Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW9685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
09-05-2006
Zaaknummer
C0400380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van de stallings-en trainingsovereenkomst kan [geïntimeerde] aansprakelijk zijn wegens ondeugdelijke nakoming, als de toestand van Jolita op 13 maart 2002 (de datum waarop Jolita de stal van [geïntimeerde] heeft verlaten) hetzij wat betreft de (on)geschiktheid voor de springsport, hetzij wat betreft de gezondheidstoestand, hetzij wat betreft beide, niet overeenstemt met de toestand die [appellant] bij een deugdelijke nakoming van die overeenkomst mocht verwachten. [geïntimeerde] is dan aansprakelijk voor de schade, voor zover die toestand een gevolg is van aan [geïntimeerde] toe te rekenen onoordeelkundige verzorging en training van Jolita.

Op [appellant] rust de last te bewijzen dat Jolita is teruggegeven in een toestand die hij, gelet op alle bovenbedoelde omstandigheden, niet hoefde te verwachten. Indien komt vast te staan dat dat het geval is rust op [geïntimeerde] de bewijslast dat hem dat niet is toe te rekenen en dat hij als een redelijk bekwaam handelend verzorger en trainer met Jolita is omgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0400380/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 11 april 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2004,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende en zaakdoende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 14 januari 2004 tussen principaal appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 110155/HA ZA 02-1093)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis heeft [appellant] onder overlegging van producties vier grieven aangevoerd, zijn eis vermeerderd en geconcludeerd dat het hof het vonnis in conventie zonodig onder verbetering van gronden zal bekrachtigen, met toewijzing van de vermeerderde eis, die inhoudt dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan [appellant] te betalen een bedrag van E. 3.750,-- met rente vanaf 15 juni 2004 en een bedrag van E. 99.943,88 subsidiair E. 58.943,88, meer subsidiair een bedrag zoals het hof in goede justitie mocht menen juist te zijn, met rente vanaf 15 juni 2004, en het vonnis in reconventie zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] geheel zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties in conventie en reconventie.

[geïntimeerde] heeft een akte houdende verzet tegen wijziging/vermeerdering van eis genomen. Bij beslissing van het hof van 13 juli 2004 is het bezwaar van [geïntimeerde] ongegrond verklaard.

Daarna heeft [appellant] een akte vermeerdering eis, tevens houdende overlegging producties, genomen. Daarbij heeft hij zijn vordering (voorwaardelijk)opnieuw gewijzigd in die zin, dat deze thans luidt dat het hof het vonnis in conventie zal bekrachtigen en als vermeerderde eis zal toewijzen dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan [appellant] te betalen:

- een bedrag van E. 42.750,--, althans een bedrag dat het hof juist zal achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004;

- een bedrag van primair E. 99.943,88, subsidiair

E. 58.943,88, meer subsidiair een bedrag dat het hof juist zal achten, te vermeerderen met de rente vanaf 15 juni 2004;

- al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, en dat het hof het vonnis in reconventie zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] alsnog geheel zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, in conventie en reconventie, de kosten van conservatoire beslaglegging daaronder begrepen.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte houdende uitlating eisvermeerdering genomen.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] onder overlegging van producties een "incidenteel appel, houdende wijziging/vermeerdering van eis, tevens memorie van antwoord" genomen, waarbij hij vordert bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, in conventie de vorderingen van [appellant] af te wijzen en [appellant] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, met de nakosten en de wettelijke rente als niet binnen 7 dagen alles is betaald, en in reconventie:

1. te verklaren voor recht dat de overeenkomst van partijen zo uitgelegd moet worden dat [geïntimeerde] mede-eigenaar werd van het paard Jolita en dat tenminste gedurende de duur van de overeenkomst slechts partijen gezamenlijk de beschikking hadden over het paard waarbij het hoofddoel van de overeenkomst de verkoop van het paard was;

2. te verklaren voor recht dat het paard Jolita bij het aangaan van de overeenkomst klasse 3 straalbeenindeling rechtsvoor had;

3. te verklaren voor recht dat het paard Jolita op enig moment gedurende de looptijd van de overeenkomst tenminste E. 81.000,-- waard was;

4. primair: primair (a) te verklaren voor recht dat de overeenkomst door tijdverloop is geëindigd alsmede dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [geïntimeerde] en [appellant] op grond van wanprestatie te veroordelen de door [geïntimeerde] daardoor geleden schade ad E. 87.491,62 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf maart 2002, dan wel een in goede justitie te bepalen datum binnen 7 dagen na dagtekening van het te wijzen (lees:) arrest;

subsidiair (b), indien het hof meent dat de overeenkomst terecht is ontbonden, te verklaren voor recht dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en [appellant] op grond van wanprestatie te veroordelen tot vergoeding van de daardoor door [geïntimeerde] geleden schade ad E. 61.764,62 vermeerderd met de wettelijke rente over f 1.250,-- steeds vanaf iedere maandelijkse termijn vanaf juni 1997 en met de wettelijke rente over E. 30.000,-- vanaf maart 2000, dan wel een in goede justitie te bepalen datum binnen 7 dagen na het te wijzen (lees:)arrest;

5. subsidiair: [appellant] te veroordelen op grond van dwaling/bedrog aan [geïntimeerde] een schadevergoeding te betalen van E. 81.302,48, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf maart 2002, dan wel een door het hof te bepalen datum binnen 7 dagen na dagtekening van het te wijzen (lees:) arrest;

6. Primair en subsidiair: [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, waaronder die van het executoriaal beslag, rekening houdend met het feit dat de kosten voor [geïntimeerde] gelet op de procesvoering door [appellant] aanzienlijk zijn opgelopen en te bepalen dat hij eveneens de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is als niet binnen 7 dagen na dagtekening van het (lees:) arrest alles is betaald.

[appellant] heeft daarop een memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties, genomen.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

in principaal appel:

In de eerste grief maakt [appellant] bezwaar tegen een onderdeel van de feitenvaststelling door de rechtbank.

De tweede grief is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in reconventie tot betaling van E. 17.243,65 met rente.

De derde grief strekt tot het instellen van de vermeerderde eis van [appellant], en wel tot vergoeding door [geïntimeerde] van een bedrag van E. 3.750,--, nadien bij akte voorwaardelijk vermeerderd tot E. 42.750,-- met rente wegens het genot dat [geïntimeerde] van het paard heeft gehad.

Door middel van de vierde grief, die eveneens strekt tot het instellen van een vermeerderde eis, vordert [appellant] op verschillende gronden een schadevergoeding van [geïntimeerde] ad

E. 99.943,88, subsidiair E. 58.943,88, meer subsidiair een bedrag dat het hof juist zal achten.

in incidenteel appel:

De eerste grief is gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank.

De tweede grief luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overeenkomst terecht door [appellant] is ontbonden, en dat de vorderingen van [geïntimeerde] ten onrechte grotendeels zijn afgewezen.

De derde grief betreft de afwijzing van de door [geïntimeerde] aangevoerde gronden dwaling en bedrog.

