Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4334

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
C0300389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen in deze zaak zijn buren. Zij bewonen ieder een gedeelte van een zogenaamde carréboerderij en hebben een geschil over een strook grond die langs een van de muren van de binnenplaats loopt, alsmede over de ramen die in de muren boven die strook zitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0300389/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 4 april 2006,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

2. [APPELLANTE SUB 2],

echtelieden, beiden wonende te [plaats],

appellanten,

procureur: mr. M.J.C. Zuurbier,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1] ,

wonende te [plaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats],

in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers onder

algemene titel van [persoon 1],

gewoond hebbende te [plaats],

overleden op 16 juni 2004,

geïntimeerden,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 25 februari 2003 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 5 december 2002 tussen appellanten - hierna in enkelvoud: [naam] - als gedaagden in conventie eisers in reconventie, en de rechtsvoorganger van geïntimeerden - hierna in enkelvoud: [naam] - als eiser in conventie gedaagde in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 45537/ HA ZA 9993)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant], onder overlegging van producties, elf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide procedures.

2.2. [geïntimeerde] heeft vervolgens, onder overlegging van een productie, de schorsing van het geding aangezegd op grond van het bepaalde in art. 225 lid 1 onder a Rv. [appellant] heeft vervolgens een akte tot hervatting van het geding op basis van art. 227 Rv genomen, waarop [geïntimeerde] een antwoordakte heeft genomen.

2.3. Na hervatting van het geding heeft [geïntimeerde], onder overlegging van producties, een memorie van antwoord genomen.

2.4. [appellant] heeft ter griffie een set originele tekeningen gedeponeerd, van welk depot door de griffier akte is opgemaakt.

2.5. Partijen hebben vervolgens schriftelijk gepleit, onder overlegging van hun pleitnota's welke tevens een reactie op de pleitnota van de wederpartij bevatten. Beide partijen hebben aan hun pleitnota producties gehecht.

2.6. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. In overweging 2.1 tot en met 2.7. van het beroepen vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet door [appellant] betwist, en vormen in hoger beroep voorshands eveneens het uitgangspunt.

4.1.2. In zijn memorie van antwoord klaagt [geïntimeerde] - in weerwil van zijn eigen constatering dat hij geen incidenteel appel wenst in te stellen, tegen sommige feitenvaststellingen door de rechtbank. Vooralsnog gaat het hof aan deze (mogelijke) impliciete incidentele grief voorbij, in afwachting van de uitkomst van de in r.o. 4.5.4. en 4.5.5. aan [appellant] te geven bewijsopdrachten.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep, zeer kort samengevat, nog om het volgende.

4.2.1. [appellant] en [geïntimeerde] zijn buren. Zij bewonen ieder een gedeelte van een zogenaamde carréboerderij en hebben een geschil over een strook grond die langs een van de muren van de binnenplaats loopt, alsmede over de ramen die in de muren boven die strook zitten.

De carréboerderij in kwestie is in 1884 in vier gedeeltes opgesplitst, met vier verschillende eigenaren. Thans zijn slechts van belang Lot A, dat in 1967 aan [persoon 1] is geleverd, en dat hij - met uitzondering van de strook grond waar het in deze procedure om gaat - aan zijn dochter, geïntimeerde sub 2, [geïntimeerde sub 2], heeft overgedragen en Lot B, waarvan [appellant] sinds 1997 eigenaar is.

Langs een van de muren loopt een strook grond van ongeveer een meter breed, waarvan [geïntimeerde] stelt dat deze sinds 1884 bij Lot A behoort en dus nu van hem is, terwijl [appellant] stelt dat deze strook (thans) aan hem toebehoort. Voorts heeft [geïntimeerde] ramen in een van de muren, waartegen [appellant] zich verzet. [geïntimeerde] stelt een erfdienstbaarheid te hebben tot het mogen houden van die ramen. In eerste aanleg waren er nog meer geschilpunten die partijen verdeeld hielden, doch deze doen in appel niet meer ter zake.

4.2.2. De rechtbank heeft - voor zover thans dus nog van belang - in conventie voor recht verklaard dat [geïntimeerde] een erfdienstbaarheid heeft verkregen tot het hebben en houden van twee ondoorzichtige en niet te openen ramen in de gevel van zijn gebouwen in de richting van het erf van [appellant], alsmede voor recht verklaard dat [geïntimeerde] eigenaar is van de litigieuze strook grond en dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door deze strook in gebruik te nemen c.q. zich toe te eigenen. [appellant] werd, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld de strook te ontruimen op straffe van een dwangsom. Voor het overige zijn de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen, evenals de reconventionele vorderingen van [appellant].

