Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4284

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
C0400685
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt dat voor aansprakelijkheid uit een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW naast onder meer onrechtmatigheid ook toerekenbaarheid is vereist. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval met de gepleegde mishandeling op voorhand aannemelijk is dat [geïntimeerde] als pleger daaraan ook schuld heeft. Het hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] het bestaan van schuld onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele verwijzing naar de voorvermelde getuigenverklaringen van "[getuige 1]" en [getuige 2] volstaat niet, nu (zoals het hof hiervoor onder 4.3.3 reeds heeft overwogen) het strafdossier daarnaast meerdere getuigenverklaringen bevat die de aanloop tot en het aandeel van [geïntimeerde] in het ontstane handgemeen in een ander licht stellen. Nu [geïntimeerde] zijn betwisting van het bestaan van schuld onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, is er geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering. Het hof zal het oordeel van de rechtbank dat de onrechtmatige daad aan [geïntimeerde] is toe te rekenen, in stand laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. C0400685/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 21 maart 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 21 april 2004,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. M.J.P.M. van de Westerlo,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond op 28 januari 2004 onder nummer 55934/HA ZA 03-425 gewezen vonnis in verzet tussen principaal appellant - [appellant] - als geopposeerde en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als oppossant.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij voormeld exploot tijdig in appel gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven aangevoerd en geconcludeerd - onder vermeerdering en vermindering van zijn eis zoals in het petitum van de appeldagvaarding vermeld - dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen aan hem te betalen:

1) een som ad E. 618,78 althans ad E. 391,89 ter zake geleden materiële schade, met wettelijke rente vanaf 25 juni 2000,

2) een som ad E. 962,41 terzake de kosten van medisch adviseur [medisch adviseur],

3) een som ad E. 29.092,44 ter zake smartengeld, met wettelijke rente vanaf 25 juni 2000,

met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat de rechtbank het tussenarrest van 28 januari 2004 zal vernietigen voor wat betreft het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] jegens [appellant] een onrechtmatige daad heeft begaan, en de vordering van [appellant] op deze grond zal af wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

[appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven in het principaal en het incidenteel appel.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1 De rechtbank heeft in onderdeel 2 van het beroepen vonnis vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1 Bij vonnis van 18 januari 2001 van de politierechter in de rechtbank

's-Hertogenbosch is [geïntimeerde] bij verstek veroordeeld voor mishandeling van [appellant], gepleegd op [datum] te [plaats]. Naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de politierechter bij genoemd vonnis [geïntimeerde] opgelegd aan [appellant] te voldoen een bedrag van ƒ 2.176,-- bestaande uit ƒ 176,-- aan reiskosten en ƒ 2.000,-- als voorschot op vergoeding van immateriële schade. [geïntimeerde] heeft het bedrag van in totaal ƒ 2.176,-- aan [appellant] voldaan.

4.2.2 Als gevolg van voormelde mishandeling is [appellant] van [datum] tot [datum, vijf dagen vanaf eerdere datum] in het [ziekenhuis] opgenomen geweest.

4.2.3 [appellant] heeft [geïntimeerde] bij dagvaarding van 12 maart 2003 - onder intrekking van de dagvaarding van 27 februari 2003 - in rechte betrokken voor de rechtbank Roermond en gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van de door hem, [appellant], tengevolge van de mishandeling geleden materiële schade ad in totaal E. 1.914,90 met wettelijke rente, en immateriële schade ad E. 29.092,44 met wettelijke rente, alsmede vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad E. 1.330,60 met wettelijke rente.

4.2.4 Nadat [geïntimeerde] op de eerstdienende dag niet in rechte was verschenen en tegen hem verstek was verleend, heeft de rechtbank bij vonnis van 16 april 2003 de vordering van [appellant], met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, toegewezen.

4.2.5 [geïntimeerde] is van dit vonnis in verzet gekomen, en heeft gevorderd dat de rechtbank hem van de tegen hem uitgesproken veroordeling zal ontheffen en de vordering van [appellant] alsnog zal afwijzen.

