Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
C0301499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreden concurrentiebeding. Bij vonnis in kort geding van 5 januari 1995 is [appellant] op vordering van Octrooibureau Zuid op straffe van een dwangsom veroordeeld het concurrentiebeding - met de daarop in het vonnis aangebrachte beperking - onverkort na te leven. In het dictum van het vonnis is deze veroordeling met de daarop aangebrachte beperking als volgt geformuleerd: "verbiedt [appellant] om tot 1 mei 1997 werkzaam te zijn voor anderen, die diensten verlenen op het gebied van octrooien, merken, modellen, auteursrecht en dergelijke (in het algemeen de intellectuele en industriële eigendom) of zelfstandig dergelijke diensten te verlenen, direkt noch indirekt, waarbij het [appellant] tevens verboden wordt om in dienst te treden van een cliënt van Octrooibureau Zuid, met dien verstande dat dit beding niet geldt indien [appellant] in dienst treedt van een octrooibureau waarvan de plaats van vestiging buiten de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland ligt of wanneer [appellant] buiten die provincies een zelfstandig octrooibureau vestigt".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0301499/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 18 april 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant],

procureur: mr. J.J.S. Bezemer,

tegen:

de besloten vennootschap OCTROOIBUREAU ZUID,

BUREAU VOOR MODELLEN EN MERKEN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als Octrooibureau Zuid,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 oktober 2003 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, onder rolnummer 48043/HA ZA 00-353 op 8 maart 2002 en 23 juli 2003 uitgesproken tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en Octrooibureau Zuid als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar de beroepen vonnissen.

2. De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven tegen de vonnissen aangevoerd, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, heeft Octrooibureau Zuid veertien producties overgelegd, de grieven van [appellant] bestreden, in incidenteel appel acht grieven tegen de beroepen vonnissen aangevoerd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

[appellant] heeft een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

Op verzoek van Octrooibureau Zuid hebben de partijen hun standpunten ter zitting van 7 februari 2006 doen bepleiten door hun advocaten, aan de hand van door die advocaten overgelegde pleitnotities.

Tot slot hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

a) [appellant] is per 1 mei 1993 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Octrooibureau Zuid in de functie van octrooigemachtigde en merken- en modellengemachtigde. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen, luidende als volgt:

"Het is u tijdens het dienstverband en gedurende een periode van drie jaar na beëindiging van het dienstverband niet toegestaan om werkzaam te zijn voor anderen die diensten verlenen op het gebied van octrooien, merken, modellen, auteursrecht en dergelijke (in het algemeen de industriële en intellectuele eigendom) of zelfstandig dergelijke diensten te verlenen, direkt noch indirekt. In het bijzonder is het u niet toegestaan om in dienst te treden van cliënten van de vennootschap.

Bij overtreding van deze bepaling bent u aan de vennootschap per gebeurtenis of voor elke dag, dat de overtreding voortduurt een onmiddellijk opeisbaar bedrag van Hfl. 1000,-- schuldig.

Wel is het u na het beëindigen van het dienstverband toegestaan om werkzaam te zijn voor andere octrooibureaus, wier plaats van vestiging op meer dan 75 km van de gemeente Eindhoven ligt en buiten de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland, mits u zich aldaar onthoudt van het verrichten van werkzaamheden voor cliënten van ons kantoor."

b) De arbeidsrelatie tussen [appellant] en Octrooibureau Zuid is verstoord geraakt. Bij beschikking van de kantonrechter te Eindhoven van 18 april 1994 is de arbeidsovereenkomst op wederzijds verzoek ontbonden met ingang van 1 mei 1994.

c) Met ingang van 29 juli 1994 heeft [appellant] zich bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als eenmanszaak, genaamd Brabants Octrooibureau, gevestigd in Nuenen (prod. 7 CvA).

d) Bij vonnis in kort geding van 5 januari 1995 is [appellant] op vordering van Octrooibureau Zuid op straffe van een dwangsom veroordeeld het concurrentiebeding - met de daarop in het vonnis aangebrachte beperking - onverkort na te leven. In het dictum van het vonnis is deze veroordeling met de daarop aangebrachte beperking als volgt geformuleerd:

"verbiedt [appellant] om tot 1 mei 1997 werkzaam te zijn voor anderen, die diensten verlenen op het gebied van octrooien, merken, modellen, auteursrecht en dergelijke (in het algemeen de intellectuele en industriële eigendom) of zelfstandig dergelijke diensten te verlenen, direkt noch indirekt, waarbij het [appellant] tevens verboden wordt om in dienst te treden van een cliënt van Octrooibureau Zuid, met dien verstande dat dit beding niet geldt indien [appellant] in dienst treedt van een octrooibureau waarvan de plaats van vestiging buiten de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland ligt of wanneer [appellant] buiten die provincies een zelfstandig octrooibureau vestigt".

Tevens is [appellant] bij dit vonnis veroordeeld om als voorschot op het eventueel in een bodemprocedure vast te stellen bedrag aan wegens overtreding van het concurrentiebeding verbeurde boetes ƒ 13.000,-- te betalen.

e) Stellende dat [appellant] het bij vonnis van 5 januari 1995 gegeven verbod gedurende 117 dagen overtreden heeft en derhalve ƒ 117.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd, heeft Octrooibureau Zuid op 10 mei 1995 en op latere data executoriale derdenbeslagen laten leggen ten laste van [appellant].

