Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX2461

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
19-05-2006
Zaaknummer
C0400891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 29 november 2002, NJ 2004, 304 en 305 overwogen dat voor toepassing van de omkeringsregel vereist is:

"dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt."

In casu heeft [betrokkene] de norm van artikel 8 lid 2, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 overtreden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 april 2005, NJ 2005, 284 overwogen dat deze norm specifiek strekt tot het voorkomen van verkeersongevallen en de daaruit voortvloeiende schade. In het concrete geval heeft dit specifieke gevaar zich verwezenlijkt in de vorm van een botsing tussen twee personenauto's. Daarmee is de toepasselijkheid van de omkeringsregel gegeven en wordt causaal verband tussen het alcoholgebruik van [betrokkene] en de aanrijding in beginsel aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 42

Uitspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 25 april 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant],

procureur: mr. C.M. van der Corput,

t e g e n :

de naamloze vennootschap AMEV SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als AMEV,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 juni 2004 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, onder rolnummer 03-5866 op 24 maart 2004 gewezen tussen [appellant] als eiser en AMEV als gedaagde.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis.

2. De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van twee producties drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, heeft AMEV twee producties overgelegd, de grieven van [appellant] bestreden, in incidenteel appel twee grieven voorgedragen, en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

[appellant] heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen.

Tot slot hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. Productie twee bij de inleidende dagvaarding en productie één en drie bij de conclusie van antwoord zijn niet aangetroffen in het dossier van AMEV. Het Hof heeft van deze stukken kennis genomen uit het dossier van [appellant]. Nu AMEV in de processtukken op de door [appellant] overgelegde productie heeft gerea-geerd en zij zelf een beroep heeft gedaan op de in haar conclusie van antwoord genoemde producties één en drie, worden deze producties bij AMEV bekend verondersteld.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

In principaal appel en in incidenteel appel

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a) Op [datum] 2002 heeft zich op [straat 1] te [plaats] ter hoogte van de kruising met de [straat 2] en de [straat 3] een aanrijding voorgedaan tussen een personenauto bestuurd door [appellant] en een personenauto bestuurd door [naam] (nader aan te duiden als [betrokkene]).

b) De [straat 1] bestaat ter hoogte van de plaats van aanrijding uit twee rijstroken (in beide richtingen één) en een middelste rijstrook zoals weergegeven op de situatietekening die als productie 1 bij de memorie van antwoord in principaal appel is overgelegd.

c) Op de middelste rijstrook zijn geen pijlen of markeringen aangebracht voor afslaand verkeer. Afslaand verkeer passeert elkaar zowel voor- als achterlangs.

d) [betrokkene] is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij AMEV.

e) Ten tijde van de aanrijding verkeerde [betrokkene] onder invloed van alcohol. Uit bloedonderzoek bleek een alcoholpromillage van 1,79.

f) AMEV heeft de helft van de schade aan de auto van [appellant] (E. 1.725,00) vergoed. De totale schade aan de auto bedraagt E. 3.450,00.

4.2. In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg na vermindering van eis veroordeling van AMEV tot betaling van E. 2.625,00 (E. 1.725,00 terzake de resterende autoschade en E. 900,00 terzake stallingskosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 13 oktober 2003, en met veroordeling van AMEV in de proceskosten.

4.3. De kantonrechter heeft de vordering tot een bedrag van E. 450,00 toegewezen. Aan deze beslissing ligt het oordeel van de kantonrechter ten grondslag dat beide partijen evenveel schuld aan de aanrijding dragen en dat het redelijk en billijk is dat de stallingskosten voor de helft worden vergoed. Voorts heeft de kantonrechter AMEV veroordeeld in de proceskosten.

4.4. De grieven van [appellant] in principaal appel zijn gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering, waarbij [appellant] in de memorie van grieven heeft gesteld het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof te willen voorleggen. Het hof zal daarom niet alle grieven afzonderlijk behandelen, maar onderzoeken of de vorderingen van [appellant] op de door hem aangevoerde grondslagen volledig kunnen worden toegewezen.

