Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX3064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
01/04196
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een derde uitstel voor de tweede zitting is belanghebbende niet verleend. Belanghebbende heeft in zijn faxbericht d.d. 4 oktober 2005 geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat hij, nadat reeds tweemaal uitstel voor de tweede mondelinge behandeling was verleend, redelijkerwijs niet in staat was om, al dan niet vergezeld van of vertegenwoordigd door een familielid en/of gemachtigde, op 6 oktober 2005 te verschijnen voor de tweede mondelinge behandeling van zijn beroep en op vragen om toelichting te antwoorden. Die mondelinge behandeling op 6 oktober 2005 was belanghebbende al bij op 1 juni 2005 ontvangen brief d.d. 29 mei 2005 aangekondigd. Belanghebbende heeft in bedoeld faxbericht ook geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat hij zijn zaak niet zodanig aan een ander kon overdragen dat die ander in staat was zijn zaak goed te "verwoorden", zoals is aangevoerd. Het "rapport" van de behandelende huisarts geeft in een en ander geen inzicht. Veeleer is niet onaannemelijk dat belanghebbende, al dan niet als gevolg van zijn ziekte, erop uit was de afhandeling van het ingediende beroep zoveel mogelijk te vertragen, hetgeen in strijd is met een goede procesorde. Mede om die reden heeft het hof belanghebbende ter zake van de tweede mondelinge behandeling van het beroep niet voor de derde keer uitstel verleend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0950
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/04196

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, twaalfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren te P (vestiging A) van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 45.588,-- (€ 20.686), met toepassing van tariefgroep III. Die aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Partijen zijn, bij brief van 16 april 2004, opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 25 mei 2004 te 's-Hertogenbosch. Vóór de zitting heeft belanghebbende de griffier telefonisch verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. Daarop heeft het hof, bij op 19 mei 2004 aan partijen verzonden brief, de mondelinge behandeling uitgesteld.

1.4. Partijen zijn, eveneens bij brief van 19 mei 2004, opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 15 juni 2004 te 's-Hertogenbosch. Op die datum heeft de mondelinge behandeling doorgang gevonden. Ter zitting zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de inspecteur de heer B. Ter zitting zijn tevens behandeld de door belanghebbende ingediende beroepschriften betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 (hofkenmerk: 02/02601) en de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 (hofkenmerk: 03/01333).

In verband met de door het hof in de zaak met hofkenmerk 03/01333 (jaar 2000) aan belanghebbende geboden gelegenheid nader bewijs bij te brengen, heeft het hof in alle drie behandelde zaken van belanghebbende, waaronder het onderhavige beroep, met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst.

Ter zitting heeft het hof de tweede mondelinge behandeling van het beroep aangekondigd voor 31 augustus 2004.

1.5. Partijen zijn, bij brief van 5 juli 2004, opgeroepen voor de tweede mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 31 augustus 2004 te 's-Hertogenbosch. Belanghebbende heeft het hof bij op 25 augustus 2005 aldaar binnengekomen faxbericht verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling, dit in verband met een korte ziekenhuisopname. Daarop heeft het hof, bij op 26 augustus 2004 aan partijen verzonden brief, de mondelinge behandeling uitgesteld.

1.6. Partijen zijn, bij brief van 2 mei 2005, voor de tweede keer opgeroepen voor de tweede mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 13 juni 2005 te 's-Hertogenbosch. Vóór de zitting heeft belanghebbende via zijn echtgenote de griffier bij op 1 juni 2005 bij het hof binnengekomen faxbericht verzocht om uitstel van de tweede mondelinge behandeling. Die brief luidt als volgt:

"Naar aanleiding van uw telefonisch onderhoud met onze zoon de afgelopen week het volgende:

Wij hebben bekeken hoe de zaak er met mijn man voorstaat en overleg gehad met de neurologisch verpleegkundige.

Zoals mijn zoon u heeft verteld, heeft mijn man X begin maart een behoorlijk herseninfarct gehad. Hij is daartoe opgenomen in het C ziekenhuis in D. Hij is aan zijn rechterzijde niet verlamd maar zijn been en arm werkt maar minimaal, aan de rechterzijde van zijn lichaam is hij oppervlakkig gevoelloos en zijn linkerhand werkt ook maar voor 50%, dit komt omdat signalen en prikkels vanuit de hersenen langs het litteken op de hersenstam komen. Daartoe is ook coördinatie en concentratie ernstig verstoord.

Mijn man gaat een therapie volgen om dit alles weer onder controle te krijgen, momenteel volgt hij al therapie. De nieuwe therapie moet het mogelijk maken dat hij straks weer enigszins in de maatschappij kan functioneren. Deze therapie wordt gegeven aan het E in D naast het F-ziekenhuis. En gaat een aantal dagen (3a4) per week duren, dit gedurende een aantal weken.