[appellant] heeft in kort geding primair opheffing van de beslagen, subsidiair schorsing van de executie en meer subsidiair matiging van de dwangsommen gevorderd.

Deze vorderingen zijn afgewezen bij vonnis in kort geding van 22 juni 1995. In het vonnis heeft de president overwogen dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] zich gedurende de gehele periode vanaf de betekening van het vonnis van 5 januari 1995 niet aan het hem opgelegde verbod heeft gehouden, zodat moet worden aangenomen dat hij de dwangsommen heeft verbeurd en de gelegde executoriale beslagen niet onrechtmatig of onnodig zijn.

[appellant] heeft tegen het vonnis in kort geding van 22 juni 1995 hoger beroep ingesteld. Het vonnis is vervolgens bekrachtigd door het gerechtshof bij arrest van 3 juni 1997.

f) Bij vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 13 juni 1996 is in conventie op vordering van [appellant] het concurrentiebeding gedeeltelijk teniet gedaan, en wel voor zover het betreft de periode vanaf 1 mei 1995.

In reconventie is op vordering van Octrooibureau Zuid voor recht verklaard dat het concurrentiebeding in stand is gebleven met inachtneming van de bij het kort gedingvonnis van 5 januari 1995 aangebrachte beperking, zulks echter slechts tot 1 mei 1995.

g) Bij in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 10 april 1997 is Octrooibureau Zuid in reconventie, in verband met de door haar gevorderde boetes, toegelaten te bewijzen dat [appellant] over de periode van 29 juli 1994 tot en met 12 januari 1995 het concurrentiebeding heeft overtreden en dus boetes heeft verbeurd.

Bij eindvonnis van 22 januari 1998 heeft de kantonrechter het bewijs niet geleverd geacht en de vordering in reconventie, voor zover betrekking hebbend op in de periode van 29 juli 1994 tot en met 12 januari 1995 verbeurde boetes, afgewezen.

Octrooibureau Zuid heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Bij vonnis van 10 september 1999 heeft de rechtbank het beroepen vonnis met verbetering van gronden bekrachtigd op grond van de overweging dat [appellant] in de bedoelde periode weliswaar 5 boetes van ƒ 1.000,-- heeft verbeurd maar dat hij terzake verbeurde boetes al een bedrag van

ƒ 13.000,-- betaald had zodat voor een veroordeling tot betaling geen plaats was.

Het door Octrooibureau Zuid tegen het vonnis van 10 september 1999 ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen.

h) Octrooibureau Zuid heeft bij verzoekschrift van 2 april 1996 verzocht [appellant] in staat van faillissement te verklaren. Bij beschikking van de rechtbank van 10 april 1996 is dit verzoek afgewezen.

Na door Octrooibureau Zuid ingesteld hoger beroep is die beschikking bij arrest van het gerechtshof van 20 mei 1996 vernietigd en is [appellant] in staat van faillissement verklaard. Bij arrest van de Hoge Raad van 20 september 1996 is het door [appellant] ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het hof verworpen. Het faillissement is op 9 november 1996 opgeheven wegens gebrek aan baten.

i) Bij brief van 12 maart 1997 heeft Octrooibureau Zuid verklaard af te zien van verdere executie van het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 - naar het hof begrijpt - voor zover het de periode vanaf 1 mei 1995 betreft.

4.2.1. In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg in conventie - zakelijk weergegeven -:

A. een verklaring voor recht dat [appellant] het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 niet heeft overtreden en derhalve geen dwangsommen heeft verbeurd;

B. een verklaring voor recht dat Octrooibureau Zuid derhalve onrechtmatig heeft gehandeld door dwangsommen te incasseren;

C. veroordeling van Octrooibureau Zuid tot betaling van ƒ 15.440,44, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 mei 1995, aan ten onrechte geïncasseerde dwangsommen;

D. veroordeling van Octrooibureau Zuid, op straffe van een dwangsom, om aan [appellant] ter beschikking te stellen de 500 aandelen Philips Electronics die op 10 mei 1995 ten onrechte in beslag zijn genomen;

E. veroordeling van Octrooibureau Zuid om aan [appellant], onder overlegging van een specificatie, te vergoeden een bedrag gelijk aan het bedrag dat op de 500 aandelen Philips Electronics aan dividend is betaald in de periode van 10 mei 1995 tot de dag van het te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag tot de dag der voldoening;

F. veroordeling van Octrooibureau Zuid om aan [appellant] een bedrag van ƒ 29.635,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 1997, terzake tot dit bedrag ten laste van [appellant] onrechtmatig in beslag genomen gelden;

G. een verklaring voor recht dat Octrooibureau Zuid onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door tot april 1997 te dreigen het kort-gedingvonnis van 5 januari 1995 ten uitvoer te leggen;

H. veroordeling van Octrooibureau Zuid om aan [appellant] ƒ 315.000,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 1997, terzake het onder G. bedoelde onrechtmatige handelen;

I. veroordeling van Octrooibureau Zuid tot betaling van ƒ 8.000,-- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 januari 1995, wegens ten onrechte geïncasseerde boetes;