4.2.6 Bij het beroepen vonnis van 28 januari 2004 heeft de rechtbank geoordeeld dat vaststaat dat [geïntimeerde] op 25 juni 2000 [appellant] heeft mishandeld door hem een of meerdere klappen te geven, waardoor [appellant] steil achterover op zijn achterhoofd is gevallen, en dat [geïntimeerde] aldus onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, hetgeen aan hem toe te rekenen is, en bijgevolg in beginsel de schade die [appellant] daardoor heeft geleden dient te vergoeden. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] ten aanzien van de door hem als gevolg van die onrechtmatige daad gesteld geleden schade niet voldoende heeft gesteld, zodat de stellingen de vordering niet kunnen dragen. De rechtbank heeft [geïntimeerde] ontheven van de veroordeling zoals tegen hem bij het verstekvonnis uitgesproken, met ontzegging van de vorderingen van [appellant].

Tegen dit oordeel zijn de grieven in het principaal en het incidenteel appel gericht.

4.3 Het hof zal eerst ingaan op de grieven in het incidenteel appel, nu deze grieven de verste strekking hebben. De grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] door het mishandelen van [appellant] op 25 juni 2000 een onrechtmatige daad jegens [appellant] heeft begaan, dat deze onrechtmatige daad aan [geïntimeerde] is toe te rekenen, en dat causaal verband met het door [appellant] opgelopen letsel bestaat.

4.3.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.2.2. van het beroepen vonnis overwogen dat uit het strafdossier zoals door [geïntimeerde] bij conclusie van repliek overgelegd, blijkt dat [geïntimeerde] zelf tegenover de politie heeft verklaard dat hij [appellant] met een tot vuist gebalde vuist heeft geslagen, en dat er daarnaast vier getuigen zijn die verklaren dat zij [geïntimeerde] ten minste een maal [appellant] hebben zien slaan. De rechtbank heeft geoordeeld, dat gegeven deze verklaringen, [geïntimeerde] niet heeft kunnen volstaan met de stelling dat hij [appellant] alleen heeft geduwd, en dat bij gebreke van voldoende gemotiveerde onderbouwing van die stelling, vaststaat dat [geïntimeerde] [appellant] heeft mishandeld door hem een of meerdere klappen te geven, waardoor deze steil achterover op zijn achterhoofd is gevallen. Het hof verenigt zich met dit oordeel. Het hof stelt voorts vast dat [geïntimeerde] in appel zijn stelling dat hij [appellant] alleen heeft geduwd, klaarblijkelijk heeft laten varen, nu hij in de toelichting op de eerste grief stelt dat hij heeft gehandeld zoals hij bij de politie heeft verklaard, en dat hij met gebalde vuist een klap tegen de linker zijde van de hals/kaak van [appellant] heeft gegeven.

4.3.2 Uitgangspunt in rechte is derhalve de mishandeling van [appellant] door [geïntimeerde] zoals door de rechtbank vastgesteld. Door die mishandeling heeft [geïntimeerde] inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [appellant], hetgeen tot het voorlopig oordeel leidt dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

4.3.3 [geïntimeerde] heeft ten verwere aangevoerd dat hij op de bewuste avond van 25 juni 2000 door [appellant] in het nauw was gedreven en dat hij ter eigen onmiddellijke verdediging heeft gehandeld, zodat er sprake was van noodweer, waarmee de onrechtmatigheid aan zijn gedragingen komt te ontvallen.

Het hof is van oordeel dat het beroep op noodweer niet kan slagen. [geïntimeerde] heeft zich ter onderbouwing beroepen op de door hem afgelegde verklaring voor de politie op 21 augustus 2000 (productie 4 bij memorie van grieven), waarin hij heeft verklaard: "Op dat moment bracht ik mijn voorhoofd tegen zijn ([appellant]', hof) borst. Ik deed dit om te voorkomen dat hij mij in mijn gezicht/tegen mijn hoofd zou slaan. Ik sloeg toen met mijn rechter hand tegen de linker zijde van de hals/kaak van die man.". [geïntimeerde] wijst er op dat ook uit de getuigenverklaringen van de anonieme getuige "[getuige 1]" en [getuige 2] (producties 6 en 7 memorie van grieven) blijkt dat [geïntimeerde] door [appellant] achtervolgd en in het nauw gedreven is. [geïntimeerde] klaagt dat de rechtbank de omstandigheid dat [geïntimeerde] door [appellant] in het nauw gedreven is en ten gevolge daarvan heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan, ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken.

