Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW9490

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
09-05-2006
Zaaknummer
C9900194
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BB7650, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BB7650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De voormelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat [appellante] bij gelegenheid van de verdeling in 1989 opzettelijk onjuist of onvolledig door [persoon 1] is geïnformeerd omtrent de waarde van de B.V..

Tegen dit vermoeden is tegenbewijs toegestaan. [geïntimeerde] heeft aangeboden haar stellingen dat [appellante] op de hoogte was van de financiële situatie van de B.V. en er bewust voor heeft gekozen afstand te doen van haar aandeel in de B.V. ten behoeve van [persoon 1], te bewijzen en het hof zal haar in de gelegenheid stellen dat bewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. C9900194/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 18 april 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. J.E. Lenglet,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 27 januari 2004 en 27 juli 2004 in het hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht onder nummer 28514/HA ZA 97-109 gewezen vonnis van 22 oktober 1998.

5. Het tussenarrest van 27 januari 2004

Bij genoemd arrest is een deskundigenbericht gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

De door het hof benoemde deskundige heeft een deskundigenrapport opgemaakt. Het rapport, gedateerd 20 september 2005 met bijlagen bevindt zich bij de stukken die aan het hof zijn overgelegd.

[appellante] heeft een memorie na deskundigenbericht genomen en [geïntimeerde] een memorie van antwoord na deskundigenbericht.

Partijen hebben vervolgens de stukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De verdere beoordeling

7.1. De door het hof in het tussenarrest van 27 juli 2004 benoemde deskundige diende in het bijzonder de volgende vragen te beantwoorden:

a. Valt uit de thans nog aanwezige administratie af te leiden wat (bij benadering) de (intrinsieke) waarde per 20 februari 1989 was van de besloten vennootschap [B.V.] te [plaats] En zo ja: wat was (bij benadering) die waarde op dat tijdstip?

b. Valt uit de thans nog aanwezige administratie af te leiden of op 20 februari 1989 vermogensbestanddelen tot de huwelijksgemeenschap van [appellante] en [persoon 1] hoorden die niet in de verdeling zijn betrokken? Zo ja: welke vermogensbestanddelen zijn dat en wat is (bij benadering) de waarde daarvan?

7.2. Met betrekking tot vraag b) heeft de deskundige in zijn rapport vermeld dat in de verdelingsakte d.d. 6 september 1990 de aandelen van de besloten vennootschap [B.V.] (hierna: de B.V.) en het bouwperceel aan [adres] niet in de verdeling zijn betrokken.

[appellante] trekt hieruit in haar memorie na deskundigenbericht de conclusie dat deze vermogensbestanddelen alsnog verdeeld zouden moeten worden.

7.3. Het hof verwerpt dit standpunt. In de akte huwelijkse voorwaarden d.d. 20 februari 1989 zijn de aandelen van de B.V. en het bouwperceel alsmede de hypothecaire schuld bij de Rabobank ad f. 100.000,- volledig aan [persoon 1] toebedeeld. De overige activa en passiva zijn onverdeeld gebleven en dienden om die reden (voorzover nog aanwezig) op 6 september 1990, dus na echtscheiding, alsnog verdeeld te worden. Dit gold uiteraard niet voor de aandelen in de B.V. en het bouwperceel.

7.4. Het hof concludeert uit het deskundigenbericht dat niet gebleken is van vermogensbestanddelen die door [persoon 1] buiten de verdeling zouden zijn gehouden.

7.5. Evenmin kan aan het deskundigenbericht een onderbouwing worden ontleend voor de stelling van [appellante] dat binnen het [concern] waar [persoon 1] tijdens het huwelijk met [appellante] werkzaam was, afspraken zijn gemaakt over aandelentransacties en onroerendzaaktransacties, die feitelijk pas zijn uitgevoerd na het huwelijk (zie r.o. 4.10 van het tussenarrest d.d. 27 januari 2004).

Nu ook overigens dor [appellante] geen feiten en omstandigheden ter onderbouwing zijn aangevoerd, dient deze stelling te worden verworpen.

7.6. Resteert de stelling van [appellante] dat [persoon 1] haar heeft misleid op het punt van de waarde van de B.V..

In dit verband is van belang hetgeen de deskundige omtrent de waarde van de B.V. heeft gerapporteerd.

De deskundige heeft de volgende berekening gemaakt:

- intrinsieke waarde per 20 februari 1989: f. 187.578,-

- meerwaarde minderheidsdeelnemingen: f. 621.000,-

- meerwaarde maatschapsaandeel [B.V. 2]/

[B.V.] (netto): f. 585.564,-

Waarde aandelen B.V. per 20-2-1989 f.1.394.142,-

7.7. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de berekening van de meerwaarde van het maatschapsaandeel. Zij voert aan dat de verkoop van het maatschapsaandeel ongeveer een jaar na de peildatum 20 februari 1989 heeft plaatsgevonden.