4.5. De grieven van AMEV in incidenteel appel zijn gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de stallingskosten en tegen de veroordeling van AMEV in de proceskosten.

In principaal appel

4.6. [appellant] heeft aan zijn vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd. De schuld van de aanrijding ligt geheel bij [betrokkene]. Bij de aanrijding heeft een rol gespeeld dat [betrokkene] verkeerde onder invloed van alcohol. Primair rust op AMEV de bewijslast dat geen causaal verband bestaat tussen het alcoholpromillage en de aanrijding. Subsidiair is door de normovertreding het gevaar voor het ontstaan van de aanrijding vergroot. Nu dat gevaar zich heeft verwezenlijkt moet op grond van de zogeheten omkeringsregel worden aangenomen dat AMEV aansprakelijk is, tenzij AMEV bewijst dat de aanrijding ook zonder dit gevaarzettende gedrag zou zijn ontstaan.

4.7. AMEV heeft gemotiveerd verweer gevoerd en onder meer het volgende gesteld. Het is aan [appellant] om te bewijzen dat causaal verband bestaat tussen het alcoholpromillage van [betrokkene] en de aanrijding. De omkeringsregel is niet van toepassing omdat van een verkeersfout van [betrokkene] geen sprake is. Bovendien is aannemelijk gemaakt dat de aanrijding ook zou zijn ontstaan als [betrokkene] geen alcohol zou hebben gedronken. Voor zover causaal verband moet worden aangenomen, is aan de zijde van [appellant] sprake van 50% eigen schuld.

4.8. Het hof stelt voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op [appellant] de last rust om bewijs te leveren van zijn stelling dat [betrokkene] het onderhavige ongeval heeft veroorzaakt. Partijen verschillen van mening over de vraag of in dit geval op grond van de omkeringsregel voorshands moet worden aangenomen dat [appellant] in dit bewijs is geslaagd en dat het aan AMEV is om tegenbewijs te leveren.

4.9. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 29 november 2002, NJ 2004, 304 en 305 overwogen dat voor toepassing van de omkeringsregel vereist is:

"dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt."

4.10. In casu heeft [betrokkene] de norm van artikel 8 lid 2, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 overtreden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 april 2005, NJ 2005, 284 overwogen dat deze norm specifiek strekt tot het voorkomen van verkeersongevallen en de daaruit voortvloeiende schade. In het concrete geval heeft dit specifieke gevaar zich verwezenlijkt in de vorm van een botsing tussen twee personenauto's. Daarmee is de toepasselijkheid van de omkeringsregel gegeven en wordt causaal verband tussen het alcoholgebruik van [betrokkene] en de aanrijding in beginsel aangenomen.

4.11. Het hof ziet geen aanleiding om AMEV nog toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen het veronderstelde causale verband tussen het alcoholgebruik van [betrokkene] en de aanrijding. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat AMEV reeds 50% van de cascoschade van [appellant] heeft vergoed, en dat zij zich in de onderhavige procedure niet heeft verzet tegen een aansprakelijkheid van [betrokkene] voor 50% van de schade vanwege haar rijden onder invloed van alcohol. Het hof constateert bovendien dat AMEV in de punten 49 tot en met 53 van de memorie van antwoord, voor het geval de omkeringsregel van toepassing zou zijn, uitsluitend een beroep doet op vermindering van haar vergoedingsplicht met 50% wegens eigen schuld van [appellant], zonder daarbij op enige wijze kenbaar te maken dat zij nog tegenbewijs wil leveren tegen het op grond van de omkeringsregel aangenomen causale verband tussen het alcoholgebruik en de aanrijding.