J. een verklaring voor recht dat het aanvragen van het faillissement van [appellant] en het daarbij persisteren onrechtmatig was jegens [appellant], en dat Octrooibureau Zuid terzake schadeplichtig is geworden jegens [appellant];

K. veroordeling van Octrooibureau Zuid om aan [appellant] ƒ 136.137,13 te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 mei 1996, terzake het onder J. bedoelde onrechtmatige handelen;

L. veroordeling van Octrooibureau Zuid tot betaling van ƒ 5.000,-- aan niet verbeurde en dus ten onrechte betaalde boetes in de periode tot 1 mei 1995 en ƒ 177.000,-- aan inkomensschade, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 13 januari 1995;

M. veroordeling van Octrooibureau Zuid in de proceskosten;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.2.2. In reconventie vorderde Octrooibureau Zuid in eerste aanleg, na wijziging van haar eis, voorwaardelijk, veroordeling van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van nog onbetaald gebleven dwangsommen ten belope van ƒ 40.001,95, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 mei 1995 en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft Octrooibureau Zuid de stelling ten grondslag gelegd dat [appellant] in de periode van 6 januari 1995 tot 1 mei 1995 (115 dagen) ƒ 115.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd terwijl Octrooibureau Zuid via de door haar gelegde executoriale beslagen een bedrag van ƒ 74.998,05 heeft geïncasseerd zodat [appellant] nog ƒ 40.001,95 dient te voldoen.

4.3.1. De rechtbank heeft in conventie - kort gezegd -:

- vordering C toegewezen tot een bedrag van E. 6.552,79 (ƒ 14.440,44);

- vordering D toegewezen, echter zonder oplegging van de gevorderde dwangsom;

- de vorderingen E, F, G, en I toegewezen;

- het meer of anders gevorderde afgewezen;

- de proceskosten gecompenseerd, in dier voege dat elke partij de eigen kosten diende te dragen.

4.3.2. In reconventie heeft de rechtbank het gevorderde afgewezen en Octrooibureau Zuid in de proceskosten veroordeeld.

4.4.1. [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis in conventie op de navolgende onderdelen gewijzigd.

- Aan de vorderingen A. en B. heeft [appellant] in de toelichting op grief 6 subsidiaire vorderingen toegevoegd in dier voege dat voor recht dient te worden verklaard:

A. dat [appellant] het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 slechts éénmaal heeft overtreden en derhalve slechts één dwangsom van ƒ 1.000,-- heeft verbeurd;

B. dat Octrooibureau Zuid onrechtmatig heeft gehandeld door meer dwangsommen te incasseren.

- Het onder K gevorderde bedrag heeft [appellant] in de toelichting op grief 3 verhoogd tot E. 106.398,32 (te vermeerderen met een p.m.-post terzake wettelijke rente).

- Het onder L gevorderde bedrag heeft [appellant] in de toelichting op grief 4 verhoogd tot in totaal E. 180.907,56.

4.4.2. Ook Octrooibureau Zuid heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij vordert thans in reconventie - naar het hof begrijpt niet langer voorwaardelijk -:

A. veroordeling van [appellant] tot betaling van nog onbetaald gebleven dwangsommen ten belope van ƒ 40.001,95, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 mei 1995;

en subsidiair, voor het geval de vordering onder A niet geheel wordt toegewezen:

B. [appellant] op grond van artikel 22 Rv op straffe van een dwangsom te bevelen de relevante administratie van [appellant] en het Brabants Octrooibureau, voor zover betrekking hebbende op de periode van januari tot mei 1995, zoals nader omschreven in het petitum van de memorie van grieven in incidenteel appel, in het geding te brengen;

C. [appellant] op grond van artikel 843a Rv straffe van een dwangsom te veroordelen om op kosten van Octrooibureau Zuid aan Octrooibureau Zuid afschriften ter beschikking te stellen van de onder B. bedoelde bescheiden;

een en ander uitvoerbaar bij voorraad, en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incidentele appel.

Overtredingen concurrentiebeding

4.5.1. Het hof stelt voor de goede orde voorop dat tussen partijen vast staat dat [appellant] het concurrentiebeding in de periode van 29 juli 1994 tot 12 januari 1995 vijfmaal heeft overtreden, en derhalve vijf boetes van ƒ 1.000,-- heeft verbeurd. Dit is beslist in het in r.o. 4.1 sub g genoemde vonnis van 10 september 1999, en het door Ocrooibureau Zuid tegen dat vonnis ingestelde cassatieberoep is verworpen.

4.5.2. Door Octrooibureau Zuid is dan ook geen grief gericht tegen de toewijzing van vordering I. Die vordering was gebaseerd op de stelling dat Octrooibureau Zuid van de terzake verbeurde boetes geïncasseerde ƒ 13.000,-- een bedrag van ƒ 8.000,-- moet terugbetalen.

Overtreding(en) kortgedingvonnis 5 januari 1995

- grieven 1 en 2 in incidenteel appel

- grief 6 in principaal appel

- grieven 3 t/m 6 in incidenteel appel

4.6.1. Het hof zal zich thans eerst uitlaten over de door de grieven aan de orde gestelde vraag of, en zo ja in welke mate, [appellant] het verbod heeft overtreden dat hem bij het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 is opgelegd.

