Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX2480

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
19-05-2006
Zaaknummer
C0500234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de inleidende dagvaarding van 20 mei 1998 stelde R.L.K.S. dat in 1996 uitvoering aan de overeenkomst is gegeven en dat zij in dat jaar gefactureerd heeft voor 131 dagen. Zij stelde dat Adecco weigerde de overeenkomst na te komen en R.L.K.S. in 1997 en 1998 telkens 100 trainingsdagen te laten uitvoeren. Op die grond vorderde R.L.K.S. schadevergoeding. Het dictum in het vonnis van 23 oktober 1998 heeft betrekking op die vordering. Dat dictum kan derhalve uitsluitend betrekking hebben op de schade als gevolg van telkens 100 gemiste trainingsdagen over 1997 en 1998, al is het op zichzelf zo ruim geformuleerd dat men taalkundig ook in 1996 geleden schade eronder zou kunnen begrijpen.

Dit betekent dat door R.L.K.S. mogelijk in 1996 geleden schade, wat daar ook van zij, in elk geval niet in deze schadestaatprocedure kan worden gevorderd, nu R.L.K.S. de grondslag van haar vordering in deze procedure niet kan uitbreiden. Deze procedure dient er immers uitsluitend toe de omvang vast te stellen van de schade tot vergoeding waarvan Adecco volgens het vonnis van 23 oktober 1998 is veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0500234/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 18 april 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap R.L.K.S. COMMUNICATIETRAININGEN B.V.,

gevestigd te Wijnandsrade, gemeente Nuth,

appellante bij exploot van dagvaarding van 18 januari 2005,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

tegen:

de besloten vennootschap ADECCO NEDERLAND BEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. M.L. Grootendorst,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 20 oktober 2004 tussen appellante - R.L.K.S. - als eiseres en geïntimeerde - Adecco - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 107296/HA ZA 04-523)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. R.L.K.S. heeft bij memorie van grieven, tevens akte rectificatie ex artikel 111 lid 2A Rv en akte tot aanvulling/vermeerdering van grondslag en aanvulling/vermeerdering van eis, 7 grieven aangevoerd, haar eis vermeerderd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van Adecco tot betaling van primair E. 523.238,99, althans E. 509.193,59, althans E. 446.318,71, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, subsidiair E. 259.786,00, althans E. 233.343,00, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, primair en subsidiair te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, alsmede te vermeerderen met een bedrag van E. 10.000,00, althans E. 4,448,00 ten titel van buitengerechtelijke incassokosten en (slechts subsidiair) te vermeerderen met een bedrag van E. 4.138,00 ten titel van kosten en tot veroordeling van Adecco in de kosten van beide instanties, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Adecco de grieven bestreden.

2.3. Op 9 februari 2006 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, R.L.K.S. dooor mrs. L.R.G.M. Spronken en mr. M. Weerts, Adecco door mr. D.M. Terpstra, allen aan de hand van pleitnotities. R.L.K.S. heeft daarbij nog een productie in het geding gebracht.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven is het geding in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

R.L.K.S. verzorgt trainingen en opleidingen in opdracht voor bedrijven. Tussen partijen bestond een geschil over de vraag of begin 1996 tussen hen een overeenkomst is tot stand gekomen, inhoudend dat R.L.K.S. gedurende drie jaren (1996, 1997 en 1998) minimaal 100 trainingsdagen per jaar voor Adecco zou verzorgen. Dat geschil hebben zij voorgelegd aan de rechtbank te 's-Hertogenbosch. In de inleidende dagvaarding vermeldde R.L.K.S. dat gedurende het jaar 1996 uitvoering aan de door haar gestelde overeenkomst was gegeven en dat zij conform de overeenkomst heeft gefactureerd voor 131 dagen. R.L.K.S. vorderde vergoeding van schade, op te maken bij staat.

4.1.1. Bij vonnis van 23 oktober 1998 heeft de rechtbank de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank overwoog voorts dat Adecco niet gerechtigd was de voor 3 jaar aangegane samenwerking reeds per 1 januari 1997 te beëindigen. Door dat wel te doen is Adecco toerekenbaar tekort geschoten in de verbintenissen die de overeenkomst haar oplegde, aldus de rechtbank, zodat Adecco gehouden is de schade die R.L.K.S. door de ontijdige opzegging lijdt en het daaruit voor haar voortvloeiend gemis van tweemaal 100 trainingen per jaar over de jaren 1997 en 1998 te vergoeden.

