Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
C0500165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door [geïntimeerde] gevolgde redenering ter onderbouwing van zijn vordering wordt verworpen, nu die redenering niet in overeenstemming is met hetgeen partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de wijze van aflossing van de annuïteitenleningen. Het verweer dat HFM tegen die redenering heeft aangevoerd, is weliswaar gegrond, maar kan HFM niet baten, omdat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op renterestitutie op grond van art. 6 Algemene voorwaarden. [geïntimeerde] heeft zijn vordering mede gebaseerd op de stelling dat hij terzake de genoemde drie geldleningen te veel aan HFM heeft betaald gelet op genoemd renterestitutiebeding (cvr punt 2, 4 en 9), hetgeen juist is, zoals uit het bovenstaande blijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0500165/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 14 maart 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 's-HERTOGENBOSSCHE FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

appellante bij exploot van dagvaarding van 1 november 2004,

procureur: mr. A.M. Wuisman,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. H.C.A. van de Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch in conventie gewezen vonnis van 4 augustus 2004 tussen appellante - HFM - als gedaagde in conventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiser in conventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 56817/HA ZA 00-1982)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 16 november 2001 en 15 oktober 2003.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft HFM vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het in conventie gewezen vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, zulks onder overlegging van een productie.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De vier grieven zijn gericht tegen het in conventie gewezen eindvonnis van

4 augustus 2004.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. HFM heeft in de periode 1996 tot en met 1998. geldleningsovereenkomsten gesloten met [geïntimeerde].

a. Een eerste geldleningsovereenkomst met nr. [...] d.d. 5 juli 1996, verder lening [lening 1]

(prod. 1 cva in conventie).

Geleend bedrag F 50.000,-

Looptijd 3 jaar

kredietvergoedingspercentage 9 %

totaal over de looptijd te betalen rente F 7.238,20

totaal af te lossen bedrag derhalve F 57.238,20

Aflossing in 36 maandelijkse termijnen

(annuïteiten) van F 1.589,95

ingaande op 26 augustus 1996 tot en met 26 juli 1999.

b. Een tweede geldleningsovereenkomst met nr. [...] d.d. 3 juni 1998, verder lening [lening 2] (prod. 4 cva in conventie).

Geleend bedrag F 125.000,-

Looptijd 5 jaar

kredietvergoedingspercentage 8 %

totaal over de looptijd te betalen rente F 26.080,-

totaal af te lossen bedrag derhalve F 151.080,-

Aflossing in 60 maandelijkse termijnen

(annuïteiten) van F 2.518,-

ingaande op 3 juli 1998 tot en met 3 juni 2003.

c. Een derde geldleningsovereenkomst d.d. 8 oktober 1998, inhoudende een omzetting van de twee voorgaande leningen in een nieuwe lening. Deze lening werd gesloten onder hetzelfde contractnummer als de tweede lening [...], hier verder aan te duiden als lening [lening 3] (prod. 8 en 9 cva in conventie).

Geleend bedrag F 87.941,-

Looptijd 5 jaar

kredietvergoedingspercentage 8 %

totaal over de looptijd te betalen rente F 19.046,55

totaal af te lossen bedrag derhalve F 106.987,55

Aflossing in 60 maandelijkse termijnen

(annuïteiten)van F 1.783,13

ingaande op 25 oktober 1998 tot en met 25 september 2003.

4.1.2. Op deze leningen hebben de volgende aflossingen plaatsgevonden.

a. Lening [lening 1]

Afgelost zijn 26 termijnen, de laatste op 25 september 1998:

26 annuïteiten van F 1.589,95 = F 41.338,70

Resteerde te voldoen F 15.899,50

(prod. 15 akte 15-2-2002)

Het resterende bedrag van 15.899,50 omvat F 15.262,96 resterende hoofdsom en

F 636,54 nog te betalen rente (prod. 16 akte d.d. 15-2-2002).

Opmerking:

Op 17 september 1998 is door [geïntimeerde] een extra bedrag betaald van

F 22.000,-. Nu op het afschrift betreffende deze betaling is vermeld dat deze betaling lening [lening 3] betreft, (prod. 20 akte d.d. 15-2-2002), heeft de rechtbank deze betaling terecht niet toegerekend aan lening [...] (tsv d.d.