De vierde grief betreft de toewijzing aan [appellant] van buitengerechtelijke kosten ad E. 2.293,65.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. In r.o. 3.3 van het vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Zowel [appellant] als [geïntimeerde] hebben tegen die feitenvaststelling een grief gericht. Het hof zal de feiten, voor zover nodig met inachtneming van de door partijen naar voren gebrachte bezwaren, opnieuw vaststellen. Daarmee zijn de grieven I in principaal appel en 1 in incidenteel appel behandeld.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. In 1991 heeft [appellant] gekocht de merrie Jolita, stamboeknummer 91.4804.

b. [geïntimeerde] houdt zich beroepsmatig bezig met de training van paarden voor de springsport en heeft Jolita in 1997 in training genomen.

c. Op 2 juni 1997 is Jolita in opdracht van [appellant] door de dierenarts [dierenarts 1] van [kliniek] onderzocht (prod. 26 bij dupliek in rec.). Daarbij zijn röntgenfoto's van beentjes en gewrichten gemaakt.

De beoordeling luidde als volgt:

- straalbeen LV 1, RV 1

- kootgewricht LV 1, RV 1

- sesambeentjes LV 1-2, RV 1-2

- spronggewricht LA 3, RA 3

- kogelgewricht LA 1, RA 1.

d. Als toelichting op deze indeling in klassen wordt in het onderzoeksverslag het volgende vermeld:

"De beoordeling van de röntgenfoto's van de straalbeentjes, de proximale sesambeentjes en het kootgewricht alsmede het spronggewricht geschiedt volgens het "officiële beoordelingsschema". Hierbij worden de onderdelen in verschillende kwaliteitsklassen ingedeeld. De klassen 0, 1 en 2 resp. inhoudende gaaf, goed en voldoende worden als ACCEPTABEL beschouwd. Klasse 3 voor één of meer onderdelen houdt in dat de desbetreffende onderdelen op basis van het röntgenoordeel een VERHOOGD RISICO met zich brengen. Slechts acceptabel indien de overige bevindingen dit rechtvaardigen. Klasse 4 is zonder meer NIET ACCEPTABEL."

e. Op 10 juni 1997 hebben partijen met betrekking tot Jolita een door beide partijen ondertekende overeenkomst gesloten (verder te noemen de stallingsovereenkomst, prod. 1 bij inl.dagv.), die voor zover van belang luidt:

"Overeengekomen de merrie te stallen en te rijden door [geïntimeerde] gedurende 6 jaar. Na deze periode komt voornoemde merrie terug op stal bij fam. [appellant]. Na 2 en 4 jaar gelegenheid om het afgesprokene te herzien. De kosten gedurende de 6 jaar komen voor rekening van [geïntimeerde]. Na deze periode is het eerstgefokte veulen, waarbij de afstamming door [geïntimeerde] bepaald wordt, voor [geïntimeerde]. Als de merrie van stalplaats verandert en onder de hoede komt van [geïntimeerde] wordt deze mede eigenaar. Dit is pas relevant bij eventuele verkoop boven f. 80.000,-. Bij starten op nationale wedstrijden wordt de verdeling van prijzengeld opnieuw beoordeeld. Mede eigenaar voor 50%."

f. Op 29 februari 2000 heeft [taxateur] op verzoek van [geïntimeerde] het paard getaxeerd op een waarde van minimaal f 150.000,-- (prod. 1 cva/eis).

g. Op 14 juni 2001 is Jolita in opdracht van [appellant] onderzocht door dierenarts [dierenarts 2] van [kliniek 2] (prod. 2 inl.dagv.).

De beoordeling van de röntgenfoto's luidde als volgt:

- straalbeen LV 1-2, RV 2-3 (3 omcirkeld)

- kootgewricht LV 1-2, RV 1

- sesambeenderen LV 2-3 (2 omcirkeld), RV 1-2

- spronggewricht LA 2, RA 2

- kogelgewrichten achter > vold.

Op 19 juni 2001 (prod. 3 inl.dagv.) heeft [dierenarts 2] een verklaring afgegeven die luidt:

"Bij onderzoek op 14 juni 2001 van.....(Jolita, hof) is gebleken dat het paard bij het klinisch onderzoek rechtsvoor kreupel was. De röntgenologische kwaliteit van het straalbeen bleek niet meer voldoende te zijn. Een paard dat klinisch onregelmatig is met een matige kwaliteit van het straalbeen kan mijninziens zo niet in de sport worden ingezet."

h. Bij gelegenheid van een comparitie van partijen op 24 oktober 2001 in een bodemprocedure voor de rechtbank Breda (rolnr. 81568/HA ZA 00-434) - waarin [appellant] vorderde dat [geïntimeerde] Jolita aan hem ter beschikking zou stellen op straffe van een dwangsom - hebben partijen een dading getroffen en de volgende afspraken gemaakt, voor zover hier van belang (prod. 5 inl.dagv.):

"1. Partij [geïntimeerde] zal de röntgenopnames die in juli 2001 zijn gemaakt op te sturen naar de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht. Partij [appellant] zal de set röntgenfoto's van Jolita uit 1997 ook doen toekomen aan die faculteit. Beide sets röntgenfoto's zullen vervolgens in Utrecht door een dierenarts verbonden aan die faculteit worden beoordeeld om te bezien of het paard Jolita geschikt is om aan de springsport deel te nemen.

2. Op kosten van partij [appellant] zal er een klinisch onderzoek .....worden gedaan bij het paard Jolita.....De dierenarts zal aan de hand van dit onderzoek een uitspraak dienen te doen over de vraag of Jolita geschikt is om aan de springsport deel te nemen.

3. Partijen zullen de ....stallingsovereenkomst voortzetten als de onderzoeken uitwijzen dat Jolita geschikt is voor de springsport.

..................

5. Indien de overeenkomst blijft voortduren zal de heer [geïntimeerde] trachten het paard te verkopen. Hij zal zich inzetten voor het paard een zo hoog mogelijke prijs te bedingen, waarbij de heer [geïntimeerde] aantekent dat de verkoopprijs rond de f 100.000,-- zal liggen als het paard weer goed aan de wedstrijden kan deelnemen.

6. Door effectuering van bovenstaande afspraken is het geschil tussen partijen geregeld, met uitzondering van de... proceskosten. De partijen verzoeken de rechtbank daarover een beslissing neer te leggen in het vonnis.

................................................"