4.6.2. De rechtbank heeft in r.o. 2.2 van het beroepen eindvonnis van 8 maart 2002 geoordeeld dat het daarbij gaat om de periode van 13 januari 1995 tot 1 mei 1995. Hoewel Octrooibureau Zuid haar vordering in reconventie aanvankelijk heeft gebaseerd op overtreding van het vonnis in de periode van 6 januari 1995 tot en met 2 mei 1995, heeft zij geen grieven gericht tegen het uitgangspunt van de rechtbank dat het gaat om de genoemde beperktere periode. Integendeel: onder meer in de paragrafen 58, 62 en 66 van de memorie van grieven in incidenteel appel gaat Octrooibureau Zuid ook zelf uit van de periode van 13 januari 1995 tot 1 mei 1995.

Ook het hof zal daarom van die periode uitgaan.

4.6.3. De rechtbank heeft in het beroepen eindvonnis van 23 juli 2003 geoordeeld dat [appellant] in de betreffende periode het in het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 opgelegde verbod éénmaal heeft overtreden.

4.7.1. Door middel van haar eerste en (een deel van haar) tweede grief in incidenteel appel betoogt Octrooibureau Zuid dat de rechtbank ten onrechte zelfstandig heeft beoordeeld of, en zo ja, tot welk bedrag, terzake overtreding van het kortgedingvonnis dwangsommen zijn verbeurd.

Octrooibureau Zuid stelt dat het aan de rechtbank niet meer vrij stond om zich hierover als bodemrechter een oordeel te vormen, aangezien bij het kortgedingvonnis van 22 juni 1995, welk vonnis bij arrest van 3 juni 1997 is bekrachtigd, reeds was geoordeeld dat [appellant] zich gedurende de gehele periode vanaf de betekening van het vonnis van 5 januari 1995 niet aan het hem opgelegde verbod heeft gehouden, zodat hij voor iedere dag van die periode een dwangsom van ƒ 1.000,-- heeft verbeurd.

4.7.2. Deze grieven falen. Tussen de partijen bestaat een verschil van mening over de vraag of [appellant] dwangsommen heeft verbeurd. In de door Octrooibureau Zuid genoemde kortgedingprocedure is daarover slechts een voorlopig oordeel gegeven. De rechter in een bodemprocedure is aan dat voorlopige oordeel niet gebonden.

4.8.1. In grief 6 in principaal appel betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] het in het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 opgelegde verbod éénmaal heeft overtreden. [appellant] voert daartoe aan dat de betreffende overtreding is uitgelokt door de rechercheurs van het door Octrooibureau Zuid ingeschakelde [recherchebureau].

4.8.2. Het hof verwerpt deze grief. [appellant] heeft erkend dat hij in de betreffende situatie het verbod heeft overtreden. [appellant] wist dat dit niet was toegestaan en hij heeft derhalve de aan overtreding van het verbod verbonden dwangsom verbeurd. Hetgeen door [appellant] is gesteld over uitlokking van de betreffende overtreding acht het hof van onvoldoende gewicht voor een ander oordeel.

4.9.1. De grieven 3, 4, 5 en 6 in incidenteel appel kunnen gezamenlijk worden behandeld. Ook deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] het in het kort-gedingvonnis van 5 januari 1995 opgelegde verbod éénmaal heeft overtreden.

In haar toelichting op deze grieven betoogt Octrooibureau Zuid dat zij voldoende bewijs heeft aangedragen voor haar stelling dat [appellant] het verbod niet slechts éénmaal, maar gedurende de gehele periode van 13 januari tot 1 mei 1995 heeft overtreden.

Voor zover nog onvoldoende bewijs zou zijn aangedragen had de rechtbank Octrooibureau Zuid in ieder geval moeten toelaten nader bewijs te leveren, zo stelt Octrooibureau Zuid.

4.9.2. Het hof stelt vast dat Octrooibureau Zuid geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank

in r.o. 2.2 van het eindvonnis van 23 juli 2003 dat Octrooibureau Zuid in conventie de bewijslast heeft van haar stelling dat [appellant] het in het kortgedingvonnis opgelegde verbod heeft overtreden. Ook het hof zal daarom die bewijslastverdeling in conventie tot uitgangspunt nemen.

In reconventie heeft Octrooibureau Zuid ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv eveneens de bewijslast van die stelling.

4.9.3. Teneinde te kunnen beoordelen of [appellant] het verbod vaker dan éénmaal heeft overtreden, en zo ja, hoeveel keer, dient allereerst te worden vastgesteld wat de strekking van dat verbod was.

De rechtbank heeft in r.o. 2.1 van het beroepen eindvonnis van 23 juli 2003 geoordeeld dat het in het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 gegeven verbod dezelfde strekking heeft als het concurrentiebeding, en dat het verbod derhalve op grond van het onherroepelijk geworden vonnis van 10 september 1999 aldus dient te worden uitgelegd dat een dwangsom is verschuldigd voor elke keer dat [appellant] de in het verbod omschreven diensten heeft verleend of voor elke dag gedurende welke [appellant] met die daadwerkelijke dienstverlening bezig is geweest.

Octrooibureau Zuid heeft tegen deze uitleg van het bij het kortgedingvonnis gegeven verbod geen grief gericht. In de punten 58 en 59 van de memorie van grieven in incidenteel appel heeft zij zich aan die "beperkte" uitleg van het verbod geconformeerd. Het hof zal daarom bij beoordeling van de vraag hoe vaak [appellant] het verbod heeft overtreden, van deze "beperkte" uitleg van het verbod uitgaan.