15 oktober 2003 rov. 1.9). Het hof heeft deze aflossing daarom evenmin op deze lening in mindering gebracht.

b. Lening [lening 2]

Afgelost zijn 4 termijnen, de laatste

op 2 oktober 1998:

4 annuïteiten van F 2.518,- = F 10.072,-

(prod. 15 akte d.d. 15-2-2002)

Resteerde te voldoen F 141.008,-

Het resterende bedrag van 141.008,- omvat F 118.079,39 resterende hoofdsom en

F 22.928,61 nog te betalen rente (prod. 17 akte d.d. 15-2-2002).

Opmerkingen:

- de aflossingen op 3-11-1998 en 3-12-1998 zijn op 7-12-1998 retour gestort en deze heeft het hof daarom buiten beschouwing gelaten.

- de gevolgen van de extra betalingen van F 22.000,- op

17 september 1998 en van F 29.000,- op 14 oktober 1998 (zie afschriften onder prod. 20 akte d.d. 15-2-2002), waarop het onderhavige geschil betrekking heeft, zijn hier niet in de berekening betrokken; die gevolgen worden hierna besproken.

c. Lening [lening 3]

Afgelost zijn 4 termijnen, de laatste

op 25 januari 1999:

4 annuïteiten van F 1.783,13 = F 7.132,52

(prod. 15 akte d.d. 15-2-2002)

Resteerde te voldoen F 99.855,03

Het resterende bedrag van F 99.855,28 omvat F 83.105,49 resterende hoofdsom en

F 16.749,55 nog te betalen rente.

Opmerking:

- de gevolgen van de extra betalingen van F 22.000,- op 17 september 1998, van

F 29.000,- op 14 oktober 1998 en van F 89.500,- op 27 januari 1999 zijn hier niet in de berekening betrokken. Die gevolgen worden hierna besproken.

4.1.3. Op bovenvermelde drie leningsovereenkomsten zijn Algemene voorwaarden van HFM van toepassing.

4.2. [geïntimeerde] heeft in het onderhavige geding, na wijziging van zijn eis bij antwoordakte d.d. 10 april 2002 (punt 4 en 5), naast buitengerechtelijke kosten het volgende gevorderd:

primair: betaling van een bedrag van F 35.715,79 als zijnde onverschuldigd betaald op lening [lening 3], berekend als volgt:

Hoofdsom lening [lening 3] F 87.941,-

verschuldigde rente over de periode

8-10-1998 tot en met 27-1-1999,

rekening houdende met de tussentijds

verrichte betalingen, waaronder de

betaling op 14-10-1998 van F 29.000,-

op deze lening F 1.975,73

Totaal te voldoen F 89.916,73

Door [geïntimeerde] op deze lening

totaal voldaan, waaronder begrepen

de betaling op 14-10-1998

van F 29.000,- F 125.632,52

Te veel betaald F 35.715,79

subsidiair: betaling van een bedrag van F 14.777,77 als onverschuldigd betaald op de leningen [lening 1] en [lening 2], de lening [lening 3] buiten beschouwing latend, berekend als volgt:

- Lening [lening 1] (zie prod. akte d.d. 10-4-2002):

Resterende schuld op 17-9-1998 F 17.586,84

Betaling op 17-9-1998 van F 22.000,-

Te veel betaald F 6.003,01

- Lening [lening 2] (zie prod. 2 akte d.d. 10-4-2002):

Resterende schuld op 27-1-1999 F 80.725,24

Betaald op 27-1-1999 F 89.500,-

Te veel betaald F 8.774,76

Totaal onverschuldigd betaald F 14.777,77

4.3. Bij vonnis van 15 oktober 2003 (rov. 1.10) heeft de rechtbank overwogen dat uitgangspunt van partijen bij de omzetting van de geldlening was dat daarna geen betalingsverplichtingen (naar het hof begrijpt: uit de twee eerdere geldleningsovereenkomsten) resteerden en dat er daarom van dient te worden uitgegaan dat de betaling van F 29.000,- in mindering strekte op het verschuldigde uit hoofde van de omgezette geldlening (het hof begrijpt: lening [lening 3]).

Vervolgens heeft de rechtbank aan HFM te bewijzen opgedragen dat tussen partijen bij de omzetting van de overeenkomst van geldlening per 8 oktober 1998 overeenstemming bestond dat [geïntimeerde] nog een betaling van F 29.000,- zou doen ter aflossing van de buiten de omgezette overeenkomst van geldlening gebleven oude leenschuld (lening [lening 2]).