De rechtbank overwoog dat de algemene voorwaarden van R.L.K.S. op de overeenkomst van toepassing zijn, maar dat aan de gefixeerde schadevergoeding bij annulering door de opdrachtgever, zoals geregeld in artikel 9 van die algemene voorwaarden, niet rechtstreeks een maatstaf voor de hoogte van de in dit geval gevorderde schadevergoeding kan worden ontleend.

De rechtbank veroordeelde Adecco tot vergoeding van de door R.L.K.S. geleden schade ten gevolge van de ontijdige beëindiging door Adecco van de op 22 januari 1996 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst en het missen door R.L.K.S. van tweemaal 100 trainingen in de jaren 1997 en 1998, op te maken bij staat, veroordeelde Adecco in de proceskosten en wees het meer of anders gevorderde af.

4.1.2. Adecco is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij dit hof, R.L.K.S. stelde incidenteel appel in. De grieven van Adecco waren gericht tegen het oordeel dat de bedoelde overeenkomst vaststond, dat Adecco niet gerechtigd was de overeenkomst per 1 januari 1997 te beëindigen, het oordeel dat de algemene voorwaarden van R.L.K.S. van toepassing waren en de veroordeling van Adecco in de proceskosten. De grief van R.L.K.S. was gericht tegen de afwijzing van het door haar gevorderde voorschot op de schade.

4.1.3. Bij arrest van 14 november 2000 is het vonnis waarvan beroep door dit hof bekrachtigd. Het daartegen gerichte cassatieberoep is bij arrest van 22 november 2002 door de Hoge Raad verworpen.

4.1.4. Bij exploot van 24 februari 2004 heeft R.L.K.S. aan Adecco een schadestaat betekend. R.L.K.S. stelde dat hier art. 9b van haar algemene voorwaarden van toepassing is, welk artikel inhoudt dat de opdrachtgever bij annulering van enige overeengekomen bedrijfscursus vóór de overeengekomen aanvangsdatum het volledige honorarium verschuldigd is. In overeenstemming met dat artikel heeft R.L.K.S. Adecco aangeboden alsnog een nieuwe datum voor de cursussen te bepalen, maar Adecco wilde hiervan geen gebruik maken. R.L.K.S. stelde dat in 1996 71 trainingsdagen waren afgenomen, zodat voor dat jaar 29 dagen resteren. Over 1997 en 1998 zijn telkens 100 trainingsdagen niet afgenomen. Aldus vorderde R.L.K.S. vergoeding van 229 dagen cursusdagen volgens haar voorgestelde planning, tot een bedrag van E. 523.238,99 met prijscompensatie en E. 509.193,59 zonder prijscompensatie. Subsidiair baseerde R.L.K.S. haar vordering op het honorarium voor de goedkoopste cursus, resulterend in een bedrag van E. 446.318,71. Daarnaast maakte R.L.K.S. aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten en rente.

Voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat R.L.K.S. geen beroep toekomt op vergoeding op grond van art. 9 van haar algemene voorwaarden wenste zij schadevergoeding op grond van de wet, hetgeen zij nader wenste te motiveren, uit te werken en aan te tonen.

4.1.5. Na verweer van Adecco overwoog de rechtbank - voor zover in hoger beroep nog van belang - dat zij in haar vonnis van 23 oktober 1998 zonder voorbehoud heeft beslist dat aan de algemene voorwaarden van R.L.K.S. niet rechtstreeks een maatstaf kan worden ontleend voor de hoogte van de in casu gevorderde schadevergoeding. Tegen die overweging was geen grief aangevoerd, aldus de rechtbank, zodat aan die overweging en het daarin besloten liggende oordeel gezag van gewijsde toekomt. De gestaffelde annuleringsregeling uit de algemene voorwaarden is en blijft niet van toepassing op nog niet concreet geplande trainingen, aldus de rechtbank, daarop stuit de vordering van R.L.K.S. af. Omdat een andere vorm van schadeberekening waartegen Adecco zich zou kunnen verweren ontbrak, heeft de rechtbank de vorderingen van R.L.K.S. afgewezen.

4.2. De eerste grief van R.L.K.S. houdt in dat de rechtbank ten onrechte de schadebepaling op grond van de algemene voorwaarden heeft afgewezen.