Het hof overweegt dat tegenover de geciteerde verklaring van [geïntimeerde] en de aangehaalde twee getuigenverklaringen, zich verklaringen van andere getuigen in het overgelegde strafdossier bevinden, waarin de lezing van [geïntimeerde] geen bevestiging vindt. [appellant] heeft zich bij memorie van antwoord in incidenteel appel, ter betwisting van het beroep op noodweer, uitdrukkelijk beroepen op een vijftal geciteerde verklaringen (van [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]), in welke verklaringen de aanloop tot en het aandeel van [geïntimeerde] in het ontstane handgemeen op 25 juni 2000 in een ander licht wordt gesteld. Voorts acht het hof onvoldoende aannemelijk, indien er veronderstellenderwijs van uit zou worden gegaan dat [appellant] aanvankelijk de confrontatie heeft gezocht, dat [geïntimeerde] zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken door zich eenvoudigweg uit de voeten te maken, te meer waar [geïntimeerde] heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat [appellant] stomdronken was.

Naar 's hofs oordeel mist de door [geïntimeerde] betrokken stelling, bij gemotiveerde betwisting door [appellant], voldoende feitelijke onderbouwing om daarvan in rechte te kunnen uitgaan. Nu [geïntimeerde] voorts op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan - het algemeen geformuleerde bewijsaanbod onder nr. 26 van de memorie van grieven in incidenteel appel is daarvoor onvoldoende - zal het hof het beroep op noodweer verwerpen.

Nu het beroep op noodweer niet slaagt, staat de onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde] in rechte vast.

4.3.4 [geïntimeerde] heeft zich in de toelichting op de grieven op het ontbreken van toerekenbaarheid beroepen.

Het hof overweegt dat voor aansprakelijkheid uit een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW naast onder meer onrechtmatigheid ook toerekenbaarheid is vereist. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval met de gepleegde mishandeling op voorhand aannemelijk is dat [geïntimeerde] als pleger daaraan ook schuld heeft. Het hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] het bestaan van schuld onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele verwijzing naar de voorvermelde getuigenverklaringen van "[getuige 1]" en [getuige 2] volstaat niet, nu (zoals het hof hiervoor onder 4.3.3 reeds heeft overwogen) het strafdossier daarnaast meerdere getuigenverklaringen bevat die de aanloop tot en het aandeel van [geïntimeerde] in het ontstane handgemeen in een ander licht stellen. Nu [geïntimeerde] zijn betwisting van het bestaan van schuld onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, is er geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering. Het hof zal het oordeel van de rechtbank dat de onrechtmatige daad aan [geïntimeerde] is toe te rekenen, in stand laten.

4.3.5 [geïntimeerde] heeft tenslotte geklaagd dat de rechtbank ten onrechte het bestaan van causaal verband tussen de klap die hij [appellant] heeft gegeven en de door deze gestelde schade heeft aangenomen. [geïntimeerde] is van mening dat [appellant] ten val is gekomen omdat hij stomdronken was. [appellant] bleek bij onderzoek op de EHBO van het ziekenhuis een alcoholpromillage van 2.8 te hebben. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat indien [appellant] niet stomdronken was geweest, hij niet was gevallen, althans hij zich in elk geval had kunnen opvangen, zodat de door [appellant] gestelde schade niet zou zijn opgetreden.