Tegen dit oordeel zijn de grieven van [appellant] gericht.

4.3.1. Het hof zal allereerst grief 7 bespreken. Deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] geen aanvullend bewijs meer mocht leveren over zijn stellingen met betrekking tot verjaring.

In eerste aanleg is op verzoek van [geïntimeerde] een voorlopig getuigenverhoor gehouden. Dit verhoor is gehouden in het kader van het bewijs - dat [geïntimeerde] meende te zullen moeten leveren - van de stelling van [geïntimeerde] dat hij sinds 1 maart 1967 eigenaar is van (kort gezegd) een L-vormig stuk grond dat langs zijn muren op de binnenplaats ligt, alsmede van de stelling van [geïntimeerde] dat hij [appellant], voordat deze eigenaar werd van zijn deel van het perceel, er reeds op heeft gewezen dat het L-vormige stuk van [geïntimeerde] was. In dit zeer brede verband zijn in enquête en in contra-enquête getuigen gehoord.

4.3.2. Thans stelt [appellant] subsidiair, voor zover van belang, dat hij door verjaring eigenaar is geworden van het L-vormige stuk, en klaagt hij erover dat de rechtbank hem niet in de gelegenheid heeft gesteld hieromtrent aanvullend bewijs te leveren. In eerste aanleg heeft [appellant] geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat de rechtbank naar 's hofs oordeel mocht beslissen zoals zij heeft gedaan zonder [appellant] nog eigener beweging in de gelegenheid te stellen zijn stellingen nader te bewijzen. Bij dit oordeel neemt het hof mede in aanmerking dat ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor uitvoerig aandacht is besteed - zowel in enquête als in contra-enquête - aan feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beslissing van het door [appellant] gedane beroep op verjaring.

Het is ook niet zo, zoals [appellant] stelt, dat [geïntimeerde], omdat hij het voorlopig getuigenverhoor heeft geëntameerd, daarmee de bewijslast van zijn stellingen op zich nam. De bewijslast is door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd, en zal door het hof in hoger beroep worden opgelegd, conform de hoofdregel van art. 150 Rv.

4.3.3. In hoger beroep heeft [appellant], op wie krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv de last rust om te bewijzen dat hij door verjaring eigenaar is geworden van het L-vormige stuk, bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Nu in eerste aanleg in het kader van de voorlopige getuigenverhoren getuigen zijn gehoord over een ruim scala van onderwerpen, het onderhavige geschil betreffende, zal de eis dat het bewijsaanbod van [appellant] voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, meebrengen dat door [appellant] nader moet worden aangegeven in hoeverre deze zelfde getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [appellant] heeft hieromtrent niets gesteld. Evenmin heeft hij gesteld dat er buiten de reeds gehoorde getuigen nog andere getuigen zijn die omtrent de verjaring zouden kunnen verklaren. Gegeven de stand van het geding en het reeds in een zeer breed kader gepresenteerde bewijsmateriaal, had dit alles naar 's hofs oordeel, mede in verband met de goede procesorde, wel van [appellant] verwacht mogen worden.

4.3.4. Grief 7 faalt en het hof zal het onvoldoende gespecificeerde bewijsaanbod van [appellant] passeren.

4.4.1. De grieven 1 tot en met 6 en 10 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de eigendom van de strook grond. Grief 8 en 9 handelen over de waardering door de rechtbank van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [geïntimeerde]. Het hof zal deze grieven tezamen bespreken en oordeelt hieromtrent als volgt.

4.4.2. De instrumenterende notaris heeft in 1884 zeer uitvoerig in de akte omschreven wie welke zaken kreeg toebedeeld. Van belang is naar het oordeel van het hof de systematiek van de akte, in die zin dat de notaris is begonnen met de omschrijving van Lot A, en eerst daarna Lot B heeft omschreven. Het gaat thans om de navolgende passages:

"Lot A bestaande uit de volgende goederen (..) een deel der gebouwen en goederen (..) bestaande in de kamer en twee kleine kamertjes daarachter met de zijstallen daarachter gelegen langs den tuin als stookhuis, koestal, met een meter oppervlakte langs deze gebouwen naar de zijde van den mesthof van Lot B, voorts een deel der schuur tot aan den dorschvloer (..)"

en

"Lot B bestaande uit de volgende goederen (..) Het overig deel der gebouwen en goederen (..) bestaande in den ingang, de keuken en kamertje daarnaast, de opvaartpoort, paardenstal, schop, varkensstal en een deel der schuur met den dorschvloer, de geheele mestplaats en een gedeelte uit den hieraangelegen boomgaard (..)".