4.9.4. Het feit dat Octrooibureau Zuid vervolgens in de paragrafen 15, 16 en 18 van haar pleitnota een ruimere uitleg van het verbod heeft bepleit brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het betoog van Octrooibureau Zuid dat deze ruimere uitleg gehanteerd moet worden is te beschouwen als een nieuwe grief tegen het beroepen eindvonnis. Het hof laat deze nieuwe grief buiten beschouwing nu die grief, in strijd met de goede procesorde, niet bij de memorie van grieven naar voren is gebracht en [appellant] niet uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd met het alsnog in de beoordeling betrekken van deze grief.

4.9.5. De vraag dient derhalve te worden beantwoord of [appellant] in de periode van 13 januari 1995 tot 1 mei 1995 direkt of indirekt diensten heeft verleend op het gebied van octrooien, merken, modellen, auteursrecht en dergelijke (in het algemeen de intellectuele en industriële eigendom) en zo ja, hoe vaak en gedurende hoeveel dagen, met dien verstande dat het [appellant] wel was toegestaan een zelfstandig octrooibureau te vestigen buiten de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland.

4.9.6. Een redelijke uitleg van dit verbod brengt naar het oordeel van het hof mee dat het [appellant] wel was toegestaan om de betreffende diensten in de genoemde periode te verlenen vanuit het door hem geopende kantoor in Nijmegen, maar niet vanuit de kantoorruimte die hij had gehuurd in Nuenen.

4.9.7. Dat [appellant] dit verbod in de genoemde periode vaker dan éénmaal heeft overtreden, kan op grond van de door Octrooibureau Zuid aangedragen gedingstukken niet bewezen worden geacht. Uit die gedingstukken kan niet worden geconcludeerd dat meerdere concrete overtredingen van het verbod hebben plaatsgevonden. In zoverre falen de grieven 3 tot en met 6.

4.9.8. De grieven slagen echter, voor zover zij gericht zijn tegen het feit dat de rechtbank Octrooibureau Zuid niet tot nadere bewijslevering heeft toegelaten.

In hoger beroep heeft Octrooibureau Zuid uitdrukkelijk en specifiek aangeboden te bewijzen dat [appellant] het verbod, ook in de "beperkte" uitleg daarvan, in de periode van 13 januari 1995 tot 1 mei 1995 bij herhaling heeft overtreden en terzake dwangsommen heeft verbeurd. Als te horen getuigen heeft Octrooibureau Zuid onder meer [appellant] en diens administrateur of boekhouder genoemd. Het hof zal Octrooibureau Zuid tot deze bewijslevering toelaten.

4.9.9. Octrooibureau Zuid heeft in dit verband kenbaar gemaakt dat zij het van haar verlangde bewijs mede wil leveren door het in het geding brengen van de relevante administratie van [appellant] en van diens eenmanszaak het Brabants Octrooibureau, voor zover betrekking hebbend op de periode van januari tot mei 1995. In verband daarmee heeft Octrooibureau Zuid de in r.o. 4.2.2 onder B en C geformuleerde vorderingen ingesteld.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [appellant] gesteld dat deze administratie niet meer voorhanden is. Octrooibureau Zuid heeft dat bij gelegenheid van het pleidooi niet betwist. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding om [appellant] op straffe van een dwang-som te veroordelen de door Octrooibureau Zuid bedoelde bescheiden in het geding te brengen en daarvan afschriften aan Octrooibureau Zuid te verstrekken.

4.9.10. Door Octrooibureau Zuid is bij gelegenheid van het pleidooi, nadat beide partijen aan de hand van hun pleitnota's hadden gepleit, nog geopperd dat de bankafschriften van [appellant] of zijn eenmanszaak uit de betreffende periode bij de bank zouden kunnen worden opgevaagd. Het hof acht daarvoor in het huidige stadium van de procedure vooralsnog geen termen aanwezig. Octrooibureau Zuid heeft onvoldoende onderbouwd wat omtrent de door haar te bewijzen feiten uit deze bankafschriften zou kunnen worden afgeleid. Indien [appellant] in de betreffende periode bepaalde betalingen heeft ontvangen kan daaruit immers nog niet worden geconcludeerd dat die betalingen betrekking hebben op verboden werkzaamheden die vanuit Nuenen zijn verricht.

4.9.11. In afwachting van de bewijslevering wordt elk verder oordeel over de grieven 3 tot en met 6 in incidenteel appel aangehouden.

4.10.1. Grief 2 in incidenteel appel is, voor zover in het voorgaande nog niet behandeld, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Octrooibureau Zuid geen belang heeft bij haar in r.o. 4.4.2 onder A van dit arrest weergegeven vordering, omdat het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 al een executoriale titel biedt om betaling van verbeurde dwangsommen te krijgen indien komt vast te staan dat [appellant] dwangsommen heeft verbeurd. Bij verkrijging van een tweede executoriale titel heeft Octrooibureau Zuid geen belang, zo overwoog de rechtbank.