4.4. Bij vonnis van 4 augustus 2004 heeft de rechtbank in conventie het bewijs niet geleverd geacht, vastgesteld dat de betaling van F 29.000,- in mindering strekt op lening [lening 3] en op die grond geconcludeerd dat de vordering [geïntimeerde] wegens onverschuldigde betaling kan worden toegewezen.

Voorts oordeelde de rechtbank dat [geïntimeerde] aanspraak kon maken op renterestitutie ten bedrage van F 7.301,81.

Op die grond wees de rechtbank het primair gevorderde bedrag van F 35.715,79 in Euro's (E 16.207,12) toe. Voorts wees de rechtbank terzake van buitengerechtelijke kosten naar [geïntimeerde] E 998,- toe.

4.5. In de grieven 1 en 2 bestrijdt HFM het oordeel van de rechtbank dat HFM het bewijs niet heeft geleverd.

4.5.1. De grieven zijn gegrond.

Bewijs van overeenstemming tussen partijen met betrekking tot de stelling dat de betaling van F 29.000,- zou strekken in mindering op lening [lening 2], dient niet alleen te worden ontleend aan de verklaringen van de door de rechtbank gehoorde getuigen [getuige 1] en [getuige 2], maar met name ook aan hetgeen reeds uit de overgelegde producties blijkt.

Uit die producties blijkt, zoals de rechtbank al overwoog in het tussenvonnis van 15 oktober 2003 rov. 1.9., dat de bedragen die [geïntimeerde] in oktober 1998 uit hoofde van leningen [lening 1] en [lening 2] nog verschuldigd was terzake van de resterende termijnen plus de kosten van F 1.080,05, een bedrag van F 135.987,55 beloopt, zulks na aftrek van de betaling van F 22.000,- en zonder aftrek van de betaling F 29.000,-, en dat het aldus verschuldigde bedrag daarmee precies F 29.000,- hoger is dan het bedrag van lening [lening 3] ad

F 106.987,55. Dit gegeven levert reeds een eerste bewijs op dat het de bedoeling van partijen was dat [geïntimeerde] het bedrag van F 29.000,- zou aflossen op lening [lening 2], en niet op lening [lening 3].

Bovendien is op het overgelegde afschrift betreffende de betaling van F 29.000,- (prod. 20 akte d.d. 15-2-2002) vermeld dat de betaling betrekking heeft op "contrctnr [...]", hetgeen exact overeenkomt met de vermelding op het afschrift met betrekking tot de betaling van de eerdere extra aflossing van F 22.000,- op 17 september 1998. Bij de termijnbetalingen van F 1.783,13 met betrekking tot lening [lening 3] is daarentegen op het afschrift slechts vermeld "[...]". Ook dat vormt een aanwijzing dat bedoeld is dat de betaling van F 29.000,- in mindering zou strekken op lening [lening 2] en niet op lening [lening 3].

Voorts is van belang het tussen partijen vaststaande feit dat de omzetting ertoe strekte de maandlasten van [geïntimeerde] te verlagen omdat [geïntimeerde] de maandlasten onmogelijk kon opbrengen (cvr punt 9, cvd punt 14, antwoordakte d.d.

10 april 2002, punt 4). Daarvan uitgaande ligt het niet voor de hand aan te nemen dat partijen op 8 oktober 1998 bij de omzetting een leensom van F 87.941,- overeen zijn gekomen terwijl daarop 6 dagen later door [geïntimeerde] vervolgens een bedrag van F 29.000,- wordt afgelost.

De stelling van [geïntimeerde] dat de omzetting ook verband hield met een verrekening met "een kennelijk eerder ontvangen schadevergoeding wegens arbeidsongeschiktheid" (cvr punt 9) is door hem in geen enkel opzicht feitelijk onderbouwd en bovendien door HFM gemotiveerd betwist (cvd punt 14). Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.

Op het aldus reeds aanwezige bewijs vormt de verklaring van [getuige 2] een voldoende aanvulling om het bewijs geleverd te achten. [getuige 2] verklaart: "De extra aflossingen zijn op de oude lening en hiermee bedoel ik de tweede lening gedaan. De extra aflossing van F 29.000,- had geen betrekking op de nieuwe lening."

De verklaring van [getuige 1] is voor de bewijslevering niet nodig.

4.6. Nu de grieven 1 en 2 gegrond zijn, dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd en dient het hof de vordering van [geïntimeerde] opnieuw te beoordelen.