4.4.3. Het geschil gaat in de kern om het feit dat de hierboven cursief weergegeven passages uit de omschrijvingen van Lot A en Lot B niet samen kunnen gaan. Partijen hebben in de processtukken uitvoerig gesproken over de uitleg van de in de akte gebezigde woorden "mesthof" en "mestplaats", en over de vraag waarom de notaris zijn omschrijving is begonnen met Lot A en niet met Lot B.

Het hof zal bij de beoordeling uitgaan van het gegeven dat gezien de volgorde van de omschrijvingen, de hoofdomschrijving van de percelen en de daarbijbehorende zaken, zoals door de notaris gegeven, die van Lot A is, en dat de omschrijving van Lot B daaraan is aangepast, in de vorm van de toescheiding van het "overig deel". Hieruit vloeit voort dat de onzorgvuldigheid van de formulering veeleer gezocht moet worden in de omschrijving van Lot B dan in die van Lot A. Geen enkele aanwijzing is in de akte, of elders, te vinden dat de notaris destijds iets anders heeft bedoeld met "mestplaats" dan met "mesthof". Hetgeen partijen hieromtrent stellen, is naar 's hofs oordeel vooral speculatief van aard.

Dit betekent dat toentertijd aan Lot B dus niet de gehele mesthof/mestplaats is toegescheiden, maar dat aan Lot B is toegescheiden alles, behalve datgene wat reeds aan Lot A was toegescheiden, en aan Lot A was reeds toegescheiden een meter oppervlakte langs de daarvoor opgesomde gebouwen.

4.4.4. Vervolgens rijst dan direct de vraag of die "meter oppervlakte langs de gebouwen" de vorm heeft van een "I", zoals [appellant] subsidiair heeft gesteld of van een "L" (zoals [geïntimeerde] stelt).

Naar 's hofs oordeel dient het antwoord op deze vraag (ook) gezocht te worden in de bewoordingen van de notariële akte. Volgens de gebezigde omschrijving ligt die meter oppervlakte langs de kamer, de twee kleine kamertjes daarachter en de koestal. Partijen zijn het er wel over eens, blijkens de door hen overgelegde tekeningen, die alle wel enigszins verschillen, doch niet op dit punt, dat deze ruimten in een rechte lijn liggen. Dat betekent dat er sprake is van een I-vormig stuk. De akte wijst daar ook op, nu het deel van de schuur tot aan de dorsvloer naar 's hofs oordeel vervolgens wordt vermeld als opsomming van datgene wat aan Lot A wordt toegescheiden, en niet als opsomming van de plaats waar de meter oppervlakte langs loopt.

4.4.5. Dit alles brengt het hof tot de tussenconclusie dat [geïntimeerde] in 1967 door levering eigenaar is geworden van een I-vormig stuk.

4.4.6. Met betrekking tot het zijpootje van de L (het stukje langs de schuur) heeft [geïntimeerde] sinds 1 maart 1967 gedacht eigenaar te zijn, immers hij meende dat dit stukje ook aan hem was geleverd, zo blijkt uit al hetgeen in deze procedure is gesteld. Mogelijk is dat ook de rechtsvoorganger van [geïntimeerde], [naam]], reeds meende eigenaar te zijn geweest van het kleine zijpootje van de L. Uit de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen blijkt naar 's hofs oordeel in ieder geval dat [geïntimeerde] zich volgens zijn eigen verklaring, en ook volgens de verklaring van de rechtsvoorgangster van [appellant], [naam] die sinds 1976 eigenares was van het perceel dat zij in 1997 aan [appellant] heeft geleverd en die voorheen steeds aldaar heeft gewoond, altijd als eigenaar van het kleine zijpootje van de L heeft gedragen. Indien [geïntimeerde] zich zou hebben beroepen op verkrijgende verjaring zou art. 3:105 lid 1 jo art. 3:306 BW jo art. 73 OW hebben kunnen meebrengen dat hij eigenaar zou zijn geworden van het kleine zijpootje op 1 januari 1993.

4.4.7. [geïntimeerde] heeft echter geen beroep gedaan op verkrijgende verjaring door hem op 1 januari 1993 van het kleine zijpootje van de L, en het hof kan hieromtrent niet ambtshalve oordelen. [appellant] heeft wel een beroep gedaan op verkrijgende verjaring van de hele L. Naar 's hofs oordeel gaat dit beroep niet op, nu blijkens haar eigen getuigenverklaring Mw. Augustus er van overtuigd was dat zij in 1976 geen eigenares was geworden van de L. Er is dus geen verjaring begonnen te lopen in 1976, doch hooguit in 1997. Hieromtrent heeft de rechtbank geheel juist geoordeeld dat er geen lopende verjaring was, die bij de door [appellant] begonnen verjaring kon worden opgeteld. Ten aanzien van het kleine zijpootje van de L heeft echter te gelden, dat nu [geïntimeerde] geen beroep heeft gedaan op verkrijgende verjaring sinds 1993, en het hof hiervoor heeft geoordeeld dat in 1884 aan Lot A slechts een I-vormig stuk is toegescheiden, [appellant] dus in 1997 eigenaar is geworden van het kleine zijpootje van de L op de wijze als voorzien in art. 3:84 jo art. 3:89 BW.

