Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
C0500971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Blijkens grief 1 heeft [appellant] niet alleen het handhavingsverzoek van 15 juni 2003 maar ook het handhavingsverzoek van 30 mei 2004 aan deze vorderingen ten grondslag gelegd. Het hof zal daar dan ook van uit gaan.

Echter, deze grondslagen kunnen niet leiden tot een toewijzing van de hier bedoelde voorzieningen sub I en II. Immers, in beide gevallen bestond een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open bij de administratieve rechter. [appellant] is voorts in het besluit van 21 april 2004 expliciet gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 8.81 Awb een voorlopige voorziening aan te vragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

Een dergelijke omstandigheid leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de vordering bij de gewone burgerlijke rechter.

[appellant] heeft niet gesteld dat hij beroep heeft aangetekend tegen voornoemde besluiten van 29 juni 2004 en 16 september 2005, terwijl de Gemeente in haar memorie van antwoord expliciet heeft vermeld dat [appellant] geen beroep heeft ingesteld. Het hof acht daarom aannemelijk dat [appellant] geen beroep heeft ingesteld tegen deze besluiten. Het hof moet derhalve in beginsel uitgaan van de processuele en materiele juistheid van deze besluiten.

De door [appellant] aangevoerde omstandigheden zijn niet zodanig dat deze een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht rechtvaardigen. De stelling, dat de Gemeente in de aanvang onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de wet de situatie bij [houthandel] te gedogen is hiertoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. KG C0500971/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 14 maart 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de GEMEENTE SINT-OEDENRODE,

zetelend te Sint-Oedenrode,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.P.F.W. van Eijck,

op het bij exploot van 27 juni 2005 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch op 31 mei 2005 onder rolnummer 125583/KG ZA 05-269 uitgesproken tussen appellant - hierna: [appellant] - als eiser en geïntimeerde - hierna: de Gemeente - als gedaagde.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis.

2. De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot toewijzing alsnog van zijn vordering bij inleidende dagvaarding.

Bij memorie van antwoord heeft de Gemeente onder overlegging van producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken voor arrest overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte tekst van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn aangevoerd tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten. Het hof zal van diezelfde feiten uitgaan. Voorts zal het hof op grond van de in het dossier aanwezige producties, waarvan de inhoud niet is betwist, enkele andere - hierna in 4.2 te noemen - feiten bij de beoordeling van de zaak betrekken.

4.2 De zaak komt kort weergegeven op het volgende neer.

a. Naast het woonadres van [appellant] in [plaats] is de houthandel [naam] (hierna: [houthandel]) gevestigd. Op het terrein van [houthandel] bevinden zich buitenstellages waarop (geïmpregneerd) hout wordt opgeslagen. De stellages zijn opgericht in strijd met de voorschriften van het onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Buitengebied 1997" gebouwd.

b. [appellant] heeft op 15 juni 2003 (prod. 3 inl. dagv.) de gemeente verzocht handhavend op te treden om zo een einde te maken aan de met het bestemmingsplan strijdige situatie. Bij brief van 21 april 2004 (prod. 5 inl. dagv.) heeft het College van B en W van de Gemeente [appellant] kenbaar gemaakt niet over te zullen gaan tot handhaving en vooruitlopend op een vrijstellingsprocedure de illegaal gebouwde stellingen te gedogen. Bij brief van 31 mei 2004 (prod. 6 inl. dagv.) heeft [appellant] tegen voornoemd gedoogbesluit van 21 april 2004 bezwaar gemaakt.

c. Bij brief van 30 mei 2004 heeft [appellant] een tweede verzoek tot handhaving ingediend met als doel verwijdering van de stellages door [houthandel], ditmaal vanwege het ontbreken van de vereiste milieuvergunning (prod. 8 inl. dagv.). Bij besluit van 29 juni 2004 heeft de Gemeente het verzoek van [appellant] afgewezen (prod. 6 Gemeente in eerste aanleg).

d. Op aanvraag van [houthandel] heeft het College van B en W van de Gemeente bij besluit van 10 augustus 2004 aan [houthandel] een milieuvergunning verleend (prod. 10 inl. dagv.). [appellant] heeft vergeefse pogingen ondernomen om voornoemde milieuvergunning bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak geschorst te krijgen. Tegen de verleende milieuvergunning heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 20 juli 2005, nummer 200408002/1, heeft voornoemde Afdeling het beroep van [appellant] deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard (prod. 9 MvG).

e. Met betrekking tot het hiervoor sub b (slotzin) genoemde bezwaar van [appellant] hebben de volgende gebeurtenissen plaatsgevonden. Het College van B en W heeft bij brief van 6 juli 2004 aan de Commissie bezwaar- en beroepschriften Sint-Oedenrode verweer gevoerd tegen dit bezwaar (prod. 6 mvgr). Na een hoorzitting op 14 juli 2004 heeft de Commissie bezwaar- en beroepschriften op 8 december 2004 geadviseerd het bezwaarschrift van [appellant] gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen (prod. 7 MvG). Op 16 september 2005 heeft het College van B en W van de Gemeente het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van B en W van 21 april 2004 ongegrond verklaard (prod. 7 mvgr).