4.10.2. Deze grief treft doel. Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag of en in welke mate [appellant] het bij vonnis van 5 januari 1995 opgelegde verbod heeft overtreden. Bij deze stand van zaken biedt het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 geen duidelijke titel aan Octrooibureau Zuid om dwangsommen te executeren. Dit blijkt ook uit het feit dat naar aanleiding van de door Octrooibureau Zuid in gang gezette executiemaatregelen door [appellant] een executiegeschil is opgeworpen, waarover in kort geding een voorlopig oordeel is gegeven en waarover in de onderhavige bodemprocedure een definitief oordeel zal worden gegeven. Het moge duidelijk zijn dat de eventuele executoriale titel die in de onderhavige bodemprocedure aan Octrooibureau Zuid wordt gegeven, in de plaats treedt van de in kort geding gegeven executoriale titels, zodat van een dubbele executoriale titel terzake dezelfde dwangsommen geen sprake is.

ten onrechte geïnde bedragen?

- grieven 1 en 7 in principaal appel

4.11.1. Grief 1 in principaal appel is gericht tegen het feit dat de rechtbank aan de toewijzing van vordering D niet, zoals gevorderd, een dwangsom heeft verbonden.

4.11.2. Deze grief kan bij gebrek aan belang geen doel treffen. Octrooibureau Zuid heeft immers in haar memorie van antwoord in principaal appel gesteld dat zij inmiddels geheel aan de onder D gevorderde veroordeling heeft voldaan. [appellant] heeft dit daarna niet weersproken. Het hof gaat er daarom vanuit dat Octrooibureau Zuid aan de onder D gevorderde veroordeling voldaan heeft zodat [appellant] geen belang meer heeft bij het verbinden van een dwangsom aan die veroordeling.

Of de rechtbank vordering D terecht heeft toegewezen is overigens nog afhankelijk van de uitkomst van de in r.o. 4.9.8 bedoelde bewijslevering.

4.12.1. Door middel van grief 7 in principaal appel betoogt [appellant] dat de rechtbank bij de toewijzing van vordering E de wettelijke rente over het daar bedoelde bedrag niet pas met ingang van de datum van het vonnis had moeten toewijzen maar met ingang van de dag dat het dividend betaalbaar is gesteld althans vanaf de dag van de dagvaarding.

4.12.2. Het hof zal het oordeel over deze grief aanhouden omdat in afwachting van de bewijslevering nog niet kan worden beoordeeld of vordering E terecht is toegewezen.

(On)mogelijkheid van hoger beroep tegen vonnis 13 juni 1996?

- grief 4 in principaal appel

- grief 7 in incidenteel appel

4.13.1. Grief 4 in principaal appel is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van vordering L.

Deze grief kan worden behandeld tezamen met grief 7 in incidenteel appel. Die grief heeft eveneens betrekking op vordering L.

4.13.2. [appellant] heeft aan vordering L het volgende ten grondslag gelegd.

Octrooibureau Zuid heeft onrechtmatig gehandeld door het faillissement van [appellant] aan te vragen en daarbij te persisteren. Doordat [appellant] in staat van faillissement verkeerde kon hij geen hoger beroep instellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 13 juni 1996, waarbij beslist is dat het concurrentiebeding één jaar zou gelden, tot 1 mei 1995.

Indien [appellant] wel hoger beroep had kunnen instellen tegen het vonnis, dan zou hij dat gedaan hebben en dan zou het vonnis waarschijnlijk zijn vernietigd en zou het concurrentiebeding geheel nietig verklaard zijn. In dat geval zou zijn komen vast te staan dat [appellant] géén contractuele boetes verschuldigd was (welke boetes thans op ƒ 5.000,-- zijn vastgesteld) en dat Octrooibureau Zuid [appellant] van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 ten onrechte aan het concurrentiebeding heeft gehouden. De hiermee verband houdende schade (ƒ 5.000,-- + inkomensschade) is een gevolg van het onrechtmatig aanvragen van en persisteren bij het faillissement, en dient dus door Octrooibureau Zuid vergoed te worden.

4.13.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat het concurrentiebeding in hoger beroep geheel nietig zou zijn verklaard, indien hij in de gelegenheid zou zijn geweest om van dat vonnis in hoger beroep te gaan.

4.13.4. In grief 7 in incidenteel appel betoogt Octrooibureau Zuid dat de rechtbank er aldus ten onrechte vanuit gaat dat [appellant] niet in de gelegenheid is geweest om tegen het vonnis van 13 juni 1996 in hoger beroep te gaan.

4.13.5. Deze grief slaagt. Uit de strekking van het stelsel van bepalingen van artikel 25 en verder van de faillissementswet (Fw) volgt dat een gefailleerde hoger beroep kan instellen tegen een vonnis waarbij is beslist omtrent een door hem ingestelde en op zijn naam gevoerde procedure, ook indien de vordering rechten van de boedel betreft (hetgeen in het onderhavige geval kan worden verdedigd nu de geldingsduur van het concurrentiebeding gevolgen had voor het al dan niet verbeurd zijn van contractuele boetes). In een dergelijk geval kan de wederpartij schorsing van de procedure vragen overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van de Fw, met de in dat artikel verder geregelde rechtsgevolgen (aldus HR 18 november 1983, NJ 1984, 256). Gesteld noch aannemelijk geworden is dat een dergelijk hoger beroep zou zijn geëindigd in een ontslag van instantie als bedoeld in artikel 27 lid 2 Fw, waarbij het hof ook in aanmerking neemt dat het onderhavige faillissement op 9 november 1996, derhalve slechts enkele weken na het einde van de beroepstermijn tegen het vonnis van 13 juni 1996, is opgeheven.