Het hof overweegt dat nu [appellant] als gevolg van een klap van [geïntimeerde] tegen de grond is geslagen, er voorshands van kan worden uitgegaan dat het daaruit voortvloeiende, bij onderzoek in het ziekenhuis geconstateerde letsel, ook als gevolg van die klap heeft te gelden. De door [geïntimeerde] aangevoerde enkele omstandigheid dat [appellant] stomdronken was leidt niet tot een ander oordeel, aangezien ingevolge vaste jurisprudentie immers geldt dat een dader van een onrechtmatige daad zijn slachtoffer heeft te nemen zoals deze zich aandient. Daarbij komt, naar 's hofs oordeel, dat een feit van algemene bekendheid is dat men met dronken personen buiten een café tijdens de kermis rekening moet houden.

Nu door [geïntimeerde] voor het overige geen onderbouwing aan zijn betwisting van het bestaan van causaal verband is gegeven, zal het hof aan die betwisting voorbijgaan. Het oordeel van de rechtbank dat vaststaat dat [appellant] als gevolg van de onrechtmatige daad schade heeft geleden blijft derhalve in stand. Over de omvang van die schade komt het hof hierna in r.o. 4.4 en volgende te spreken.

4.3.6 Het vooroverwogene brengt mee dat de grieven in het incidenteel appel falen.

4.3.7 Tenslotte merkt het hof op dat hetgeen door [geïntimeerde] in zijn algemeen bewijsaanbod onder nr. 26 van de memorie van grieven is aangeboden te bewijzen, juridische kwalificaties betreffen, welke door het hof dienen te worden beoordeeld, en niet door een partij te bewijzen zijn.

4.4 In het principaal appel komt [appellant] met de eerste grief op tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde vergoeding in verband met de opname en verblijf in het [ziekenhuis]. [appellant] stelt zich op het standpunt dat, nu hij geen nota's kan overleggen van de door hem gestelde aanschaf van pyjama's, ochtendjas, pantoffels, extra ondergoed en dergelijke, hij aanspraak kan doen gelden op vergoeding van een tarief van E. 23,-- per dag zoals vastgesteld door het Nationaal Platform Personenschade (NPP). Dit betoog wordt verworpen. Wat er zij van het tarief als bepaald door het NPP, geldt in rechte dat degene die vergoeding van concrete kosten (in casu van aanschaf van zaken) claimt, deze deugdelijk, met bescheiden of anderszins dient te onderbouwen. Nu dat in casu niet is gebeurd, zal het oordeel van de rechtbank dat de vordering tot vergoeding van kosten in verband met de ziekenhuisopname bij gebreke van feitelijke onderbouwing van de werkelijke kosten niet voor toewijzing in aanmerking komt, worden bekrachtigd.

Voor zover [appellant] in de toelichting op de grief zijn eis in appel heeft vermeerderd door tevens vergoeding te vorderen van de reiskosten naar het ziekenhuis, gemaakt door respectievelijk zijn ouders (E. 30,--) en zijn partner (E. 20,--), overweegt het hof dat dit geen eigen schade van [appellant] betreft, zodat dit onderdeel van de vordering evenmin voor toewijzing vatbaar is.

4.5 Met grief II in het principaal appel bestrijdt [appellant] de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde kosten voor verzorging door de moeder van [appellant] na thuiskomst uit het ziekenhuis. De rechtbank heeft in het beroepen vonnis overwogen dat nergens uit blijkt dat [appellant] na zijn ziekenhuisopname volledige bedrust diende te houden. In de toelichting op de grief beroept [appellant] zich thans op een brief van 9 augustus 2004 met bijlagen van de door hem ingeschakelde medisch adviseur [medisch adviseur], verbonden aan [expertise bureau], waaruit naar zijn stelling zou blijken dat wel degelijk sprake is geweest van een voorschrift om bedrust te houden en dat de kosten ter zake verzorging door zijn moeder derhalve voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.