Dit bezwaar wordt door het hof verworpen. [geïntimeerde] gaat er kennelijk van uit dat het maatschapsaandeel in 1989 lager dient te worden gewaardeerd dan in 1990, maar dat standpunt heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd.

7.8. [geïntimeerde] heeft ook bezwaar gemaakt tegen de waardering van de minderheidsdeelnemingen. Dat bezwaar acht het hof gegrond. In het kader van de onderhavige procedure dienen feiten en omstandigheden die ten tijde van de verdeling op 20 februari 1989 onbekend waren, buiten beschouwing te worden gelaten. De winstgevendheid van de minderheidsdeelnemingen in 1989 en de dividenduitkeringen vanaf 1990 moeten als zodanige feiten en omstandigheden worden aangemerkt.

Blijkens de bij het deskundigenrapport gevoegde jaarrekening 1988 bedroeg de meerwaarde van de minderheidsdeelnemingen per 31 december 1988 f. 479.644,- (f. 539.644,- minus f. 60.000,-). Het hof zal voor de waardering van dit bedrag uitgaan.

Het voorgaande betekent dat de waarde van de aandelen van de B.V. per 20 februari 1989 kan worden geschat op f. 1.252.787,-.

7.9. Naar het oordeel van het hof heeft [persoon 1] jegens [appellante] onrechtmatig gehandeld indien hij, met het oog op het maken van de huwelijkse voorwaarden en de daarmee samenhangende verdeling van de gemeenschap op 20 februari 1989, opzettelijke onjuiste informatie aan [appellante] heeft verschaft dan wel opzettelijk informatie over de waarde van de B.V. aan [appellante] heeft onthouden.

In dit verband acht het hof van belang dat de waarde van de B.V. een veelvoud bedraagt van de waarde van de vermogensbestanddelen waarin [appellante] wél heeft meegedeeld ([appellante] heeft onweersproken gesteld dat de waarde van die overige vermogensbestanddelen circa f. 400.000,- bedroeg). Zonder een redelijke uitleg - die ontbreekt - is het onverklaarbaar waarom [appellante] ervoor zou hebben gekozen afstand te doen van haar aandeel in een dergelijk omvangrijk vermogensbestanddeel.

Van belang is voorts dat de zakelijke activiteiten, betrekking hebbend op de B.V., werden verricht door [persoon 1] en niet (mede) door [appellante] en tevens dat de waarde van de B.V. niet zonder meer valt af te leiden uit de jaarstukken, hetgeen betekent dat [appellante] voor wat betreft de informatievoorziening terzake van de waarde van de B.V. afhankelijk was van [persoon 1].

Tenslotte acht het hof van belang dat de akte huwelijkse voorwaarden dateert van 20 februari 1989 en dat [persoon 1] korte tijd daarna is gaan aandringen op echtscheiding; het gemeenschappelijk verzoek echtscheiding is op 15 januari 1990 bij de rechtbank ingediend.

7.10 De voormelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat [appellante] bij gelegenheid van de verdeling in 1989 opzettelijk onjuist of onvolledig door [persoon 1] is geïnformeerd omtrent de waarde van de B.V..

Tegen dit vermoeden is tegenbewijs toegestaan. [geïntimeerde] heeft aangeboden haar stellingen dat [appellante] op de hoogte was van de financiële situatie van de B.V. en er bewust voor heeft gekozen afstand te doen van haar aandeel in de B.V. ten behoeve van [persoon 1], te bewijzen en het hof zal haar in de gelegenheid stellen dat bewijs te leveren.

7.11. Indien [geïntimeerde] niet slaagt in haar bewijsopdracht, is de (subsidiaire) vordering van [appellante] in beginsel toewijsbaar.

Zij heeft schadevergoeding gevorderd "nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet". Het hof is voornemens, teneinde partijen een nieuwe procedure te besparen, in dat geval zelf de schade te begroten, zulks met toepassing van artikel 612 Rv. Partijen kunnen zich hierover na de fase van de bewijslevering uitlaten.

7.12. Op grond van het bovenstaande wordt thans als volgt beslist.

8. De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat [appellante] op de hoogte was van de financiële situatie van de B.V. en er bewust voor heeft gekozen afstand te doen van haar aandeel in de B.V. ten behoeve van [persoon 1];

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 mei 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op woensdagen en vrijdagen in de maanden augustus, september en oktober 2006;

bepaalt dat de procureur van [appellante] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 april 2006.