4.2.1. In het vonnis van 23 oktober 1998 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.4. geoordeeld - kort weergegeven - dat de gefixeerde schadevergoeding bij annulering door de opdrachtgever, zoals geregeld in art. 9 van de algemene voorwaarden van R.L.K.S., blijkens haar bewoordingen ziet op annulering van trainingen waarvoor reeds een aanvangsdatum is vastgesteld, hetgeen in casu niet het geval is, zodat dit artikel niet rechtstreeks een maatstaf biedt voor de hoogte van de door R.L.K.S. gevorderde schadevergoeding. Tegen die overweging is destijds geen grief aangevoerd. Nu geen der tegen het vonnis van 23 oktober 1998 aangevoerde grieven slaagde, lagen de stellingen en verweren van partijen terzake van de toepassing van art. 9 van de algemene voorwaarden ook niet op grond van de devolutieve werking van het appel aan het hof ter beoordeling voor. Het oordeel van de rechtbank op dat punt heeft derhalve gezag van gewijsde gekregen, zoals de rechtbank in het vonnis waarvan beroep terecht heeft overwogen. De overweging van het hof in 4.9. van het arrest van 14 november 2000, inhoudend dat de algemene voorwaarden een eigen annuleringsregeling kennen met bijbehorende staffel, houdt niet het oordeel in dat die regeling hier van toepassing is.

4.2.2. De stelling van R.L.K.S. dat zij in de schadestaatprocedure alle gronden mag aanvoeren die nodig zijn om de schade te bepalen, waarbij de rechtbank niet gehouden is aan haar eerdere standpunt, verwerpt het hof. De schadestaatprocedure vormt immers niet een geheel nieuwe procedure, maar moet worden gezien als voortzetting van het hoofdgeding. Aan in het hoofdgeding gegeven beslissingen omtrent de schade blijft de rechter derhalve gebonden.

4.2.3. Ten overvloede overweegt het hof dat het het oordeel van de rechtbank onderschrijft: de regeling in art. 9 van de algemene voorwaarden is kennelijk geschreven voor het geval cursussen waarvan de datum reeds is vastgesteld worden geannuleerd, zij leent zich niet voor berekening van de schade die Adecco in dit geval op grond van wanprestatie is verschuldigd.

Grief 1 faalt dus.

4.3. De tweede grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte - ten overvloede - aangeeft dat er over 1996 geen schade is geleden.

4.3.1. Deze grief berust op een verkeerde lezing van het vonnis. De rechtbank overweegt niet dat over 1996 geen schade is geleden, maar dat R.L.K.S. die schade in de bodemzaak niet vorderde en dat de veroordeling beperkt was tot het gemis van telkens 100 trainingen over 1997 en 1998.

4.3.2. Deze overweging van de rechtbank is juist. In de inleidende dagvaarding van 20 mei 1998 stelde R.L.K.S. dat in 1996 uitvoering aan de overeenkomst is gegeven en dat zij in dat jaar gefactureerd heeft voor 131 dagen. Zij stelde dat Adecco weigerde de overeenkomst na te komen en R.L.K.S. in 1997 en 1998 telkens 100 trainingsdagen te laten uitvoeren. Op die grond vorderde R.L.K.S. schadevergoeding. Het dictum in het vonnis van 23 oktober 1998 heeft betrekking op die vordering. Dat dictum kan derhalve uitsluitend betrekking hebben op de schade als gevolg van telkens 100 gemiste trainingsdagen over 1997 en 1998, al is het op zichzelf zo ruim geformuleerd dat men taalkundig ook in 1996 geleden schade eronder zou kunnen begrijpen.

Dit betekent dat door R.L.K.S. mogelijk in 1996 geleden schade, wat daar ook van zij, in elk geval niet in deze schadestaatprocedure kan worden gevorderd, nu R.L.K.S. de grondslag van haar vordering in deze procedure niet kan uitbreiden. Deze procedure dient er immers uitsluitend toe de omvang vast te stellen van de schade tot vergoeding waarvan Adecco volgens het vonnis van 23 oktober 1998 is veroordeeld. Ook grief 2 faalt dus, de schade over 1996 blijft buiten beschouwing.

4.4. Het hof zal thans eerst de grieven 4 en 5 bespreken, die gericht zijn tegen de beslissing van de rechtbank geen comparitie te gelasten en R.L.K.S. niet in de gelegenheid te stellen haar schade nader te onderbouwen en te bewijzen.

4.4.1. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de rechter om een verzoek tot het houden van een comparitie al dan niet te honoreren. Grief 4 faalt dus.

4.4.2. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten R.L.K.S. in de gelegenheid te stellen haar schade nader te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. R.L.K.S. heeft immers in de dagvaarding van 24 februari 2004 aan het slot met zoveel woorden aangegeven dat zij, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de door haar gevorderde schadevergoeding niet zou kunnen worden gestoeld op de algemene voorwaarden, schadevergoeding wenste op grond van de wet, waarbij zij aankondigde bereid en in staat te zijn die schade nader te onderbouwen en te bewijzen.