4.12. Daarmee staat in rechte vast dat de aanrijding in ieder geval mede is veroorzaakt door [betrokkene] en dat AMEV als wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar van [betrokkene] aansprakelijk is voor in ieder geval een deel van de door de aanrijding ontstane schade.

4.13. AMEV heeft subsidiair gesteld dat sprake is van eigen schuld van [appellant] zodat een deel van zijn schade op de voet van artikel 6:101 BW voor zijn eigen rekening dient te blijven. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op AMEV de last om deze stelling te onderbouwen en zonodig bewijs te leveren van deze stelling.

4.14. In dat verband heeft AMEV gesteld dat [appellant] een verkeersfout heeft gemaakt en daardoor mede heeft bijgedragen aan de aanrijding. [appellant] is, aldus AMEV, op gevaarlijke en onverwachtse wijze linksaf geslagen op een punt van waaruit hij de [straat 2] niet, althans niet op de juiste weghelft, kon bereiken. [betrokkene] wilde op de rechterrijstrook wachten tot [appellant] zou zijn gepasseerd, om vervolgens achter hem langs te kruisen. [appellant] passeerde [betrokkene] echter opeens voorlangs en reed daarbij [betrokkene] aan, die op haar (rechter)weghelft reed.

4.15. [appellant] heeft daarentegen gesteld dat alleen [betrokkene] een verkeersfout heeft gemaakt. Daarbij heeft haar alcoholgebruik een rol gespeeld. [betrokkene] reed op de middelste rijstrook, voorgesorteerd om linksaf te slaan. Zij had haar knipperlicht aan. [betrokkene] is, aldus [appellant], vervolgens evenwel niet linksaf geslagen maar heeft haar weg rechtdoor vervolgd en daarbij [appellant], die reeds zijn naar linksafslaande beweging naar de [straat 2] had ingezet, aangereden. [appellant] vertrouwde er op dat [betrokkene] conform haar intentie op de middelste rijstrook zou afslaan en voor hem langs zou kruisen.

4.16. Het hof ziet in de bij productie 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde foto's van de stand van de auto's direct na de botsing onvoldoende bewijs voor de stelling van [appellant] dat [betrokkene] op de middelste rijstrook reed. Uit de foto's blijkt immers dat de aanrijding heeft plaatsgevonden op de rechterrijstrook. Uit de foto's blijkt voorts dat [appellant] zijn afslaande manoeuvre ver vóór de [straat 2] heeft ingezet en vanuit die positie niet de juiste weghelft van de [straat 2] kon bereiken. Ook blijkt uit die foto's dat de aanrijding heeft plaatsgevonden op de weghelft van [betrokkene]. Hierin ziet het hof voldoende bewijs voor de stelling van [betrokkene] dat sprake is van een verkeersfout van [appellant]. [appellant] is immers de weghelft van [betrokkene] opgereden op een plaats die - vanuit zijn rijrichting bezien - zo ver voor de [straat 2] lag dat [betrokkene] dit niet hoefde te verwachten. [appellant] had rekening moeten houden met de mogelijkheid dat [betrokkene] hem, bij gebreke van wegmarkeringen, achterlangs zou willen kruisen. [appellant] heeft [betrokkene] die kans niet geboden maar is scherp voor haar linksaf geslagen.

4.17. Op grond van hetgeen in r.o. 4.16. is overwogen, staat naar het oordeel van het hof vast dat de aanrijding mede te wijten is aan omstandigheden die aan [appellant] kunnen worden toegerekend, zodat een deel van zijn schade voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Voor zover [appellant] dit heeft willen betwisten, heeft hij die betwisting in het licht van de foto's waarop de positie van de auto's na de botsing zichtbaar is, onvoldoende onderbouwd. Gelet daarop passeert het hof het bewijsaanbod van [appellant] als niet relevant.