Het hof constateert dat in de thans overgelegde brief van medisch adviseur [medisch adviseur] niet meer wordt gezegd dan dat hij van oordeel is dat na een dergelijk zwaar schedeltrauma met een grote schedelbreuk en een opgelopen hersenkneuzing bedrust op zijn plaats is, dat in de regel na een opgelopen hersenschudding een drietal weken relatieve rust wordt aangenomen en dit in het onderhavige geval des te meer geïndiceerd is, en dat absolute bedrust niet meer dan twee weken geïndiceerd is. De inhoud van dit schrijven volstaat niet om te onderbouwen dat [appellant] destijds in juni 2000 bij het verlaten van het ziekenhuis op medisch voorschrift algehele bedrust diende te houden, hetgeen een algehele verzorging nodig zou hebben gemaakt. Het hof overweegt voorts dat het bedrag als door [appellant] gesteld aan zijn moeder betaald op geen enkele wijze is gespecificeerd of onderbouwd (de overgelegde verklaring van zijn moeder kan daartoe niet strekken). Nu de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag door [geïntimeerde] uitdrukkelijk is betwist, en het bewijsaanbod van [appellant] slechts strekt tot bewijs van het daadwerkelijk betaald zijn van het litigieuze bedrag, is de vordering ter zake, als zijnde onvoldoende feitelijk onderbouwd, niet toewijzing vatbaar.

De grief faalt, en de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel van de vordering zal worden bekrachtigd.

4.6 De grieven II t/m VI in het principaal appel zijn gericht tegen de afwijzing van het door [appellant] gevorderde bedrag aan immateriële schade. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.6.1 [appellant] stelt dat tot op heden de navolgende klachten tengevolge van de mishandeling door [geïntimeerde] persisteren: verlies van reuk en smaak, peroneus parese in rechteronderbeen, gestoorde sensibiliteit in rechteronderbeen en doorlopende vermoeidheid.

4.6.2 [appellant] heeft zich ter onderbouwing van het voortbestaan van voormelde klachten beroepen op door hem ingewonnen informatie van medisch adviseur [medisch adviseur] van [expertise bureau] (productie 15 en 19 bij memorie van grieven) alsmede een brief van drs. J. Hof, kno-arts, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Maastricht van 17 mei 2004.

4.6.3 Het hof overweegt dat met deze overgelegde brieven nog onvoldoende is aangetoond dat de gesteld voortdurende klachten van [appellant] bestaan en (naar redelijke mate van waarschijnlijkheid) het gevolg zijn van de door [geïntimeerde] veroorzaakte val van [appellant] met schedelbasisfractuur tengevolge.

Het hof zal [appellant], gegeven zijn uitdrukkelijke aanbod daartoe bij memorie van grieven, tot bewijslevering toe laten, met dien verstande dat het bewijs dient te worden geleverd door een deskundigenrapport van een door het hof te benoemen deskundige.

4.6.4 Het hof is vooralsnog van oordeel dat met de benoeming van één medische deskundige kan worden volstaan, waarbij het hof denkt aan de benoeming van een neuroloog.

4.6.5 Het hof is voornemens aan de deskundige de algemene vraagstelling voor te leggen of en in hoeverre de door [appellant] gestelde voortdurende klachten (als hiervoor onder 4.6.1 vermeld) bestaan en, zo ja, of deze (naar redelijke mate van waarschijnlijkheid) het gevolg zijn van de val van [appellant] op 25 juni 2000 met een schedelbasisfractuur tengevolge. Voorts zal de deskundige zich dienen uit te laten over de ernst en omvang van de bestaande klachten, de kansen op genezing daarvan, en de belemmeringen die [appellant] in het dagelijks leven tengevolge van de klachten ondervindt.

4.6.6 Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten - [appellant] als eerste - over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen daarbij suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vraagstelling.

4.6.7 Het hof zal de kosten van het voorschot van de deskundige(n) voorshands ten laste van [appellant] brengen, nu [appellant] terzake de gesteld geleden schade de bewijslast draagt.

4.6.8 In de tussentijd zal het hof elke verder beslissing en de bespreking van de (overige) grieven aanhouden.

5. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar rolzitting van 2 mei 2006 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als hiervoor in r.o. 4.6.6 bedoeld,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Feith, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 maart 2006.