Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AX1022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
10-05-2006
Zaaknummer
C0400983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar ´s hofs oordeel kan in de onderhavige situatie niet worden gezegd dat de Gemeente, bij afweging van alle betrokken belangen, de nadelen onevenredig zwaar ten laste van [appellant] heeft gebracht door een situatie tot stand te brengen waarbij [appellant]s bedrijf niet meer met alle formaten van vrachtvervoer kan worden bereikt, gegeven het feit dat ook na de wijziging van de situatie alle materialen - vrij probleemloos - kunnen worden aan- en afgevoerd, zelfs met "normale", gemiddeld grote/zware vrachtwagens. De Gemeente heeft dus niet in strijd gehandeld met het "égalité"-beginsel, althans niet in een dusdanige mate dat zij daarmee en daardoor of door onvoldoende schadebeperkende of schadevergoedende maatregelen te nemen onrechtmatig jegens [appellant] zou hebben gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. C0400983/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

vijfde kamer, van 25 april 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

gevestigd te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 18 mei 2004,

voorwaardelijk incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. G.C. Kooijman,

tegen:

DE GEMEENTE HELMOND,

zetelende te Helmond,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

voorwaardelijk incidenteel appellante,

procureur: mr. J.P.F.W. van Eijck,

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 12 februari 2003 en 18 februari 2004 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - de Gemeente - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 56957/HAZA 00-1998)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en de daarin genoemde stukken.

2. Het geding in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende voor uitspraak overgelegde, als ingelast te beschouwen stukken:

- de appèldagvaarding

- de memorie van grieven met producties

- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel, met een productie

- de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel.

[appellant] concludeert tot vernietiging van de vonnissen en toewijzing alsnog van zijn door de rechtbank afgewezen vorderingen, strekkende tot veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot van E. 40.000,--, met rente en kosten; de Gemeente concludeert tot bekrachtiging, eventueel met verbetering van gronden.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de vijf grieven zoals geformuleerd in de memorie van grieven in het principaal appel, en naar de grief in het voorwaardelijk incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. Alle grieven, zoals geformuleerd, zijn gericht tegen het eindvonnis. Tegen het tussenvonnis zijn in het principaal appel geen grieven geformuleerd, hoewel het appel wel mede tegen dat tussenvonnis was gericht. In zoverre is [appellant] dus niet ontvankelijk in zijn appel.

4.2. Het geschil draait, kort gezegd, om het volgende.

[appellant] heeft een timmerbedrijf, gevestigd aan [straat] te [plaats], zijnde een woonbuurt (doch waar kennelijk ook bedrijven zijn gevestigd). De [straat] vormt de ontsluitingsweg tot die buurt. In 1994 heeft de Gemeente een besluit genomen tot aanpassing van de verkeerssituatie, waarvan onderdeel uitmaakte de aanleg van een vrijliggend tweestrooks fietspad als onderdeel van een doorgaande fietsroute. De inrichting van de straat werd gewijzigd en er werden snelheidsbeperkende maatregelen genomen, waarbij onder meer een knik in de weg is aangebracht. Aan weerszijden van de weg staan paaltjes.

[appellant] stelt (punt 5 memorie van grieven) dat als gevolg van deze aanpassingen de bereikbaarheid van zijn bedrijf voor vrachtwagens geheel is verdwenen, doch dat volgt in elk geval niet uit de door hemzelf ter onderbouwing van zijn standpunt in het geding gebracht stukken.

Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat in elk geval vast, dat het bedrijf normaal bereikbaar is met personenauto's en bestelauto's.

4.3. Wat vrachtwagens betreft: de door partijen gehanteerde terminologie is niet altijd even precies. Zij maken gewag van middelgrote vrachtwagens en van zwaar vrachtverkeer. Vrachtwagens zijn maximaal 2.50 meter breed (en 4 meter hoog); de variatie zit vooral in de lengte.

De hoogte speelt geen rol (ook het naar links en rechts uitzwenken van de bovenkant als gevolg van oneffenheden in het wegdek speelt geen rol, nu de zijdelingse belemmeringen vooral worden gevormd door paaltjes van minder dan één meter hoog). De combinatie van breedte en lengte maakt het echter soms moeilijk om de knik te nemen, en bij een vaste breedte zal dus vooral de lengte daarop van doorslaggevende invloed zijn.