4.3 [appellant] heeft in de onderhavige kort-geding procedure gevorderd dat de Gemeente veroordeeld wordt

I) tot het nemen van een besluit waarin de Gemeente [houthandel] verplicht tot het onmiddellijk verwijderen en verwijderd houden van de in strijd met het bestemmingsplan op het terrein van [houthandel] geplaatste bouwwerken, de daarin opgeslagen roerende zaken en de buitenopslag van hout, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II) tot uitvoeren van bestuursdwang - in het geval [houthandel] niet genegen is aan het door de Gemeente onder I te nemen besluit uitvoering te geven - alsdan binnen 24 uur na in kennis gesteld te zijn of in de wetenschap dat [houthandel] geen uitvoering geeft aan voornoemd besluit tot verwijdering van de bouwwerken, de daarin opgeslagen roerende zaken en de buitenopslag van hout, voornoemd, ter opheffing van de alsdan ontstane situatie, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III) tot betaling van een bedrag van E. 43.014,55 ter vergoeding van de door [appellant] geleden schade;

IV) in de kosten van de procedure.

4.4 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [houthandel] afgewezen.

4.5 De grieven richten zich tegen de overwegingen 4.4, 4.5 en 4.6 en hebben daarmee de strekking de zaak in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen.

4.6 Het hof zal allereerst ingaan op de door [appellant] onder I en II gevorderde voorzieningen.

Blijkens grief 1 heeft [appellant] niet alleen het handhavingsverzoek van 15 juni 2003 maar ook het handhavingsverzoek van 30 mei 2004 aan deze vorderingen ten grondslag gelegd. Het hof zal daar dan ook van uit gaan.

Echter, deze grondslagen kunnen niet leiden tot een toewijzing van de hier bedoelde voorzieningen sub I en II. Immers, in beide gevallen bestond een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open bij de administratieve rechter. [appellant] is voorts in het besluit van 21 april 2004 expliciet gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 8.81 Awb een voorlopige voorziening aan te vragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

Een dergelijke omstandigheid leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de vordering bij de gewone burgerlijke rechter.

[appellant] heeft niet gesteld dat hij beroep heeft aangetekend tegen voornoemde besluiten van 29 juni 2004 en 16 september 2005, terwijl de Gemeente in haar memorie van antwoord expliciet heeft vermeld dat [appellant] geen beroep heeft ingesteld. Het hof acht daarom aannemelijk dat [appellant] geen beroep heeft ingesteld tegen deze besluiten. Het hof moet derhalve in beginsel uitgaan van de processuele en materiele juistheid van deze besluiten.

De door [appellant] aangevoerde omstandigheden zijn niet zodanig dat deze een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht rechtvaardigen. De stelling, dat de Gemeente in de aanvang onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de wet de situatie bij [houthandel] te gedogen is hiertoe onvoldoende. De stelling dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door bepaalde stukken (verslag hoorzitting en advies Commissie bezwaar- en beroepschriften) niet direct aan [appellant] te doen toekomen, faalt reeds nu de Gemeente niet verplicht was deze ongevraagd en direct aan [appellant] te doen toekomen. Een bewuste achterhouding van deze stukken door de Gemeente tot 16 september 2005 is overigens niet aannemelijk geworden.

Zelfs al zou juist zijn dat de Gemeente - zoals [appellant] stelt en de Gemeente gemotiveerd betwist - in haar omgaan met de diverse verzoeken van [appellant] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, dan leidt dit er nog niet toe dat de burgerlijke rechter in kort geding over moet gaan tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] sub I en II.

Derhalve kunnen de grieven 1 en 2 geen doel treffen.

4.7 Grief 3 richt zich tegen het afwijzen van de vordering tot het toewijzen van schadevergoeding. Ook deze grief faalt. De door [appellant] onder III gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

[appellant] heeft onvoldoende gesteld om de vereiste spoed te onderbouwen. Hiertoe is onvoldoende dat zijn onderneming dit geld nodig heeft voor de bedrijfsvoering en voor de daaruit voortvloeiende revenuen voor [appellant] zelf.

Evenmin acht het hof het bestaan en de omvang van de vordering - mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de Gemeente dat zij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld - in voldoende mate aannemelijk geworden, zodat op deze grond de vordering eveneens afgewezen moet worden.

4.8 Grief 4 faalt in het spoor van de vorige grieven.

4.9 Nu de grieven falen zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke kosten het hof aan de zijde van de Gemeente begroot op E. 1290,-- voor verschotten en op E. 1.631,-- voor salaris procureur;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door de mrs. Rothuizen-van Dijk, Begheyn en Pellis en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting op 14 maart 2006.