Wat betreft de rechtszitting, dit gaat hij op 13 juni a.s. nog niet volhouden. Er is geen gemachtigde voor hem, alleen hij is op de hoogte van de inns en outs. Ik verzoek u dan ook om uitstel te geven tot na de zomer. Ik weet dat het niet leuk is, dat dit weer moet gebeuren, maar wij hopen een betere vader terug te krijgen waarvan de suiker beter wordt gereguleerd, ten minste op een zodanige manier dat hij weer kan functioneren, want het is geen prettig leven.

Hopende op uw medewerking.".

De brief gaat vergezeld van een "Ontslagbrief ziekenhuis".

Daarop heeft het hof, bij op 2 juni 2005 aan partijen verzonden brief, de tweede mondelinge behandeling (wederom) uitgesteld.

1.7. Bij op 29 juni 2005 verzonden brief heeft de griffier namens de voorzitter belanghebbende het volgende bericht.

"Bij Uw brief van 29 mei 2005, ontvangen 1 juni 2005, hebt U verzocht om uitstel van de behandeling van het door U ingestelde beroep tegen de bovengenoemde uitspraken op de bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premieheffing 1998, 1999 en 2000. Dat uitstel is U ditmaal nog verleend.

Na de (eerste) zitting op 15 juni 2004, nadat eerder een zitting was voorzien voor 25 mei 2004 welke op uw verzoek werd uitgesteld, werd een ter zitting aangekondigde tweede zitting voorzien voor 31 augustus 2004. De oproeping voor die zitting was van 5 juli 2004. De zitting werd op uw verzoek uitgesteld. Daarna werd de tweede zitting voorzien voor 13 juni j.l., de oproeping voor die zitting was van 2 mei 2005. Op uw verzoek werd de (tweede) zitting wederom uitgesteld.

De (tweede) zitting voor de bovenbedoelde beroepen wordt nu uitgeschreven voor donderdag 6 oktober 2005 in de namiddag. Uw zoon deelde mij op 27 juni j.l. telefonisch desgevraagd mee dat een zitting vóór de vakantie op problemen zou stuiten.

U ontvangt voor de (tweede) zitting van 6 oktober een uitnodiging bij afzonderlijke brief. U hebt alle gelegenheid om Uw visie tegen die van Uw wederpartij de belastingdienst te geven op de zitting. Mocht U zelf niet in de gelegenheid zijn ter zitting te komen, dan kunt U bijvoorbeeld Uw echtgenote of een van Uw kinderen, of een adviseur, volmacht geven - onder medebrenging door haar of hem naar de zitting van een schriftelijke volmacht - om Uw belangen te vertegenwoordigen. De desbetreffende beroepen hebben vóór de (eerste) zitting op 25 juni 2004 (lees: 15 juni 2004) eenmaal op Uw verzoek uitstel van behandeling verkregen en na die zitting twee maal. De (tweede) mondelinge behandeling dient evenwel doorgang te hebben, U en Uw wederpartij hebt recht op behandeling en beslissing.

Van de zitting van 6 oktober 2005 wordt dan ook door het Hof geen verder uitstel verleend.".

1.8. Partijen zijn, bij brief van 24 augustus 2005, voor de derde keer opgeroepen voor de tweede mondelinge behandeling van het beroep ter zitting van 6 oktober 2005 te 's-Hertogenbosch. Vóór de zitting heeft belanghebbende de griffier bij op 4 oktober 2005 bij het hof binnengekomen faxbericht verzocht om uitstel van de tweede mondelinge behandeling. Dat faxbericht luidt als volgt:

"Als reactie op uw schrijven d.d. 29 juni 2005 met kenmerk BK-01/04196+02/2601+03/1333 waarin u refereert aan een telefoongesprek met mijn zoon alsmede uw aangetekende schrijven d.d. 24 augustus 2005.

Moet ik u tot mijn spijt mededelen dat mijn herstel wel vooruit gaat maar niet dermate dat ik op de korte termijn waarop ik een CVA heb gehad en 6 oktober aanstaande zover hersteld ben dat ik verweer kan voeren. U hebt indertijd de afspraak met mijn zoon gemaakt, een beetje onzorgvuldig, hij is geen arts en moet uitgaan van zijn visuele inzichten.

Om je goed te kunnen verwoorden of laten verwoorden heb je eerst een periode nodig waarin ik zaken zelf kan verdedigen of kan overdragen.

Samen met mijn zoon hebt u op 27 juni die conclusie getrokken. Echter ik ben nog niet zo hersteld dat deze zaak naar voor gebracht kan worden of door andere over genomen kan worden.