Uit een door de Gemeente overgelegde verklaring valt af te leiden, dat met een gewone "bak" - het hof begrijpt: een vrachtwagen van normale breedte en hoogte en gemiddelde lengte, zonder aanhanger - de knik behoorlijk genomen kan worden. Dit wordt door [appellant] niet gemotiveerd betwist. De Gemeente heeft ook gesteld dat ook vuilnisauto's (qua afmetingen vallende in dezelfde categorie als een enkele, normale vrachtwagen) de knik zonder problemen kunnen nemen.

[appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist.

4.4. Uit diezelfde door de Gemeente overgelegde verklaring blijkt, dat het nemen van die knik met een combinatie - waarmee kennelijk wordt bedoeld: een trekker met oplegger, dan wel een "gewone" vrachtwagen met aanhanger - lastiger is, maar wel te doen valt. Het door [appellant] in het geding gebrachte rapport schetst telkens situaties waarbij een combinatie bestaande uit trekker en oplegger is betrokken. Volgens dat rapport is de knik met zo'n combinatie niet goed te nemen.

Het hof begrijpt, dat als [appellant] stelt dat in het bijzonder zwaar vrachtverkeer zijn bedrijf niet meer kan bereiken, dat hij daarmee het oog heeft op combinaties van trekkers met oplegger of vrachtwagen met aanhanger.

De Gemeente betwist dat het nemen van de knik met een dergelijke combinatie niet meer mogelijk zou zijn.

4.5. Het hof zal, op grond van de voorhanden zijnde aanwijzingen en op grond van de in zoverre niet voldoende gemotiveerd weersproken uitlatingen van [appellant] omtrent leveranciers die hierin aanleiding hebben gezien het bedrijf van [appellant] te mijden, veronderstellenderwijze aannemen dat het in de praktijk zó bezwaarlijk is om met een zware combinatie het bedrijf van [appellant] te bereiken, dat een niet te verwaarlozen aantal relaties van [appellant] om die reden het bedrijf zal gaan mijden; het hof zal eerst bezien waar dat toe leidt vooraleer te beoordelen of op dit onderdeel bewijslevering nodig zou zijn.

Mitsdien gaat het hof vooralsnog uit van de volgende situatie: bereikbaarheid per auto en bestelauto goed, per middelgrote vrachtwagen (gewone vrachtwagen zonder aanhanger) voldoende, per combinatie in de praktijk vrijwel onmogelijk.

4.6. In eerste aanleg hebben partijen gedebatteerd over het rechtskarakter van het besluit tot aanpassing van de weginrichting en over de vraag of daaraan formele rechtskracht toekomt. De rechtbank oordeelde dat zulks niet het geval was en dat er sprake was van een besluit dat louter was gericht op feitelijke gevolgen, niet op rechtsgevolgen. De Gemeente komt daar tegenop, doch in voorwaardelijk incidenteel appel, zodat het hof daaraan in beginsel eerst toekomt indien het principaal appel mocht slagen. In het kader van het principaal appel en de in dat verband geformuleerde grieven gaat het hof uit van het vertrekpunt zoals door de rechtbank geformuleerd.

Partijen hebben uitvoerige beschouwingen gewijd aan het aan het bestuursrecht ontleende "égalité"-beginsel, waarbij de Gemeente zich op het standpunt stelt dat indien sprake is van een rechtmatige overheidsdaad, dat beginsel geen aansprakelijkheid schept en dat de burgerlijke rechter in verband met dat beginsel geen taak heeft.

Dat standpunt is naar het oordeel van het hof te ruim. Bij de beoordeling of en in hoeverre de Gemeente in redelijkheid tot het onderhavige besluit heeft kunnen komen, speelt het égalité-beginsel wel een rol.

