen verklaarde feit, immateriële schade heeft geleden, die het hof naar billijkheid begroot op EUR 750,--. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 750,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade tot een bedrag van EUR 1.500,--.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2. bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering voor het overige niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

2. [benadeelde 2] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade tot een bedrag van EUR 1.500,--.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4. bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering voor het overige niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Het hof zal bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 2., 4. en 5. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2., 4. en 5. bewezen verklaarde oplevert:

1. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

2. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

3. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]), een bedrag te betalen van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 2] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]), een bedrag te betalen van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]) ten dele toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan deze benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (gemachtigde: mr. L.W.H. van den Berg, Ringbaan West 232, [woonplaats]) ten dele toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan deze benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro).

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. J.P.F. Rijken en mr. A.R.O. Mooy,

in tegenwoordigheid van dhr. R.H. Boekelman, griffier,

en op 24 mei 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

??

??

??

??

- 10 - 20-004209-04