U stelt in dezelfde brief dat ik recht heb op behandeling en beslissing. Maar toch stelt samen met mijn zoon een termijn vast waarop ik dat zou kunnen.

Bijgaand treft u het rapport aan van de behandelde (lees: behandelende) arts, het spreekt voor zich, uiteindelijk is hij de enige deskundige in deze. Ik heb mijn concentratie en uithoudingsvermogen nog niet, en daarbij volg ik mijn therapie, die ik hard nodig heb.

Daarom graag een allerlaatste verzoek tot uitstel,".

Bedoeld rapport betreft een eenregelige brief van de behandelende huisarts, gericht aan de "belastingdienst". Daarin verklaart de arts dat "dhr X momenteel om medische redenen niet voldoende in staat is om zijn zaak toe te lichten".

1.9. De voor 6 oktober 2005 voorgenomen tweede mondelinge behandeling, waarvoor partijen bij brief d.d. 24 augustus 2004 werden opgeroepen, heeft doorgang gevonden. Het door belanghebbende verzochte uitstel is niet verleend. Hierover is, aldus de griffier, vóór de zitting telefonisch mededeling gedaan.

1.10. Bij de tweede mondelinge behandeling van het beroep op 6 oktober 2005 is namens de inspecteur verschenen en gehoord de heer B voornoemd. Belanghebbende, die blijkens zijn faxbericht d.d. 4 oktober 2005 de oproeping d.d. 24 augustus 2005 voor de zitting heeft ontvangen, is niet verschenen.

1.11. Het hof heeft aan het einde van de tweede mondelinge behandeling van het beroep het onderzoek ter zitting gesloten. Het hof heeft ter zitting aangekondigd schriftelijk uitspraak te zullen doen. Omtrent een en ander is belanghebbende bij brief d.d. 14 oktober 2005 geïnformeerd. Een bericht van gelijke inhoud is aan de wederpartij gezonden.

2. Feiten

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 44.880,-- met toepassing van tariefgroep III.

2.2.1. Belanghebbendes echtgenote is gedurende het gehele jaar 1999 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij G BV. Bij die werkgever genoot belanghebbendes echtgenote in dat jaar een brutoloon van fl. 8.308,--. In zijn verweerschrift heeft de inspecteur vermeld dat belanghebbendes echtgenote in 1999 vanaf 13 oktober tevens in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij H BV en aldaar in 1999 een brutoloon van fl. 2.991,-- heeft genoten.

In zijn verweerschrift heeft de inspecteur aan door belanghebbendes echtgenote in 1999 genoten brutoloon een totaalbedrag van (fl. 8.308,-- + fl. 2.991,-- =) fl. 11.299,-- berekend en aan ingehouden loonheffing een totaalbedrag van (fl. 2.446,-- + fl. 961,-- =) fl. 3.407,--.

2.2.2. Ter zitting van 6 oktober 2005 heeft de inspecteur met stelligheid verklaard dat belanghebbendes echtgenote in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft vermeld dat zij in 1999 naast bij G BV ook bij H BV looninkomen heeft genoten en dat zij voor 1999 opgave heeft gedaan van een bruto inkomen van fl. 11.299,-- hetgeen, na aftrek van fl. 1.355,-- aan (forfaitaire) beroepskosten, resulteert in een belastbaar inkomen van fl. 9.944,--. Tevens heeft de inspecteur met stelligheid verklaard dat bedoelde aangifte op 25 juli 2002 is ingediend, dat de aanslag conform de aangifte is geregeld, dat de aanslag op 20 september 2002 is opgelegd en dat belanghebbendes echtgenote tegen die aanslag niet in bezwaar is gekomen.

2.3. Bij de regeling van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur het door belanghebbende aangegeven inkomen gecorrigeerd met fl. 708,-- (minder beroepskosten) en heeft de inspecteur in plaats van tariefgroep III tariefgroep II toegepast.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende bij de regeling van de onderhavige aanslag terecht is ingedeeld in tariefgroep II. Belanghebbende, die van oordeel is dat hij in tariefgroep III had moeten zijn ingedeeld, beantwoordt die vraag ontkennend. De inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de inspecteur aanvullend verklaard, een en ander als weergegeven in 2.2.2.

3.3. Belanghebbende heeft geen cijfermatige conclusie genomen.

De inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vooraf en ambtshalve

4.1.1. Na de (eerste) zitting op 15 juni 2004, nadat eerder een zitting was voorzien voor 25 mei 2004 welke op verzoek van belanghebbende werd uitgesteld, werd een ter zitting aangekondigde tweede zitting voorzien voor 31 augustus 2004. De oproeping voor die zitting was van 5 juli 2004. Die zitting werd op verzoek van belanghebbende uitgesteld.