4.13.6. Uit het voorgaande volgt dat het hof evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, tot de slotsom komt dat vordering L moet worden afgewezen.

Grief 4 in principaal appel behoeft geen behandeling meer aangezien die grief gebaseerd is op de onjuiste veronderstelling dat [appellant] geen hoger beroep kon instellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 13 juni 1996 omdat hij in staat van faillissement verkeerde.

Dreiging met executie

- grief 8 in incidenteel appel

- grief 5 in principaal appel

4.14.1. De rechtbank heeft in conventie vordering G (verklaring voor recht dat Octrooibureau Zuid onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door tot april 1997 te dreigen het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 ten uitvoer te leggen) toegewezen, maar vordering H (veroordeling van Octrooibureau Zuid tot vergoeding van de schade die [appellant] door dit onrechtmatige handelen heeft geleden) afgewezen.

4.14.2. Grief 8 in incidenteel appel is gericht tegen de toewijzing van vordering G. In de toelichting op de grief betoogt Octrooibureau Zuid onder meer dat [appellant] vanaf het moment van het vonnis van de kantonrechter van 13 juni 1996, althans vanaf het moment dat dit vonnis kracht van gewijsde kreeg (13 september 1996) wist dat hij niet langer aan het concurrentiebeding gebonden was.

4.14.3. Naar het oordeel van het hof treft deze grief in zoverre doel dat [appellant] vanaf 13 juni 1996 niet langer aan het hem in kort geding gegeven verbod gebonden was. Aan het in kort geding gegeven verbod was vanaf die datum voor de toekomst de bodem ontvallen. Eventuele pogingen van Octrooibureau Zuid om in weerwil van dit onherroepelijk geworden bodemvonnis dwangsommen te innen terzake handelingen van [appellant] van ná 13 juni 1996 had [appellant] in een executiegeschil kunnen voorkomen.

4.14.4. Voor schade die [appellant] heeft geleden doordat hij zich in de periode tot 13 juni 1996 aan het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 heeft gehouden, is Octrooibureau Zuid echter wel aansprakelijk. Tussen partijen staat vast dat Octrooibureau Zuid het betreffende vonnis ten uitvoer heeft gelegd en aanspraak gemaakt heeft op volgens haar verbeurde dwangsommen.

Nu vervolgens in een bodemprocedure is vastgesteld dat Octrooibureau Zuid [appellant] slechts tot 1 mei 1995 aan het concurrentiebeding had mogen houden, is Octrooibureau Zuid aansprakelijk voor de schade die [appellant] heeft geleden doordat hij zich in de periode van 1 mei 1995 tot 13 juni 1996 aan dat vonnis heeft moeten houden.

Grief 8 in incidenteel appel faalt dus in zoverre.

4.14.5. Hierbij is voorts van belang dat het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 niet uitging van de in r.o. 4.9.3 van dit arrest omschreven "beperkte" strekking van het verbod. In r.o. 4.4.2 van dat vonnis overwoog de president immers dat de enkele vestiging van een onderneming waarin soortgelijke diensten worden verleend als in het bedrijf van Octrooibureau Zuid, binnen een door het concurrentiebeding bestreden periode en gebied, reeds onrechtmatig was. De president ging derhalve uit van een ruimere strekking van het verbod, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de president in het executiegeschil bij vonnis van 22 juni 1995 al dwangsommen verbeurd achtte terzake de enkele vestiging van een octrooibureau door [appellant] in het door het concurrentiebeding bestreken gebied, en niet pas bij daadwerkelijke dienstverlening.

[appellant] werd dus - op straffe van verbeurte van dwangsommen - tussen 1 mei 1995 en 13 juni 1996 verhinderd zijn onderneming uit te oefenen in de regio Eindhoven, zoals door hem wel werd beoogd.

4.14.6. Grief 5 in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.4 van het tussenvonnis van 8 maart 2002, dat de door [appellant] in verband met vordering H gestelde inkomensschade niet als een gevolg van het in 4.14.4 bedoelde onrechtmatige handelen kan worden aangemerkt.

Octrooibureau Zuid heeft deze grief bestreden door onder meer aan te voeren dat [appellant] zich niet aan het hem opgelegde verbod, opgevat in de in r.o. 4.14.6 bedoelde "ruimere strekking", heeft gehouden.

4.14.7. Het hof stelt vast dat op [appellant] in conventie de bewijslast rust van zijn stelling dat hij in de periode van 1 mei 1995 tot 13 juni 1996 schade heeft geleden doordat hij zich heeft moeten houden aan het verbod dat hem in het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 werd opgelegd.

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid te stellen om te bewijzen dat, en in welke mate, hij hierdoor schade heeft geleden. Bij het leveren van tegenbewijs kan Octrooibureau Zuid proberen aannemelijk te maken dat [appellant] - zoals Octrooibureau Zuid heeft gesteld - zich niet aan het betreffende verbod heeft gehouden.