4.4.3. Het verweer van Adecco dat R.L.K.S. hiermee in hoger beroep een nieuwe subsidiaire grondslag aan haar vordering toevoegt, namelijk schadevergoeding op grond van de wet in plaats van op grond van de algemene voorwaarden, hetgeen tardief zou zijn, verwerpt het hof. Van een nieuwe grondslag is geen sprake, van een nieuw voorgestelde wijze van berekening evenmin.

4.4.4. Omdat grief 5 slaagt zal vonnis vernietigd worden.

4.5. Nu de algemene voorwaarden van R.L.K.S. geen maatstaf voor de berekening van de schade bieden, zal deze moeten worden vastgesteld op basis van de wettelijke bepalingen. Toewijsbaar is de werkelijke schade die R.L.K.S. heeft geleden als gevolg van het feit dat zij niet in de gelegenheid is gesteld in 1997 en 1998 telkens 100 trainingsdagen voor Adecco te verzorgen. Terecht heeft Adecco aangevoerd dat op R.L.K.S. de plicht rustte haar schade zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door de vrijkomende ruimte te benutten voor het geven van trainingen aan derden.

4.6. Ter onderbouwing van haar schade heeft R.L.K.S. in hoger beroep een rapport overgelegd opgesteld door [accountantskantoor] d.d. 13 januari 2005. Adecco betwist de juistheid van dit rapport. Volgens Adecco kan de schade uitsluitend worden vastgesteld aan de hand van de door R.L.K.S. over te leggen jaarstukken over de relevante boekjaren, nu van belang is welke omzet en winst R.L.K.S. in 1997 en 1998 heeft gemaakt ondanks het gemis van de trainingen voor Adecco.

4.7. Nu R.L.K.S. bij gelegenheid van het pleidooi kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar te hebben tegen overlegging van genoemde stukken zal het hof haar in de gelegenheid stellen bij akte over te leggen haar jaarrekeningen over de jaren 1996 tot en met 1998. Adecco zal daarop bij akte kunnen reageren.

4.7.1. Het hof geeft R.L.K.S. in overweging genoemde stukken op voorhand toe te zenden aan Adecco en stelt voor dat partijen met elkaar in overleg treden nadat Adecco daarvan heeft kennisgenomen, conform hun bij het pleidooi geuite voornemen. Indien partijen niet tot overeenstemming komen omtrent de gevolgen die aan de jaarrekeningen moeten worden verbonden met betrekking tot de door R.L.K.S. geleden schade, ligt het naar het voorlopig oordeel van het hof in de rede dat benoeming van een deskundige ter voorlichting van het hof noodzakelijk zal zijn. Partijen kunnen zich bij de in 4.7. genoemde akten dan tevens uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Het hof is voornemens de kosten van de eventueel te benoemen deskundige(n) voorshands ten laste van Adecco te brengen, nu immers reeds vaststaat dat Adecco tot vergoeding van de door R.L.K.S. geleden schade gehouden is.

4.8. Met grief 3 maakt R.L.K.S. bezwaar tegen het afwijzen van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.8.1. Vaststaat dat de algemene voorwaarden van R.L.K.S. van toepassing zijn. Volgens art.7d van deze voorwaarden komen de buitengerechtelijke incassokosten voor rekening van de in verzuim verkerende opdrachtgever, in dit geval Adecco. R.L.K.S. vorderde terzake een vergoeding van E. 10.000,00 op basis van werkelijk gemaakte kosten, subsidiair E. 4.448,00, overeenkomend met 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief, conform het rapport Voorwerk II.

4.8.2. Adecco heeft betwist dat de gestelde kosten zijn gemaakt. Nu R.L.K.S. heeft aangegeven dat in 1997 is gecorrespondeerd tussen haar raadsman en de gemachtigde van Adecco, [gemachtigde], en dat diverse malen is aangestuurd op een minnelijke regeling, ook voorafgaand aan de schadestaatprocedure, hetgeen Adecco niet heeft weersproken, begrijpt het hof de betwisting door Adecco aldus dat zij het primair gevorderde bedrag betwist, maar niet weerspreekt dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt door R.L.K.S. Het hof zal daarom de buitengerechtelijke kosten toewijzen tot een bedrag gelijk aan 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg, uitgaand van het toewijsbare bedrag.

Grief 3 slaagt dus.

4.9. De bespreking van de grieven 6 en 7 houdt het hof aan tot het eindarrest.

5. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 2 mei 2006 voor akte aan de zijde van R.L.K.S. met het in 4.7. en 4.7.1. vermelde doel;

iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Huijbers-Koopman en F. Vermeulen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 april 2006.