Het vonnis omtrent (uitsluitend) de proceskosten is gewezen op 6 november 2001.

i. Op 19 december 2001 is Jolita opnieuw gekeurd door dierenarts [dierenarts 1]. Op 21 december 2001 heeft hij een verklaring omtrent zijn bevindingen afgegeven (prod. 9 bij inl. dagv.), die inhoudt dat het paard niet goed is bevonden, dat het op harde bodem in draf RV kreupel was en op de zachte bodem eveneens onregelmatig of kreupel en dat het paard zo niet voor de sport kan worden ingezet.

j. Bij brief van 1 februari 2002 (prod. 11 inl.dagv.) heeft [dierenarts 3] van de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht zijn bevindingen genoteerd naar aanleiding van de beoordeling van verschillende röntgenfoto's van Jolita (van

[dierenarts 1] van 2 juni 1997, van [kliniek] van 14 juni 2001, en van dierenartsencombinatie [naam] van 27 juni 2001). De raadsman van [appellant] had hem verzocht het onderzoek uit te voeren zoals bij de comparitie op 24 oktober 2001 tussen partijen afgesproken. [dierenarts 3] schrijft dat hij de vraag of Jolita geschikt is om aan de springsport deel te nemen, niet kan beantwoorden aangezien het röntgenologische onderzoek steeds in samenhang met de klinische bevindingen dient te worden beoordeeld. [dierenarts 3] concludeert dat het röntgenologische beeld tussen 2 juni 1997 en 27 juni 2001 niet is veranderd. Hij geeft daarbij de volgende klasse-indeling:

- spronggewrichten 2 (deze tonen het beeld van een ankyloserende spat)

- straalbeen L 2 (op grond van geringe structuurverandering en de aanwezigheid van voedingskanalen), R 3 (op grond van veranderingen in vorm en structuur)

- sesambeentjes 2 (op grond van veranderingen in de vorm van één van de sesambeentjes en structuurveranderingen in alle vier sesambeentjes)

- kootgewrichten 2 (op grond van geringe artrose van de kootgewrichten van beide voorbenen).

Bij brief van 11 februari 2002 (prod. 12 inl. dagv.) schrijft [dierenarts 3] aan de raadsman van [appellant], kennelijk na ontvangst van de verklaringen van [dierenarts 2] van 19 juni 2001 en van [dierenarts 1] van 21 december 2001, dat het paard toen blijkbaar naar het oordeel van die collegae niet geschikt was om voor de sport te worden ingezet, en dat hij als veterinair radioloog daar niets aan toe te voegen had.

k. Op 15 februari 2002 is Jolita gekeurd door [dierenarts 4], dierenarts bij de [kliniek 3] (prod. 8 cva/eis). Deze concludeert: "positief advies op grond van klinische keuring als sportpaard."

l. Op 14 maart 2002 heeft [dierenarts 5], dierenarts bij de dierenartsenpraktijk [kliniek 4], met betrekking tot Jolita verklaard dat het paard op 28 december 2001 werd behandeld en dat de prognose als sportpaard, mits goed management, vrij gunstig is (prod. 9 cva/eis).

m. Op 28 augustus 2002 heeft [dierenarts 1] een verklaring over Jolita afgegeven (prod. 8 mvgr), die onder meer inhoudt dat hij het paard op dat moment niet geschikt acht voor de sport. De straalbeentjes beoordeelt hij als: LV 2 en RV 3.

n. Bij brief van 14 oktober 2002 (prod. 27 bij dupliek in rec.) heeft [dierenarts 6] van de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht aan (mevrouw) [appellant] antwoord gegeven op een aantal door haar over Jolita gestelde vragen. [dierenarts 6] schrijft, kort weergegeven:

- het rapport van [dierenarts 1] van 2 juni 1997 zegt niets over de bruikbaarheid van Jolita op dat moment, omdat toen blijkbaar geen klinisch onderzoek is uitgevoerd;

- dat de kreupelheid zou worden veroorzaakt door achteruitgang in kwaliteit in de loop der jaren van het straalbeentje RV is "verleidelijk te constateren", maar niet bewezen; als dat zo zou zijn kan de kwaliteitsvermindering aan vele factoren liggen en is het verloop van het ziektebeeld niet abnormaal,

- dat [dierenarts 4] in februari 2002 geen kreupelheid constateerde kan veroorzaakt worden door een voorafgaande langere periode van rust, of door een pijnstillend medicijn of andere ingrepen.

o. [appellant] heeft Jolita bij [geïntimeerde] willen ophalen nadat de onderzoeken van [dierenarts 3] en [dierenarts 1] genoemd sub i en j hebben plaatsgevonden. Omdat [geïntimeerde] afgifte weigerde heeft [appellant] conservatoir beslag tot afgifte op Jolita gelegd. Op 13 maart 2002 is het beslag gelegd en heeft sequestratie plaatsgevonden. Jolita is sinds 1 november 2003 weer op stal bij [appellant].

p. Het paard is op 19 april 2004 voor een kreupelheidonderzoek aangeboden aan [dierenarts 7] van dierenkliniek [kliniek 5](prod. 9 mvgr). Deze concludeert, kort weergegeven, dat het paard door hoefkatrol LV en RV mank is. De letsels in het straalbeen RV komen overeen met de bevindingen van [dierenarts 2] op 14 juni 2001, wat er op wijst dat de hoefkatrol reeds geruime tijd aanwezig is en dat de letsels al verschillende maanden voor 14 juni 2001 in ontwikkeling waren, aldus [dierenarts 7]. Hij acht het paard niet meer geschikt in de sport, ook niet in de toekomst.

q. Tussen partijen zijn (in elk geval) drie kort gedingprocedures gevoerd.

Bij vonnis in kort geding van 21 juni 2001 (prod. 4 bij inl.dagv.) is de vordering van [geïntimeerde] om Jolita in zijn stal terug te brengen, toegewezen en de reconventionele vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te verbieden om Jolita als springpaard te gebruiken, afgewezen.

Bij vonnis in kort geding van 8 mei 2002 (prod. 25 bij cvr/a) is de vordering van [appellant] om Jolita aan hem af te geven, afgewezen, en is in reconventie, met afwijzing van nog andere reconventionele vorderingen van [geïntimeerde], aan [appellant] verboden om Jolita te gebruiken als fokmerrie en haar te laten dekken.

Bij vonnis in kort geding van 8 september 2004 is de vordering van [appellant] om de executie van het vonnis, waarvan thans beroep (van 14 januari 2004) te schorsen of te bepalen dat deze slechts tegen het stellen van zekerheid mag worden voortgezet, afgewezen.

4.3.1. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij exploit van 27 maart 2002 gedagvaard en gevorderd, kort weergegeven, te verklaren voor recht dat de stallingsovereenkomst is ontbonden per 24 oktober 2001, althans deze overeenkomst te ontbinden, en [geïntimeerde] te veroordelen tot afgifte van Jolita aan [appellant] op straffe van een dwangsom, en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van E. 2.293,65 met rente.

[geïntimeerde] heeft in reconventie, na wijziging van eis, gevorderd (kort weergegeven) primair te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] voor 50% mede-eigenaar is van Jolita, subsidiair [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van f 70.000,--, [appellant] te veroordelen tot schadevergoeding, en het beslag tot afgifte op Jolita op te heffen en te bepalen dat Jolita wordt teruggegeven aan [geïntimeerde].