4.7. Uit de foto's bij het door [appellant] in het geding gebrachte rapport en uit de taxatierapporten blijkt, dat de wijk dateert uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Dat destijds in woonbuurten ook (kleinere) bedrijven waren gevestigd, is niets bijzonders. Als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen zijn dergelijke bedrijven vaak gegroeid, maar ook de stad of wijk is gegroeid; het verkeersaanbod is explosief toegenomen en neemt nog steeds toe. Gemeenten zien zich dan gesteld voor de noodzaak tot het nemen van maatregelen. Elke beslissing, ook een beslissing om niets te doen, is nadelig voor de een en voordelig voor de ander. Dat is niet te vermijden. Het gaat er slechts om, dat bij een bepaalde keuze de lasten niet in onevenredige mate op de een ten gunste van de ander worden afgewenteld.

Ongeacht of [appellant] al (veel) langer ter plaatse was gevestigd, dan wel of hij zich daar eerst sedert kort had gevestigd, heeft te gelden dat hij niet mocht verwachten dat de bestaande situatie gedurende jaar en dag onveranderd zou blijven; in het algemeen moet in zo'n situatie een ondernemer rekening houden met de mogelijkheid dat er wijzigingen zullen optreden waarvan hij nadeel ondervindt.

4.8. De enige categorie van voertuigen, die het bedrijf van [appellant] nu praktisch niet meer kunnen bereiken, zo wordt vooralsnog aangenomen, zijn vrachtwagencombinaties. Alle overige voertuigen kunnen het bedrijf goed tot "in voldoende mate" het bedrijf bereiken.

Gesteld noch gebleken is dat [appellant] zijn bedrijf niet meer kan uitoefenen als het bedrijf niet met zware combinaties bereikt kan worden; de aard van de aan- en af te voeren materialen brengt dat ook niet mede.

[appellant] heeft echter uitgelegd, dat hij zijn bedrijf juist draaiende kon houden, doordat vrachtwagencombinaties die toch in de buurt waren, lading konden lossen, en dat als daarvoor speciaal moet worden gereden, dit economisch niet meer interessant is.

Uitgaande van de feitelijke juistheid van die stelling, moet geconstateerd worden dat dit gebruik een voor [appellant] gunstig arrangement inhield. Dat betekent echter niet dat hij, gegeven de ligging van zijn bedrijf, erop mocht vertrouwen dat hij tot in lengte van dagen van zo'n arrangement zou kunnen blijven profiteren.

4.9. Naar ´s hofs oordeel kan in de onderhavige situatie niet worden gezegd dat de Gemeente, bij afweging van alle betrokken belangen, de nadelen onevenredig zwaar ten laste van [appellant] heeft gebracht door een situatie tot stand te brengen waarbij [appellant]s bedrijf niet meer met alle formaten van vrachtvervoer kan worden bereikt, gegeven het feit dat ook na de wijziging van de situatie alle materialen - vrij probleemloos - kunnen worden aan- en afgevoerd, zelfs met "normale", gemiddeld grote/zware vrachtwagens. De Gemeente heeft dus niet in strijd gehandeld met het "égalité"-beginsel, althans niet in een dusdanige mate dat zij daarmee en daardoor of door onvoldoende schadebeperkende of schadevergoedende maatregelen te nemen onrechtmatig jegens [appellant] zou hebben gehandeld.

4.10. Bij deze stand van zaken behoeven de overige kwesties, met name het bestaan van de schade en het oorzakelijk verband met de onderhavige reconstructie van de straat, geen bespreking meer. Voorts behoeft geen nader feitelijk onderzoek meer de vraag, of praktisch gesproken het bedrijf van [appellant] nu wel of niet met zware combinaties te bereiken is.

4.11. Het principaal appel faalt mitsdien. Grief 1 is ongegrond, grief 2 leidt - ook indien deels gegrond - niet tot vernietiging van het vonnis, en grieven 3, 4 en 5 komen dan niet meer aan de orde. Het voorwaardelijk incidenteel ingestelde hoger beroep komt ook niet meer aan de orde. [appellant] zal als de in het ongelijk

gestelde partij in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld. In het incidenteel kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel:

verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn tegen het vonnis van 12 februari 2003 gerichte hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis van 18 februari 2004, waarvan beroep;

veroordeelt appellante in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van geïntimeerde tot heden begroot op E. 1.200,-- aan verschotten en E. 1.158,-- voor salaris procureur;

verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat het voorwaardelijk incidenteel appel geen bespreking behoeft.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Goyaerts-Antens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 25 april 2006.