Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4163

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
C0400679
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat, indien de stellingen van [appellant] komen vast te staan, de situatie aan de orde is zoals geregeld in art. 3:307, lid 2 BW. Er is in dat geval immers sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd van een overeenkomst inhoudende de verplichting van [broer appellant] (overgegaan op [geïntimeerde]) tot levering aan [appellant] van het 1/10 aandeel in het pand. Een dergelijke voor onbepaalde tijd aangegaan overeenkomst is blijkens het bepaalde in art. 6:38 BW terstond opeisbaar. De verjaringstermijn van twintig jaren als bedoeld in art. 3:307, lid 2 BW is derhalve aangevangen op 1 maart 1978, zijnde de dag volgend op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door [appellant], op zijn vroegst mogelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. C0400679/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 14 maart 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

hierna: "[appellant]",

appellant bij exploot van dagvaarding van 13 mei 2004,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

hierna: "[geïntimeerde]",

geïntimeerde bij voormeld exploot van dagvaarding,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 14 april 2004 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis met zaak/rolnummer 56330 HAZA 03-470.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [appellant] alsnog zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van [appellant] in zijn hoger beroep, althans tot verwerping van de grieven, met veroordeling bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee dagen na betekening van het te wijzen arrest.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van hoger beroep

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven.

4. De beoordeling:

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Op 27 februari 1978 heeft [vader appellant] de onroerende zaken gelegen te Venlo aan de Steenstraat 3,5,7, en 9 (hierna: "het pand"), waarin door hem een cafébedrijf werd geëxploiteerd, voor 5/10 gedeelte in eigendom overgedragen aan [broer appellant] en voor ieder 1/10 gedeelte aan vijf van zijn zes overige kinderen. Aan zijn zoon [appellant] is geen aandeel in eigendom overgedragen.

4.1.2. [broer appellant] en [geïntimeerde] waren gehuwd. Zij hebben de exploitatie van het cafébedrijf met ingang van februari 1978 van vader overgenomen. Zij huurden de caféruimte. Het resterende gedeelte van het pand is door [broer appellant] en [geïntimeerde] tezamen met de 5 andere kinderen voor gezamenlijke rekening geëxploiteerd.

4.1.3. In 1997 is [broer appellant] overleden. [geïntimeerde] is sedertdien rechthebbende op het 5/10 aandeel in het pand. Zij heeft de exploitatie van het café in 1998 nog voortgezet. In december 1998 heeft zij haar 5/10 aandeel in het pand aan Geor B.V. verkocht. De levering heeft op 25 maart 1999 plaatsgevonden. De caféruimte heeft zij aan Lindeboom Bierbrouwerij verhuurd.

4.1.4. Bij brief van 28 augustus 2001 van mr. A.M.M. Deneer heeft [appellant] voor het eerst aanspraak gemaakt op vergoeding van een aandeel van 1/10 gedeelte in het pand. [geïntimeerde] heeft deze aanspraak van de hand gewezen.

4.1.5. [appellant] heeft bij exploot van dagvaarding van 23 juni 2003 gevorderd dat [geïntimeerde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van E. 42.836,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over E. 41.294,- vanaf

25 maart 1999, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

4.1.6. De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen en heeft hem veroordeeld in de proceskosten.

4.1.7. [appellant] kan zich niet met dit vonnis verenigen en komt daarvan in hoger beroep.

4.2. Met zijn eerste grief bestrijdt [appellant] de beslissing van de rechtbank dat zijn vordering is verjaard.

4.3. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge het bepaalde in art. 73 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek is een verjaringstermijn welke overeenkomstig het vanaf 1 januari 1992 geldende Burgerlijk Wetboek is bepaald op één jaar of langer, ingaande 1 januari 1993 van toepassing op een rechtsvordering welke vóór 1 januari 1992 is ontstaan, met ingang van de dag waarop deze termijn overeenkomstig het vanaf 1 januari 1992 geldende Burgerlijk Wetboek is aangevangen. Ingevolge het bepaalde in art. 120 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek wordt over het tijdvak vóór 1 januari 1992 stuiting van een lopende verjaring beoordeeld overeenkomstig het tot dat tijdstip geldende Burgerlijk Wetboek en vanaf die datum overeenkomstig het vanaf die datum geldende Burgerlijk Wetboek.