4.3.2. De rechtbank heeft bij het in hoger beroep bestreden vonnis van 14 januari 2004 geoordeeld dat [appellant] gerechtigd was de stallingsovereenkomst per 24 oktober 2001 te ontbinden aangezien de rechtbank op grond van de bevindingen van [dierenarts 1] en [dierenarts 3] oordeelde dat Jolita niet geschikt was voor de springsport. De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten achtte de rechtbank als niet weersproken toewijsbaar. De door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen vergoeding wegens de door [geïntimeerde] voor Jolita gemaakte kosten heeft de rechtbank gesteld op f 38.000 (E. 17.243,65). De rechtbank heeft het beroep van [geïntimeerde] op dwaling en bedrog bij de totstandkoming van de stallingsovereenkomst, en op wanprestatie door [appellant] en dientengevolge door [geïntimeerde] geleden schade, verworpen.

Aldus heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat de stallingsovereenkomst op 24 oktober 2001 is ontbonden, is [geïntimeerde] veroordeeld tot afgifte van Jolita aan [appellant] op straffe van een dwangsom van E. 500,-- per dag, en is aan [appellant] terzake buitengerechtelijke kosten een bedrag van E. 2.293,65 met rente toegewezen. [geïntimeerde] werd in conventie veroordeeld in de proceskosten en in de kosten van sequestratie vanaf 1 januari 2003.

In reconventie heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van E. 17.243,65 met rente, de overige vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

4.4.1. De vorderingen die partijen, en in het bijzonder [geïntimeerde], hebben ingesteld laten zich niet gemakkelijk lezen en wisselen in de loop van de procedure, zowel wat de bedragen als wat de daaraan ten grondslag gelegde stellingen betreft.

Het hof is tot de conclusie gekomen dat [geïntimeerde] de in eerste aanleg ingestelde vorderingen sub A t/m D (zie conclusie van eis in reconventie blz. 15) niet langer heeft gehandhaafd en deze deels heeft opgenomen in en vervangen door zijn uit zes onderdelen bestaande vordering in incidenteel hoger beroep:

- de oorspronkelijke vordering sub A primair is vervangen door de vordering sub 1 in hoger beroep

- de vordering sub A subsidiair is opgenomen in de vordering sub 4b

- de vordering sub B is opgenomen in de vordering sub 5

- de vordering sub C is niet langer gehandhaafd (zie mva/inc.appel sub 81)

- de vordering sub D is inmiddels door de feiten achterhaald (na het instellen van de reconventionele vordering is Jolita op stal bij [appellant] teruggekeerd).

Vordering [geïntimeerde] wegens dwaling/bedrog (vordering sub 5)

4.4.2. Het hof zal eerst de derde incidentele grief van [geïntimeerde] behandelen, aangezien die de verste strekking heeft. [geïntimeerde] klaagt daar over de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering uit hoofde van dwaling en bedrog. [geïntimeerde] stelt dat hij dacht een paard in training te krijgen dat door training in waarde zou stijgen en zo spoedig mogelijk, mede ten voordele van [geïntimeerde], zou worden verkocht, en stelt dat hij dacht dat hij samen met [appellant] kon beslissen over het paard. Verder stelt hij te hebben gedacht dat zijn kosten niet boven de f 40.000,-- zouden uitstijgen, en stelt hij dat hij is afgegaan op de mededeling van [appellant] dat het paard gezond was; hij stelt het rapport van [dierenarts 1] uit 1997 niet tevoren te hebben gezien. [geïntimeerde] vordert terzake primair E. 87.491,62 (gemiste winst, gederfde trainingvergoedingen, gederfde verkoopcommissie en juridische bijstand) en subsidiair E. 61.764,62 (onderhoudskosten Jolita en waarde gemist veulen van Jolita) met rente (mva/incidenteel appel 81 en 82).

4.4.3. Het hof is evenwel van oordeel dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij een beoordeling van de vraag of hij bij het sluiten van de stallingsovereenkomst heeft gedwaald of bedrogen is, nu [geïntimeerde] geen vordering tot vernietiging van de stallingsovereenkomst heeft ingesteld.

Aan een beoordeling van zijn schadevergoedingsvordering op grond van dwaling of bedrog komt het hof evenmin toe, nu schadevergoeding alleen zou kunnen worden toegewezen indien zich tevens een onrechtmatige daad zou hebben voorgedaan, maar [geïntimeerde] zulks ook in hoger beroep niet heeft gesteld.

Reeds op deze gronden faalt de derde grief van [geïntimeerde].

Ten overvloede overweegt het hof dat [geïntimeerde] in eerste aanleg (cvd/r 7, 9) zelf heeft gesteld dat hij, [geïntimeerde], om röntgenologische keuring van Jolita voorafgaand aan het sluiten van de stallingsovereenkomst heeft gevraagd, en dat hij in elk geval de röntgenfoto's heeft gezien. Als [geïntimeerde] zich niet in staat achtte die foto's te beoordelen had hij daarbij deskundige hulp kunnen en moeten inroepen, nu hij kennelijk een voorafgaande röntgenologische keuring wel van belang achtte. Als hij het bij de foto's behorende rapport (1 bladzijde) van [dierenarts 1] van 2 juni 1997 toen niet heeft gezien - hetgeen [appellant] betwist - had [geïntimeerde] daarnaar moeten vragen, nu hij ermee bekend was dat dat rapport bestond en het zelfs op zijn eigen verzoek was opgemaakt.

Uitgangspunt: beëindiging overeenkomst

4.5.1. Het hof neemt bij zijn beoordeling van het geschil tot uitgangspunt de afspraken die partijen ter zitting van de rechtbank Breda van 24 oktober 2001 in de bodemprocedure met rolnr. 81568/HA ZA 00-434 hebben gemaakt. In die procedure was inzet, zowel in conventie als in reconventie, de vraag of de stallingsovereenkomst al dan niet was beëindigd.

Partijen hebben toen afgesproken dat de röntgenfoto's van het paard uit 1997 en van juni (per abuis is vermeld: juli) 2001 ter beoordeling aan de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht zouden worden gezonden, en dat er een klinisch onderzoek inclusief bloedafname zou worden verricht door een in onderling overleg aan te wijzen dierenarts, beide onderzoeken met de vraag of het paard Jolita geschikt is om aan de springsport deel te nemen. De strekking van die overeenkomst is zonder twijfel, dat van de uitslag van die onderzoeken zou afhangen of de stallingsovereenkomst zou worden voortgezet. Partijen zijn immers overeengekomen dat met de uitvoering van deze afspraken hun geschil, dat het al dan niet voortzetten van de overeenkomst betrof, zou zijn geregeld. Dat partijen nog een extra voorziening hebben opgenomen voor het geval de overeenkomst zou voortduren - en Jolita dus zou zijn "goedgekeurd" - betekent niet, zoals [geïntimeerde] bepleit (mva/incidenteel appel sub 24, 55), dat het gevolg van de situatie dat Jolita ongeschikt zou worden geacht voor wat betreft het voortduren van de overeenkomst ongeregeld is gelaten. [geïntimeerde] is er overigens in eerste aanleg ook van uitgegaan, dat bij (volgens hem: permanente) ongeschiktheid van Jolita de overeenkomst zou zijn ontbonden (cvd/r 53).