4.18. Uit het voorgaande volgt dat grond bestaat voor een vermindering van de vergoedingsplicht van AMEV jegens [appellant]. Het hof waardeert de mate waarin de aan [betrokkene] en [appellant] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen gelet op het onder r.o. 4.10 tot en met 4.12 en 4.16. overwogene, evenals de kantonrechter, op 50%. Dat betekent dat het vonnis waarvan beroep in zoverre dient te worden bekrachtigd.

In incidenteel appel

4.19. De grieven van AMEV in incidenteel appel zijn gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de stallingskosten en tegen de veroordeling van AMEV in de proceskosten.

4.20. [appellant] heeft aan zijn vordering onder meer ten grondslag gelegd dat hij stallingskosten heeft moeten betalen aan het reparatiebedrijf waar zijn auto na het ongeval gestald is geweest. Deze kosten bedragen volgens [appellant] E. 900,00 en blijken volgens hem uit het bij inleidende dagvaarding overgelegde kasbewijs.

4.21. AMEV heeft gemotiveerd verweer gevoerd en onder meer gesteld dat niet is gebleken van een noodzaak om deze kosten te maken.

4.22. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] de noodzaak van het gedurende langere tijd stallen van de auto onvoldoende onderbouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de auto total loss was verklaard en kennelijk, blijkens het door [appellant] overgelegde stallingsbewijs, door [appellant] aan een autoschadebedrijf is verkocht. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom deze transactie pas lange tijd na het ongeval heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de stallingskosten als een gevolg van de aanrijding voor rekening van AMEV zouden moeten worden gebracht.

4.23. Bovendien komt het beroep van [appellant] op vergoeding van de stallingskosten neer op een verzoek tot vergoeding van schade die geleden is omdat de vergoeding van de (helft van de) cascoschade pas na enige tijd is betaald. De schadevergoeding die verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat ingevolge artikel 6:119 BW echter uitsluitend uit een gefixeerde schadevergoeding, bestaande in de wettelijke rente van die geldsom over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

4.24. Gelet op het voorgaande is voor toekenning van een vergoeding voor de stallingskosten geen grondslag aanwezig. Deze vordering van [appellant] dient derhalve alsnog te worden afgewezen zodat de eerste grief slaagt.

4.25. Ten aanzien van de veroordeling in de proceskosten heeft AMEV het volgende gesteld. [appellant] had aangemerkt moeten worden als de in het ongelijk gestelde partij omdat diens (hoofd)vordering terzake cascoschade is afgewezen en omdat slechts een klein deel van de totaal gevorderde kosten is toegewezen. Het hof begrijpt deze grief, in combinatie met de eerste incidentele grief, aldus, dat dit volgens AMEV a fortiori geldt ingeval de stallingskosten in appel alsnog worden afgewezen.

4.26. Nu uit het onder r.o. 4.24. overwogene volgt dat de vordering van [appellant] alsnog dient te worden afgewezen, slaagt ook de tweede grief. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij alsnog te worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.

In principaal en incidenteel appel

4.27. Uit al het bovenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover daarbij een bedrag van E. 450,00 terzake stallingskosten is toegewezen en AMEV is veroordeeld in de proceskosten. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] alsnog afwijzen en [appellant] veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg. Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. Nu [appellant] in principaal appel en in incidenteel appel in het ongelijk wordt gesteld, zal hij worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal appel en incidenteel appel.

5. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

vernietigt het door de rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, op 24 maart 2004 tussen partijen uitgesproken vonnis waarvan beroep voor zover bij dat vonnis aan [appellant] een bedrag van E. 450,00 is toegewezen en AMEV in de proceskosten is veroordeeld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg, aan de zijde van AMEV begroot op E. 162,00 aan verschotten en E. 454,00 aan salaris gemachtigde;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal appel, aan de zijde van AMEV tot op heden begroot op E. 241,00 aan vastrecht en E. 632,00 aan salaris procureur;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het incidenteel appel, aan de zijde van AMEV tot op heden begroot op E. 316,00 aan salaris procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door de mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Keizer en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 25 april 2006.