Daarna werd de tweede zitting voorzien voor 13 juni 2005, ruim 9 maanden na 31 augustus 2004. De oproeping voor die zitting was van 2 mei 2005. Op verzoek van belanghebbende, bij op 1 juni 2005 bij het hof binnengekomen faxbericht, werd de (tweede) zitting voor de tweede keer uitgesteld. Daarna werd de tweede zitting voorzien voor 6 oktober 2005, 3 maanden en 3 weken na 13 juni 2005.

Daarover werd belanghebbende reeds bij brief d.d. 29 juni 2005 geïnformeerd, ruim voor de verzending van de oproeping d.d. 24 augustus 2005.

Kort voor de zitting op 6 oktober 2005, bij op 4 oktober 2005 bij het hof binnengekomen faxbericht, verzocht belanghebbende voor de derde keer om uitstel van de tweede zitting.

4.1.2. Een derde uitstel voor de tweede zitting is belanghebbende niet verleend. Belanghebbende heeft in zijn faxbericht d.d. 4 oktober 2005 geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat hij, nadat reeds tweemaal uitstel voor de tweede mondelinge behandeling was verleend, redelijkerwijs niet in staat was om, al dan niet vergezeld van of vertegenwoordigd door een familielid en/of gemachtigde, op 6 oktober 2005 te verschijnen voor de tweede mondelinge behandeling van zijn beroep en op vragen om toelichting te antwoorden. Die mondelinge behandeling op 6 oktober 2005 was belanghebbende al bij op 1 juni 2005 ontvangen brief d.d. 29 mei 2005 aangekondigd. Belanghebbende heeft in bedoeld faxbericht ook geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat hij zijn zaak niet zodanig aan een ander kon overdragen dat die ander in staat was zijn zaak goed te "verwoorden", zoals is aangevoerd. Het "rapport" van de behandelende huisarts geeft in een en ander geen inzicht. Veeleer is niet onaannemelijk dat belanghebbende, al dan niet als gevolg van zijn ziekte, erop uit was de afhandeling van het ingediende beroep zoveel mogelijk te vertragen, hetgeen in strijd is met een goede procesorde. Mede om die reden heeft het hof belanghebbende ter zake van de tweede mondelinge behandeling van het beroep niet voor de derde keer uitstel verleend.

4.1.3. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift, dat is gedateerd 6 oktober 2001, verzocht te worden gehoord. In de bestreden uitspraak, die is gedagtekend 12 november 2001, is daaromtrent het volgende vermeld.

"Hoewel u heeft verzocht uw bezwaarschrift mondeling te mogen toelichten heb ik hiervan afgezien omdat ik in mijn brief van 24 oktober 2001 een uitleg geef waarop door u kon worden gereageerd. Naar aanleiding van uw reactie zou ik u, indien dan nog noodzakelijk, uitnodigen voor een mondelinge toelichting. U heeft echter geen reactie gegeven. Ook heeft u geen telefonisch contact opgenomen.".

Het hof hecht geloof aan de verklaringen van de inspecteur, een en ander als hiervoor weergegeven. In zijn beroepschrift, dat is gedateerd 20 december 2001, heeft belanghebbende niet gesteld dat hij bedoelde brief van 24 oktober 2001 niet heeft ontvangen.

Ter zake van het niet horen heeft belanghebbende geen grief geformuleerd. Aannemelijk is dat belanghebbende de brief heeft ontvangen en dat hij na kennisneming van de inhoud van de brief er geen behoefte meer aan had door de inspecteur in de bezwaarfase te worden gehoord. In verband daarmee merkt het hof het verzoek te worden gehoord aan als te zijn ingetrokken. Van schending van de hoorplicht is geen sprake.

4.2. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de inspecteur ter zitting van 6 oktober 2005, een en ander als weergegeven in 2.2.2. Het belastbare inkomen van belanghebbendes echtgenote voor 1999 bedraagt fl. 9.944,--. Dat is meer dan de voor het jaar 1999 geldende basisaftrek ad fl. 8.380,--. Die omstandigheid verhindert dat belanghebbende voor 1999 recht heeft op indeling in tariefgroep III. Bij de aanslagregeling is belanghebbende terecht ingedeeld in tariefgroep II. Ook belanghebbendes echtgenote is terecht ingedeeld in tariefgroep II.

4.3. Gelet op het in 4.2 vermelde is het gelijk aan de zijde van de inspecteur. Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door T. Blokland, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 25 januari 2006

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 25 januari 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak

overgelegd.

2- het beroepschrift moet ondertekend zijn en tenminste het volgende

vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.