Partijen hebben zich in deze overeenkomst mitsdien vooraf geconformeerd aan de daar afgesproken onderzoeken en onderzoeksvraag, en daarvan laten afhangen of de stallingsovereenkomst zou worden voortgezet of niet.

[geïntimeerde] kan zich er daarom niet op beroepen dat een andere onderzoeksvraag aan de overeengekomen deskundigen had moeten worden voorgelegd.

4.5.2. Dat het hof de afspraken van 24 oktober 2001 tot uitgangspunt neemt brengt ook mee, dat het hof verder geen aandacht zal schenken aan de rechtsgevolgen van hetgeen vóór die datum is gebeurd, zoals onder meer de door [appellant] gestelde opzegging van de overeenkomst na 2 jaar en de daarop volgende opvordering door hem van Jolita, waaraan [geïntimeerde] geen gehoor heeft gegeven. Met de overeenkomst van 24 oktober 2001 hebben partijen immers ook te kennen gegeven dat zij ervan uitgaan dat de stallingsovereenkomst op dat moment nog bestond, en dat zij de voortzetting ervan afhankelijk maakten van de uitkomsten van de overeengekomen onderzoeken.

4.5.3. Overeenkomstig de afspraken op 24 oktober 2001 zijn de röntgenfoto's gezonden naar [dierenarts 3] van de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht en is klinisch onderzoek bij Jolita verricht door [dierenarts 1]. De onderzoeksresultaten dateren van resp. 1 en 11 februari 2002 en van 19/21 december 2001 (vgl. r.o. 4.2 sub i en j hierboven).

De conclusie hieruit kan geen andere zijn dan dat Jolita toen door deze deskundigen niet geschikt geacht werd voor de springsport. [dierenarts 1] verklaart immers dat het paard RV kreupel was en dat het hem duidelijk lijkt dat het zo niet voor de sport kan worden ingezet. [dierenarts 3] categoriseert het linkerstraalbeen als 2 en het rechter straalbeen als 3, en stelt voorts dat hij de gestelde vraag, puur op grond van röntgenfoto's, niet kan beoordelen, omdat dat in samenhang met de klinische bevindingen beoordeeld moet worden. Hij vermeldt nog wel dat klasse 3 voor gebruik in de sport niet bij voorbaat onaanvaardbaar hoeft te zijn, mits de klinische bevindingen dat rechtvaardigen en het paard tijdens dat onderzoek absoluut geen afwijkingen vertoont.

Dat laatste was, voegt het hof toe, bij Jolita echter geenszins het geval, naar blijkt uit het rapport van [dierenarts 1].

Na kennisname van het oordeel van [dierenarts 1] verklaart [dierenarts 3] dat hij aan het oordeel van [dierenarts 1] niets heeft toe te voegen.

De uitslag van het overeengekomen onderzoek was mitsdien negatief. Of het paard eventueel na behandeling nog (enige tijd) geschikt gemaakt zou kunnen worden voor de springsport doet niet terzake nu de overeengekomen onderzoeksvraag zo niet luidde.

4.5.4. Dat later andere dierenartsen ([dierenarts 4], 15 februari 2002; [dierenarts 5], 14 maart 2002) verklaringen hebben afgelegd die niet precies hetzelfde luiden als die van [dierenarts 1] (december 2001) en [dierenarts 3] (februari 2002) doet daaraan niet af, nu partijen immers zijn overeengekomen zich neer te leggen bij de uitkomst van het onderzoek van [dierenarts 1] en [dierenarts 3].

Overigens blijkt uit de verklaring van [dierenarts 5] dat Jolita alleen na toediening van bepaalde middelen een vrij gunstige prognose kreeg, en dan nog "mits goed management" - waaronder kennelijk ook te verstaan het verder toedienen van middelen - zou plaatsvinden. De verklaring van [dierenarts 7] (19 april 2004) die tot een slechte prognose als sportpaard concludeert en het paard ook in de toekomst niet meer geschikt acht in de sport, tenzij met behulp van doping, is daarmee in overeenstemming. Gezien het vorenstaande zal het hof het bewijsaanbod van [geïntimeerde] zoals geformuleerd in punt 67 mva/incidenteel appel als niet terzake dienend passeren.

4.5.5. Het gevolg is, dat op grond van de overeenkomst van 24 oktober 2001 de stallingsovereenkomst is beëindigd, en wel vanaf het moment dat vaststond dat Jolita niet geschikt was voor de sport. Het hof stelt die datum op 13 februari 2002, toen [appellant] per faxbericht van die datum de overeenkomst heeft beëindigd (mva in inc.appel sub 46). De rechtbank overweegt ten onrechte dat sprake zou zijn van "ontbinding" (art. 6:265 BW) van de overeenkomst; van tekortkoming en verzuim is hier immers geen sprake; partijen zijn simpelweg overeengekomen hun overeenkomst als zich bepaalde omstandigheden zouden voordoen, niet voort te zetten. Waar de rechtbank in het dictum van het beroepen vonnis de overeenkomst ontbonden verklaart, zal het hof derhalve lezen dat de overeenkomst is beëindigd. Aldus gelezen is de vordering van [appellant] sub 1 terecht toegewezen.

4.5.6. Uit het voorgaande volgt, dat de tweede incidentele grief van [geïntimeerde], voor zover die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst is ontbonden, naar de letter genomen weliswaar slaagt; dat kan [geïntimeerde] echter niet baten, nu het hof heeft vastgesteld dat de overeenkomst is beëindigd.

Mede-eigenaarschap [geïntimeerde]?

4.5.7. Wat betreft de vordering sub 1 van [geïntimeerde] (de verklaring voor recht omtrent zijn 50% mede-eigenaarschap) overweegt het hof dat uit de overeenkomst tussen partijen moet worden afgeleid dat hier slechts een (dubbel) voorwaardelijk mede-eigendom is bedoeld, namelijk indien en voor zover tijdens de looptijd van de overeenkomst verkoop van Jolita zou plaatsvinden en dan nog voor zover die verkoop voor een bedrag boven de f 80.000,-- zou geschieden. De overeenkomst bevat immers de zinsnede "Dit (het mede-eigenaarschap, hof) is pas relevant bij eventuele verkoop boven f 80.000,-."

Uit de strekking van de overeenkomst moet bovendien worden afgeleid, dat verkoop van Jolita niet het hoofddoel van de overeenkomst was. Overeengekomen was immers dat Jolita gedurende zes jaar bij [geïntimeerde] zou worden gestald, waarna het paard bij [geïntimeerde] zou terugkeren. Tussentijds zou nog twee maal de gelegenheid zijn de afspraken te herzien. Partijen hebben enkel rekening gehouden met de mogelijkheid van verkoop (" ......bij eventuele verkoop....").

Nu verkoop (boven de f 80.000,--) tijdens de loop van de overeenkomst niet heeft plaatsgevonden is [geïntimeerde] geen mede-eigenaar geworden en moet de gevraagde verklaring voor recht worden afgewezen.