4.7. Gelet op de samenhang tussen de geldleningsovereenkomsten, zal het hof de daarop gebaseerde primaire en subsidiaire vordering gezamenlijk beoordelen. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.8. Op lening [lening 1] was [geïntimeerde] na betaling van de 26ste annuïteit op 25-9-1998 nog F 15.899,50 verschuldigd (zie 4.1.2. sub a).

4.8.1. Op lening [lening 2] was [geintimeerde] na betaling van de 3de termijn op

3 september 1998 nog F 143.526,- verschuldigd.

Het hof rekent de betalingen die door [geïntimeerde] nadien op deze lening zijn gedaan als volgt op de termijnen van deze lening toe.

Te voldoen op 3-9-1998 F 143.526,-

a. betaling 17-9-98 F 22.000,-;

deze betaling wordt, afgerond naar beneden,

toegerekend aan 9 termijnen, te weten

de 4de t/m 12de termijn F 22.000,-

resteert F 121.526,-

b. betaling op 2-10-1998; deze betaling

wordt toegerekend aan de 13de termijn F 2.518,-

resteert F 119.008,-

c. betaling op 14-10-1998 F 29.000,-;

deze betaling wordt, afgerond naar boven,

toegerekend aan 11 termijnen, te weten

de 14de t/m 24ste termijn F 29.000,-resteert F 90.008,-

4.8.2. In verband met voormelde toerekening overweegt het hof het volgende.

In art. 6 van de Algemene voorwaarden van HFM is bepaald dat bij vervroegde aflossing een rente/restitutie overeenkomstig de "WET op het CONSUMPTIEF/ZAKELIJK GELDKREDIET" worden gegeven.

Partijen zijn het er over eens dat die wet niet bestaat.

HFM heeft in de akte d.d. 10 maart 2004 tevens vermeld wat volgens haar de strekking van art. 6 is.

Het hof is van oordeel, dat, wat die strekking ook moge zijn, [geïntimeerde] in ieder geval geen boete aan HFM verschuldigd is terzake van de extra betalingen door [geïntimeerde] van resp. F 22.000,-, F 29.000,- en F 89.500,-, nu niet is gesteld of gebleken dat HFM boeterente heeft bedongen voorzover meer dan 10% van de hoofdsom vervroegd zou worden afgelost.

In bedoelde akte d.d. 10 maart 2004 onder punt 3 heeft HFM voorts vermeld hoe zij de renterestitutie berekent ingeval van vervroegde aflossing. Zie ook de toelichting op grief III. Dit komt neer op het volgende. Bij betaling van een extra aflossing wordt gerestitueerd de rente die is begrepen in het aantal te betalen termijnen dat loopt vanaf de datum van betaling van die extra aflossing tot de datum waarop dat aantal termijnen kunnen worden geacht te zijn voldaan met de gedane extra aflossing.

Het hof acht deze toepassing van art. 6 van de Algemene Voorwaarden een redelijke en billijke toepassing van art. 6.

4.9. Na de betalingen van F 22.000,- en F 29.000,- was [geïntimeerde] derhalve de navolgende bedragen nog verschuldigd:

lening [lening 1]: F 15.899,50

lening [lening 2]: F 90.008,-

totaal F 105.907,50

plus kosten F 1.080,05

Totaal F 106.987,55 (= lening [lening 3])

4.10. De termijnen waaraan de aflossingen van F 22.000,- en F 29.000,- zijn toegerekend, omvatten het navolgende rentebestanddeel:

a. termijn 4 t/m 12 F 6.529,62 (F 8.909,85 - F 2.380,23)

b. termijn 14 t/m 24 F 6.537,56 (F 16.114,75 - F 9.577,19)

Totaal F 13.067,18

Het hof verwijst naar de amortisatietabel van deze lening (prod. 17 bij akte d.d. 15-2-2002).

4.11. Conform hetgeen in 4.8.2. is overwogen dient HFM deze rente van

F 13.067,18 aan [geïntimeerde] te restitueren. Niet gesteld of gebleken is immers dat [geïntimeerde], toen hij omzetting van lening [lening 2] naar lening [lening 3] met HFM overeenkwam, afstand heeft gedaan van zijn recht op renterestitutie op grond van art. 6 van de Algemene Voorwaarden dan wel dat [geïntimeerde] zijn recht daarop zou hebben verwerkt.

4.12. Op lening [lening 3] was [geïntimeerde] na betaling van de 4de termijn op 26 januari 1999 nog een bedrag van F 99.855,04 verschuldigd.