4.4.8. Hetgeen [appellant] verder nog te berde heeft gebracht ter staving van zijn stelling dat hij eigenaar is geworden van de gehele L, vermag het hof niet te overtuigen. Het hof kan zich, zoals reeds uit het vorenstaande blijkt, geheel verstaan in de waardering van de rechtbank van de afgelegde getuigenverklaringen en maakt deze tot de zijne.

4.4.9. De grieven 1 tot en met 6 en 8 tot en met 10 falen derhalve, doch slechts voorzover zij betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank over het I-vormige stuk grond. Voor zover zij zien op het kleine zijpootje van de L, slagen zij.

4.5.1. Grief 11 ziet op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gestelde erfdienstbaarheid van [geïntimeerde] tot het hebben en houden van twee ondoorzichtige niet te openen ramen in de gevel van zijn gebouw in de richting van het erf van [appellant].

4.5.2. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de ramen in kwestie er al waren in 1977. Voorts heeft de rechtbank aangenomen dat de ramen niet open kunnen. [appellant] bestrijdt beide oordelen en biedt bewijs aan van het tegendeel.

4.5.3. Art. 5:50 BW bepaalt dat het niet is toegestaan om zonder toestemming van de buren binnen twee meter van de erfafscheiding doorzichtige ramen te hebben. Een dergelijke toestemming moet zijn ingeschreven in de openbare registers om werking te kunnen hebben tegen latere verkrijgers (art. 3:17 sub a jo art. 3:24 BW). Nu gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval een toestemming, gegeven aan [geïntimeerde] door de rechtsvoorganger van [appellant], in de registers is ingeschreven, behoeft de stelling van [geïntimeerde] dat hij toestemming had verkregen niet verder onderzocht te worden.

4.5.4. De ratio van art. 5:50 lid 1 BW is gelegen in de bescherming van de visuele privacy, reden waarom art. 5:51 BW bepaalt dat ondoorzichtige, vaste ramen wel zijn toegestaan. Naar 's hofs oordeel moet bij de uitleg van art. 5:40 lid 1 jo art. 5:51 steeds die ratio voor ogen worden gehouden, reden waarom het hof van oordeel is dat wanneer het gaat om ramen die open kunnen om frisse lucht binnen te laten, zonder dat er dan sprake is van uitzicht, wel zijn toegestaan.

[appellant] biedt zoals gezegd aan te bewijzen dat de ramen wel open kunnen. [appellant] zal tot dit bewijs worden toegelaten, met dien verstande, dat het gaat om het open kunnen van de ramen op zodanige wijze, dat er sprake is van inbreuk op de visuele privacy van [appellant].

4.5.5. Slechts wanneer [appellant] in dit bewijs slaagt, komt de vraag naar het bestaan van een erfdienstbaarheid aan de orde. [appellant] heeft de vordering tot het verbod van het hebben van genoemde ramen ingesteld bij eis in reconventie op 15 april 1999. Terugrekenend betekent dit dat [geïntimeerde] slechts door verjaring een erfdienstbaarheid van het hebben en houden van genoemde ramen kan hebben verkregen indien de ramen zijn geplaatst voor 15 april 1979 (vgl. art. 3:105 jo art. 3:306 jo art. 73 OW bezien in samenhang met art. 3:108 BW).

[appellant] biedt aan te bewijzen dat de ramen in kwestie eerst na maart 1980 zijn geplaatst. Hij zal, om redenen van proceseconomie, reeds thans tot het bewijs worden toegelaten, dat deze ramen zijn geplaatst na 15 april 1979, nu dit de aanvangsdatum is, van belang is voor de beoordeling van het beroep op verkrijgende verjaring van de erfdienstbaarheid.

4.5.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen

- dat de ramen in de gevel van het gebouw van [geïntimeerde] welke uitzien in de richting van het erf van [appellant] geopend kunnen worden op zodanige wijze, dat daardoor inbreuk wordt gemaakt op de visuele privacy van [appellant];

- dat deze ramen in de muur zijn geplaatst na 15 april 1979;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.G. Fikkers als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 april 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen, donderdagen en vrijdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [appellant] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Feith, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 4 april 2006.