Ongedaanmakingsverplichtingen?

4.5.8. De tweede grief van [appellant] is gericht tegen de toewijzing door de rechtbank aan [geïntimeerde] van een bedrag van

E. 17.243,65 met rente wegens een ongedaanmakingsverplichting (stallings- en trainingskosten voor het paard door [geïntimeerde]) van [appellant]. De derde grief van [appellant] strekt ertoe alsnog een bedrag te ontvangen van [geïntimeerde] van E. 3.750,-- dan wel (na voorwaardelijke vermeerdering) E. 42.750,-- met rente, eveneens op grond van een ongedaanmakingsverplichting (levering van het genot van het paard door [appellant] aan [geïntimeerde]) en wel van [geïntimeerde] jegens [appellant].

Het hof is echter van oordeel dat nu zich hier geen ontbinding van de overeenkomst in de zin van art. 6:265 BW voordoet, er evenmin een rechtsgrond is voor enige ongedaanmakingsverbintenis, zodat reeds op deze grond de tweede grief van [appellant] slaagt en zijn derde grief faalt.

Wanprestatie door [appellant]?

4.6.1. [geïntimeerde] heeft in het kader van zijn tweede grief primaire en subsidiaire vorderingen tot schadevergoeding ten bedrage van E. 87.491,62 resp. E. 61.764,62 met rente ingesteld met als grondslag wanprestatie door [appellant]. Deze wanprestatie bestaat volgens [geïntimeerde] hieruit - kort weergegeven - dat [appellant] hem een paard in training heeft gegeven dat niet gezond was, en dat [appellant] heeft verhinderd dat de stallingsovereenkomst werd verwezenlijkt door niet mee te werken aan verkoop tegen een hoge vraagprijs, waardoor hij heeft verhinderd dat [geïntimeerde] winst maakte, terwijl hij [geïntimeerde] tenslotte enorm op kosten heeft gejaagd wegens juridische bijstand (vgl. mva/incidenteel appel 80-82 en r.o. 4.4.2). Als gevolg van dat alles mist [geïntimeerde] bovendien het hem in het geval dat Jolita niet verkocht zou worden toegezegde veulen, waarvan [geïntimeerde] de waarde stelt op E. 30.000,--.

4.6.2. Naar het oordeel van het hof faalt dit beroep op wanprestatie echter.

Uit de keuring door [dierenarts 1] in juni 1997 kan niet worden afgeleid dat het paard toen niet geschikt geacht werd voor de sport, ook al werden de spronggewrichten LA en RA toen ingedeeld in klasse 3 en de sesambeentjes LV en RV in klasse 1-2. Blijkens de toelichting is klasse 2 "voldoende" en brengt klasse 3 wel een verhoogd risico mee, maar dat wordt acceptabel geacht als de overige bevindingen dat rechtvaardigen. Omtrent die "overige bevindingen" in juni 1997 is niets gesteld of gebleken - met name is door [geïntimeerde] niet gesteld dat Jolita in juni 1997 kreupel was -, terwijl [geïntimeerde] op dat punt geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan. Bovendien heeft [geïntimeerde] zelf gesteld dat Jolita de eerste jaren met succes in wedstrijden optrad, hetgeen er niet op wijst dat zij reeds in 1997 ongeschikt was voor de sport. De redenering van [geïntimeerde] dat [dierenarts 3] in zijn rapport van 1 februari 2002 schrijft dat het röntgenologisch beeld tussen juni 1997 en juni 2001 niet is veranderd en dat dus de situatie in 1997, anders dan [dierenarts 1] toen vermeldde, al even "slecht" was als in 2001, wordt door het hof verworpen. De opmerking van [dierenarts 3] is aldus te zeer uit zijn verband gerukt om daaraan de door [geïntimeerde] gewenste consequentie te kunnen verbinden, terwijl bovendien door verschillende dierenartsen is vermeld - en door [geïntimeerde] niet is bestreden - dat een röntgenologische uitkomst alleen kan worden geïnterpreteerd in samenhang met een klinisch onderzoek, dat - zoals gezegd - over de situatie per juni 1997 ontbreekt. [geïntimeerde] kan [appellant] derhalve niet verwijten dat hij hem in 1997 een niet gezond paard in training heeft gegeven.

4.6.3. Ook het verwijt dat [appellant] de uitvoering van de overeenkomst heeft verhinderd (zie tweede deel van grief 2 in het incidenteel appel), gaat niet op. In r.o. 4.5.7 heeft het hof reeds geoordeeld dat verkoop van Jolita niet het hoofddoel van de overeenkomst was. [appellant] was mitsdien niet verplicht in te gaan op een voorstel tot verkoop door [geïntimeerde]. Pogingen van [appellant] om het paard na het onderzoek van [dierenarts 3] in februari 2002 weer onder zich te krijgen, waaronder de sequestratie, kunnen niet als een tekortschieten door [appellant] in de nakoming van de overeenkomst worden aangemerkt, nu de overeenkomst tussen partijen toen immers beëindigd was.

Vóór 24 oktober 2001, reeds in 2000, is tussen partijen kennelijk al het nodige ongenoegen ontstaan, maar uit hetgeen [geïntimeerde] daarover stelt kan het hof niet afleiden dat [geïntimeerde] daardoor belemmerd werd bij de uitvoering van de stallingsovereenkomst.

Met betrekking tot het ophalen door [appellant] van het paard uit de stal van [geïntimeerde] op 10 juni 2001 overweegt het hof dat gelet op het vonnis in kort geding van 21 juni 2001, waarbij [appellant] zich heeft neergelegd, weliswaar geoordeeld moet worden dat [appellant] daarmee strikt genomen in strijd met zijn verplichtingen uit de overeenkomst handelde, maar dat de gevorderde schadeposten daarmee niet in causaal verband staan, zodat die schade op deze grond niet toewijsbaar is. Zonder toelichting, die ontbreekt, is immers niet begrijpelijk dat [geïntimeerde] verkoopcommissie of stallingskosten van derden heeft gemist, of dat hem geen veulen van Jolita is toegevallen, door de afwezigheid in zijn stal van Jolita gedurende twee weken.

Wel is de gevorderde verklaring voor recht in zoverre toewijsbaar (zie r.o. 4.6.5).

De kosten van juridische bijstand in die periode (11 tot 19 juni 2001) zijn kosten die zijn begrepen in de ten laste van [appellant] uitgesproken kostenveroordeling in het kort gedingvonnis van 21 juni 2001 en mitsdien niet afzonderlijk toewijsbaar.