4.12.1. Het hof rekent de betaling van F 89.500,- die door [geïntimeerde] op

27 januari 1999 is gedaan toe aan de 5de tot en met 54ste termijn, zulks in verband met hetgeen het hof hierboven onder 4.8.2. heeft overwogen.

4.12.2. Dit leidt tot de volgende opstelling.

Te voldoen op 26-1-1999 F 99.855,04

betaling op 27-1-1999 van F 89.500,-,

wordt, afgerond naar beneden, toegerekend

aan 50 termijnen, n.l. termijn 5 t/m 54 F 89.500,-

resteert te voldoen op 27-1-1999

de termijnen 55 t/m 60 F 10.355,04

4.13. De termijnen 5 t/m 54 waaraan de aflossing van

F 89.500,- is toegerekend, omvatten als rentebestanddeel

F 16.504,29 (te weten F 18.801,30 - F 2.297,01).

4.13.1. Het op 27-1-1999 nog te betalen restantbedrag van

F 10.355,04 omvat als rentebestanddeel F 245,26 (te weten

F 19.046,56 - F 18.801,30), zodat op 27-1-1999 op het geleende bedrag van

F 87.941,- nog F 10.109,78 moest worden afgelost.

Het hof verwijst naar de amortisatietabel van lening [lening 3] (prod. 18 bij akte d.d. 15-2-2002).

4.14. Conform hetgeen in 4.8.2. is overwogen dient HFM de rente van F 16.504,29 aan [geïntimeerde] te restitueren. Niet gesteld of gebleken is immers dat [geïntimeerde], toen hij op de lening [lening 3] F 89.500,- afloste, afstand heeft gedaan van zijn recht op renterestitutie op grond van art. 6 van de Algemene Voorwaarden dan wel dat [geïntimeerde] zijn recht daarop zou hebben verwerkt.

Daar staat tegenover dat HFM op 27 januari 1999 nog F 10.109,78 (het restant van lening [lening 3]) van [geïntimeerde] te vorderen had. Het in de termijnen 55 tot en met 60 begrepen rentebestanddeel van F 245,26 komt HFM niet toe, aangezien op 27 januari 1999 het restant van de lening [lening 3] geheel door [geïntimeerde] werd afgelost uit hetgeen [geïntimeerde] terzake van renterestitutie van HFM te vorderen had.

Per saldo had [geïntimeerde] na verrekening nog recht op renterestitutie van F 6.394,51, te weten F 16.504,29 minus F 10.109,78.

4.15. De totale renterestitutie waarop [geïntimeerde] aanspraak kan maken beloopt dus F 19.461,69 (F 13.067,18 + F 6.394,51), in Euro's 8.831,33. Dit bedrag acht het hof toewijsbaar.

4.15.1. De door [geïntimeerde] gevolgde redenering ter onderbouwing van zijn vordering wordt verworpen, nu die redenering niet in overeenstemming is met hetgeen partijen zijn overeengekomen met betrekking tot de wijze van aflossing van de annuïteitenleningen. Het verweer dat HFM tegen die redenering heeft aangevoerd, is weliswaar gegrond, maar kan HFM niet baten, omdat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op renterestitutie op grond van art. 6 Algemene voorwaarden. [geïntimeerde] heeft zijn vordering mede gebaseerd op de stelling dat hij terzake de genoemde drie geldleningen te veel aan HFM heeft betaald gelet op genoemd renterestitutiebeding (cvr punt 2, 4 en 9), hetgeen juist is, zoals uit het bovenstaande blijkt.

4.16. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente, evenals de rechtbank, toewijzen vanaf 27 januari 1999 en de buitengerechtelijke kosten bepalen op

E 998,-.

4.17. Als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde wordt HFM veroordeeld in de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg en de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het in conventie gewezen vonnis d.d. 4 augustus 2004;

en opnieuw rechtdoende,

veroordeelt HFM om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen:

a. een bedrag van E 8.831,33, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 januari 1999 tot de dag van voldoening;

b. een bedrag van E 998,- wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt HFM in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden begroot op E 400,38 wegens verschotten in eerste aanleg;

E 1.755,- wegens salaris van de procureur in eerste aanleg;

E 590,- wegens verschotten in hoger beroep;

E 894,- wegens salaris van de procureur in hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-Van Dijken en Huijbers-Koopman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 14 maart 2006.