4.4. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [broer appellant] van het door hem op 27 februari 1978 in juridische eigendom verkregen 5/10 aandeel in het pand 1/5 gedeelte, dat wil zeggen 1/10 aandeel in dat pand, weliswaar op eigen naam maar ten behoeve van hem, [appellant], heeft verkregen. Dit 1/10 aandeel in het pand heeft [broer appellant] sedertdien voor hem beheerd. Volgens [appellant] is deze constructie tussen alle betrokken partijen afgesproken bij gelegenheid van het transport op 27 februari 1978. [geïntimeerde] is als rechtsopvolgster van [broer appellant] gehouden uit de verkoopopbrengst van het 5/10 aandeel in het pand 1/5 gedeelte, zijnde een bedrag van E. 41.294,-, aan hem af te dragen, aldus [appellant].

4.5. [geïntimeerde] heeft het bestaan van een dergelijke overeenkomst tot beheer ten behoeve van [appellant] van dit 1/10 aandeel in het pand betwist. Zij beroept zich echter allereerst op verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van deze overeenkomst.

4.6. Het hof is van oordeel dat, indien de stellingen van [appellant] komen vast te staan, de situatie aan de orde is zoals geregeld in art. 3:307, lid 2 BW. Er is in dat geval immers sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd van een overeenkomst inhoudende de verplichting van [broer appellant] (overgegaan op [geïntimeerde]) tot levering aan [appellant] van het 1/10 aandeel in het pand. Een dergelijke voor onbepaalde tijd aangegaan overeenkomst is blijkens het bepaalde in art. 6:38 BW terstond opeisbaar. De verjaringstermijn van twintig jaren als bedoeld in art. 3:307, lid 2 BW is derhalve aangevangen op 1 maart 1978, zijnde de dag volgend op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door [appellant], op zijn vroegst mogelijk was.

4.7. Hieruit volgt dat de rechtsvordering van [appellant] tot nakoming van de overeenkomst tot beheer van zijn 1/10 aandeel in het pand op 1 maart 1998 was verjaard, tenzij de verjaring voordien is gestuit.

4.8. [appellant] beroept zich erop dat de verjaring is gestuit (a) als gevolg van de ondertekening op 4 januari 1999 door [geïntimeerde] van een onderhandse akte en (b) als gevolg van de brief van 18 mei 1998 van haar adviseur [adviseur geïntimeerde], aangezien [geïntimeerde] door deze beide handelingen haar verplichtingen jegens [appellant] op grond van de gestelde beheerovereenkomst zou hebben erkend.

4.9. Het hof komt niet toe aan de beoordeling of deze handelingen inderdaad een erkenning als bedoeld in art. 3:318 BW inhouden, aangezien beide aangevoerde handelingen hebben plaatsgevonden op een tijdstip waarop de rechtsvordering tot nakoming reeds was verjaard. Hierbij neemt het hof nog in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat [broer appellant] c.q. [geïntimeerde] vóór de brief van 28 augustus 2001 schriftelijk zijn gesommeerd tot nakoming van de gestelde afspraak uit 1978.

4.10. Dit alles leidt tot de slotsom dat de rechtsvordering tot nakoming van de gestelde beheerovereenkomst - wat daar verder van zij - ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding reeds was verjaard.

4.11. De grief faalt en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, met verbetering van gronden. Grief 2, die betrekking heeft op de proceskostenveroordeling, mist zelfstandige betekenis en behoeft verder geen behandeling. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, nog te vermeerderen met de wettelijke rente, als gevorderd. Deze proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, als gevorderd.

5. De uitspraak

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Roermond van 14 april 2004 met verbetering van gronden;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 1.088,- aan verschotten en E. 1.631,- aan salaris procureur, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee dagen na betekening van dit arrest;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koens, Van Etten en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 14 maart 2006.