Onvoorziene omstandigheden

4.6.4. Partijen hebben destijds afgesproken dat [geïntimeerde] de kosten van verzorging en stalling van Jolita zou dragen, waartegenover [geïntimeerde] in geval van verkoop voor een bedrag boven de f 80.000,-- zou delen in de verkoopprijs en in geval van terugkeer van Jolita in de stal van [appellant], recht zou hebben op het eerste veulen. De voortijdige beëindiging van de overeenkomst zoals het hof die thans heeft aangenomen vormt evenwel een onvoorziene omstandigheid van dien aard dat [appellant] naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat de bedoelde kosten ten laste van [geïntimeerde] blijven, nu [geïntimeerde] onder de huidige omstandigheden niet deelt in een verkoopopbrengst en geen aanspraak meer kan maken op het eerste veulen. [geïntimeerde] heeft in de conclusie van dupliek/repliek, sub 71 (slot) aanspraak gemaakt op een vergoeding voor deze situatie. Het hof leest in deze passage een beroep op art. 6:258 lid 1 en een verzoek van [geïntimeerde] om de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen. Het hof vult, voor zover nodig, in die zin de rechtsgronden aan.

Het hof acht het wat de hoogte van deze vergoeding betreft redelijk om aan te sluiten bij het bedrag dat de sequester voor stalling en verzorging in rekening heeft gebracht, te weten E. 275,-- per maand, en wel over de periode 10 juni 1997 tot aan de datum van de beëindiging van de overeenkomst, 13 februari 2002. De kosten van verzorging en stalling van Jolita over de periode tussen het eind van de overeenkomst en de sequestratie (13 maart 2002) komen voor rekening van [geïntimeerde], omdat [geïntimeerde] Jolita na 13 februari 2002 aan [appellant] had moeten afgeven.

Naar het oordeel van het hof moeten de kosten in verband met training van Jolita en deelname van Jolita aan wedstrijden geacht worden te zijn gecompenseerd met het genot dat [geïntimeerde] van Jolita heeft gehad. Die kosten komen dus niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.

Daar staat tegenover dat de vordering van [appellant] wegens vergoeding van het genot dat [geïntimeerde] heeft gehad (vordering [appellant] sub 4a ad E. 3.750,--, subsidiair - voorwaardelijk - E. 42.750,--), evenmin toegewezen zal worden, aangezien die weer worden gecompenseerd met de kosten van training en deelname van Jolita aan wedstrijden.

Het hof stelt de totale vergoeding die [appellant] aan [geïntimeerde] dient te voldoen over deze 56 maanden mitsdien ex aequo et bono op euro 15.400,--.

Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] (mva/inc.appel sub 100) met betrekking tot de waarde van het paard en de hoogte van de kosten van verzorging wordt als niet terzake dienend gepasseerd.

De kosten van de sequestratie ad E. 275,-- per maand over de periode 13 maart 2002 tot 1 november 2003 zullen te zijner tijd ten laste van [geïntimeerde] worden gebracht nu hij in deze periode ten onrechte heeft geweigerd Jolita aan [appellant] af te geven.

4.6.5. De primaire vordering sub 4 van [geïntimeerde] is niet toewijsbaar omdat de situatie dat de overeenkomst door tijdsverloop is geëindigd, zich niet voordoet.

Van de subsidiaire vordering sub 4 van [geïntimeerde], die uitgaat van ontbinding (lees: beëindiging) van de overeenkomst, is naast de zojuist berekende vergoeding van E. 15.400,-- toewijsbaar de verklaring voor recht dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst (vgl. r.o. 4.6.3), evenwel slechts gedurende de periode 10-21 juni 2001.

Wanprestatie door [geïntimeerde]?

4.7.1. [appellant] heeft in het kader van zijn vierde grief een vermeerderde vordering tot schadevergoeding ingesteld. Hij stelt dat [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd door Jolita pas op 1 november 2003 aan hem terug te geven in plaats van op 24 oktober 2001, en doordat hij Jolita als gevolg van een ontoereikende verzorging door [geïntimeerde] kreupel heeft teruggekregen terwijl Jolita dat bij de aanvang van de stallingsovereenkomst in 1997 niet was. [appellant] vordert te dezer zake primair een bedrag van E. 99.943,88, subsidiair E. 58.943,88 (gemist genot tegen E. 750,-- per maand, verlies waarde van het paard van E. 81.000,-- subs. E. 40.000,--, kosten onderzoek [dierenarts 7] en tandartskosten).

4.7.2. [geïntimeerde] heeft ten verwere aangevoerd dat [appellant] vanaf maart 2002 het genot heeft gehad, dat de gebreken aan het paard na de sequestratie zijn ontstaan, dat erfelijkheid een factor kan zijn bij het ontstaan van hoefkatrol, en dat hij de gevorderde schadebedragen betwist.

4.7.3. Het hof overweegt het navolgende.

Het paard is op stal bij [geïntimeerde] geweest van 10 juni 1997 tot 13 maart 2002 (sequestratie), met een korte onderbreking van ongeveer twee weken in juni 2001 toen het paard door [appellant] is opgehaald en weer teruggebracht na de uitspraak in kort geding van 21 juni 2001. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat het paard toen met staartexceem bij hem is teruggekomen, maar niet, althans niet voldoende feitelijk onderbouwd, dat in die twee weken de kreupelheid zou zijn ontstaan. Met die mogelijkheid houdt het hof dan ook geen rekening.

Op grond van de stallingsovereenkomst, die in zoverre gelijkenis vertoont met de overeenkomst van bewaarneming, rustte op [geïntimeerde] de verplichting het paard te verzorgen als een redelijk bekwaam handelend verzorger en trainer en het paard bij het einde van de overeenkomst (als het paard dan niet zou zijn verkocht) in goede staat aan [appellant] terug te geven. Teruggave in "dezelfde staat" is immers bij een levend dier niet goed denkbaar.

Ten aanzien van de vraag wat in dit geval onder "goede staat" moet worden verstaan, overweegt het hof dat het feit dat volgens de geraadpleegde deskundigen het paard niet (meer) geschikt is voor de springsport, op zichzelf niet meebrengt dat het paard niet in goede staat is teruggegeven. Maatgevend is of het paard is teruggegeven in een staat waarin [appellant] het op grond van een door [geïntimeerde] gedurende drie jaar deugdelijk nagekomen stallings- en trainingsovereenkomst en met inachtneming van de natuurlijke veroudering en slijtage van het paard mocht verwachten.

Op grond van de stallings-en trainingsovereenkomst kan [geïntimeerde] aansprakelijk zijn wegens ondeugdelijke nakoming, als de toestand van Jolita op 13 maart 2002 (de datum waarop Jolita de stal van [geïntimeerde] heeft verlaten) hetzij wat betreft de (on)geschiktheid voor de springsport, hetzij wat betreft de gezondheidstoestand, hetzij wat betreft beide, niet overeenstemt met de toestand die [appellant] bij een deugdelijke nakoming van die overeenkomst mocht verwachten. [geïntimeerde] is dan aansprakelijk voor de schade, voor zover die toestand een gevolg is van aan [geïntimeerde] toe te rekenen onoordeelkundige verzorging en training van Jolita.

Op [appellant] rust de last te bewijzen dat Jolita is teruggegeven in een toestand die hij, gelet op alle bovenbedoelde omstandigheden, niet hoefde te verwachten. Indien komt vast te staan dat dat het geval is rust op [geïntimeerde] de bewijslast dat hem dat niet is toe te rekenen en dat hij als een redelijk bekwaam handelend verzorger en trainer met Jolita is omgegaan.

Het hof zal ter beantwoording hiervan (een) deskundige(n) benoemen met het verzoek de hieronder te formuleren vragen te beantwoorden. De deskundige(n) zal/zullen de vragen in beginsel kunnen beantwoorden aan de hand van de reeds beschikbare rapportages over Jolita (zie r.o. 4.2 sub c, g, i, j, k, l en als de deskundige(n) dat nuttig acht(en), de rapportages die dateren van na de sequestratie, vermeld in r.o. 4.2 sub m, n en p). Het hof sluit een onderzoek van Jolita echter niet uit, als de deskundige(n) dat noodzakelijk zou(den) achten.

Deskundigenonderzoek

4.7.4. Het hof verzoekt partijen te laten weten of zij benoeming van één, dan wel van drie deskundigen wensen, en namen te noemen van personen die als zodanig benoemd zouden kunnen worden. Het hof dringt er sterk bij partijen op aan dat zij onderling te rade gaan en een gezamenlijk voorstel dienaangaande aan het hof voorleggen.

4.7.5. Het hof stelt voor de deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen.

Partijen kunnen suggesties doen voor verder aan de deskundige(n) te stellen vragen.

1. Mocht [appellant] verwachten dat het paard Jolita, gezien de toestand van Jolita zoals die blijkt uit de rapportage van [dierenarts 1] d.d. 2 juni 1997 (prod. 26 bij cvd in reconventie) bij de aanvang van de stalling bij [geïntimeerde], in maart 2002 toen het paard vertrok bij [geïntimeerde], in een betere toestand verkeerde dan het feitelijk verkeerde, zoals blijkt uit de rapportages van [dierenarts 1] van 19/21 december 2001 (prod. 9 inleidende dagvaarding) en uit de brieven van [dierenarts 3] van 1 en 11 februari 2002 (prod. 11 en 12 inleidende dagvaarding)?

U kunt daarbij alle andere in het dossier aanwezige rapporten over het paard Jolita mede in aanmerking nemen ([dierenarts 2] 14 en 19 juni 2001; [dierenarts 4], 15 februari 2002; [dierenarts 5], 14 maart 2002; [dierenarts 1], 28 augustus 2002; [dierenarts 6], 14 oktober 2002; [dierenarts 7], 19 april 2004). Indien u dat noodzakelijk acht kunt u het paard, dat thans bij [appellant] op stal staat, ook feitelijk onderzoeken.

2. Indien u vraag 1 bevestigend beantwoordt, betreft dat dan de geschiktheid van Jolita voor de springsport of haar gezondheidstoestand in het algemeen of beide?

3a. Indien u vraag 1 bevestigend beantwoordt, wat is dan volgens u de oorzaak van die slechtere toestand? Is die te verklaren uit onvolkomenheden waarmee het paard vanaf juni 1997 behept was in combinatie met normale slijtage en veroudering, of is die toe te schrijven aan onoordeelkundige verzorging of training van het paard door [geïntimeerde] en/of aan nog andere oorzaken?

3b. Kunt u vaststellen of [geïntimeerde] Jolita op onverantwoorde- wijze - als haar gezondheidstoestand dat eigenlijk niet toeliet - heeft laten deelnemen aan concoursen? (vgl. punt 7 e.v. en 16 inleidende dagvaarding; cva/eis punt 20 t/m 24; cvr/a sub 25; cvd/r sub 44 en 49; mvgr sub 9-16; mva/inc.appel sub 16).

4. Wat is uw oordeel over de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] een verkeerd hoefbeslag heeft toegepast bij Jolita (cvr /a sub 37, prod. 23 bij cvr; cvd/r sub 41 en 43, 55-58; cvd in reconventie sub 6; mvgr sub 14 en 15 en 29; mva/inc.appel sub 21 en 22) en haar gebit onvoldoende heeft verzorgd (mvgr sub 31 en 55; mva/inc. appel sub 46)?

5. Hebt u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het nuttig acht dat het hof daarvan kennis neemt?

4.8. Voor de duidelijkheid resumeert het hof kort welke beslissingen zijn genomen en welke punten thans nog openstaan:

De vorderingen van [appellant] (zie petitum inleidende dagvaarding)

Van de vordering sub I is de verklaring voor recht toewijsbaar (met dien verstande dat de overeenkomst is geëindigd), de vordering tot afgifte van het paard aan [appellant] heeft de rechtbank terecht toegewezen.

De vordering sub II (buitengerechtelijke kosten) zal worden aangehouden.

Van de vordering sub III (proceskosten en kosten van beslag en sequestratie) zullen de kosten van beslag en sequestratie worden toegewezen, nu [geïntimeerde] ten onrechte heeft geweigerd het paard af te geven. De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden.

De in appel vermeerderde vordering tot betaling van E. 3.750,-- althans E. 42.750,-- zal worden afgewezen.

De in appel vermeerderde vordering tot betaling van E. 99.943,88 subsidiair E. 58.943,88 wordt aangehouden in afwachting van het deskundigenonderzoek.

De vordering tot terugbetaling van wat reeds is voldaan wordt aangehouden.

De vorderingen van [geïntimeerde]

De gevorderde verklaring voor recht sub 1 zal worden afgewezen.

De gevorderde verklaring voor recht sub 2 zal worden afgewezen omdat de constatering dat het straalbeen van het paard in 1997 rechtsvoor was ingedeeld in klasse 3 geen grondslag vindt in de processtukken.

De gevorderde verklaring voor recht sub 3 wordt afgewezen bij gebrek aan belang.

De primaire vordering sub 4 zal worden afgewezen, van de subsidiaire vordering zal een bedrag van E. 15.400,-- en een (aangepaste) verklaring voor recht worden toegewezen.

De vordering sub 5 zal worden afgewezen.

De vordering tot betaling van proceskosten, kosten van executoriaal beslag, nakosten en wettelijke rente daarover (6) wordt aangehouden.

De grieven

4.9. Van de grieven van [appellant] is de eerste grief behandeld, slaagt de tweede grief, en wordt de derde grief verworpen. De vierde grief (vermeerdering van eis) wordt aangehouden.

Van de grieven van [geïntimeerde] is eveneens de eerste grief behandeld, slaagt de tweede grief ten dele (namelijk voor wat betreft een bedrag van E. 15.400,-- voor kosten van stalling en verzorging en de verklaring voor recht), faalt grief 3 en wordt grief 4 aangehouden.

4.10. Het hof houdt voor het overige iedere uitspraak aan.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

stelt de stukken weer in handen van partijen voor het nemen van een akte - eerst door [appellant], daarna door [geïntimeerde] - teneinde zich uit te laten over r.o. 4.7.4 en 4.7.5 en verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 9 mei 2006;

houdt voor het overige iedere uitspraak aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken en Huijbers-Koopman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 11 april 2006.