4.14.8. Het hof kan niet uitsluiten dan na afloop van de getuigenverhoren nog een deskundigenbericht moet volgen ter bepaling van de omvang van de inkomensschade die [appellant] heeft geleden doordat hij zich in de periode van 1 mei 1995 tot 13 juni 1996 aan het verbod heeft moeten houden. Ook kan het hof niet uitsluiten dat het in dat verband wenselijk is dat boekhoudkundige gegevens over de jaren 1995 en 1996 worden overgelegd. De partijen kunnen zich hierover uitlaten bij memorie na enquête. Het hof wil de partijen ook de gelegenheid bieden hierover aansluitend aan de getuigenverhoren van gedachten te wisselen met de raadsheer-commissaris. Het hof zal daartoe een comparitie van partijen gelasten, te houden aansluitend aan de getuigenverhoren.

Aansprakelijkheid voor schade door faillissement?

- grieven 2 en 3 in principaal appel

4.15.1. De grieven 2 en 3 in principaal appel zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen J en K in conventie.

4.15.2. De rechtbank heeft aan die afwijzing het oordeel ten grondslag gelegd dat Octrooibureau Zuid niet onrechtmatig heeft gehandeld door het faillissement van [appellant] aan te vragen en door bij die aanvraag te persisteren. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Octrooibureau Zuid op [appellant] in ieder geval een vordering had terzake de proceskosten waarin [appellant] bij de kortgedingvonnissen van 5 januari 1995 en 22 juni 1995 was veroordeeld, terwijl de vordering van mr. Jacobs de steunvordering vormde.

4.15.3. [appellant] heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat hij ten tijde van de faillissementsaanvraag aan Octrooibureau Zuid reeds ƒ 13.000,-- terzake boetes had voldaan, terwijl inmiddels is komen vast te staan dat hij slechts ƒ 5.000,-- aan boetes verschuldigd was, en dat Octrooibureau Zuid ten tijde van de faillissementsaanvraag terzake beweerdelijk verbeurde dwangsommen ten laste van [appellant] aanmerkelijke geldbedragen had geïncasseerd en aandelen Philips in beslag had genomen.

4.15.4. Het hof stelt dienaangaande voorop dat uit de in r.o. 4.1 sub h genoemde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat Octrooibureau Zuid op 20 mei 1996 een redelijk belang had bij de faillissementsaanvraag. De door [appellant] opgeworpen grieven 2 en 3 stellen de vraag aan de orde of Octrooibureau Zuid niettemin aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad, in het geval waarin achteraf - in deze procedure - wordt vastgesteld dat de vorderingen waarvoor Octrooibureau Zuid het faillissement heeft aangevraagd op die datum niet, althans niet in die omvang, bestonden.

4.15.5. Indien Octrooibureau Zuid niet of slechts in beperkte mate in de in r.o. 4.9.8 bedoelde bewijslevering slaagt, heeft naar het oordeel van het hof Octrooibureau Zuid onrechtmatig gehandeld en kan zij op grond van dit onrechtmatig handelen aansprakelijk worden geacht voor de schade die [appellant] door het faillissement heeft geleden.

In dat geval komt immers vast te staan dat Octrooibureau Zuid ten tijde van de faillissementsaanvraag reeds tot te hoge bedragen boetes en dwangsommen ten laste van [appellant] had geïnd. In die situatie moet het door Octrooibureau Zuid aanvragen van het faillissement van [appellant] en het persisteren daarbij, achteraf bezien, onjuist worden geacht. Bij het oordeel dat dit een onrechtmatige daad oplevert, acht het hof ook de in r.o. 4.15.6 en 4.15.7 te noemen omstandigheden van belang.

4.15.6. Het hof acht bij het voorgaande van belang dat de faillissementsaanvraag met name was gebaseerd op boetes en dwangsommen waarvan nog niet definitief was vastgesteld of zij daadwerkelijk verbeurd waren. Octrooibureau Zuid wist, althans behoorde te begrijpen, dat zij nog slechts over een voorlopige titel (te weten een kort-gedingvonnis waarbij de door haar gestelde geldvordering was toegewezen) beschikte om de door haar gevorderde bedragen te executeren. Dit had Octrooibureau Zuid aanleiding moeten geven tot terughoudendheid bij het aanvragen van het faillissement van [appellant], te meer nu Octrooibureau Zuid wist dat dwangsommen in het faillissement niet konden worden geverifieerd en met betrekking tot de beweerdelijk verbeurde boetes een bodemprocudure liep waarin [appellant] het standpunt verdedigde dat hij geen boetes had verbeurd.

4.15.7. Het voorgaande klemt te meer nu de steunvordering, die mede aan de faillissementsaanvraag ten grondslag is gelegd, ook nauw samenhing met de door Octrooibureau Zuid op grond van het concurrentiebeding tegen [appellant] gevoerde procedures. Het onderhavige geval kenmerkt zich er derhalve door dat [appellant] niet zozeer jegens vele schuldeisers in de toestand verkeerde dat hij zijn schulden niet meer betaalde, maar dat hij uitsluitend schulden, gerelateerd aan de door Octrooibureau Zuid tegen hem gevoerde procedures niet meer voldeed. In het geval waarin - indien Octrooibureau Zuid niet of slechts in beperkte mate in de in r.o. 4.9.8 bedoelde bewijslevering slaagt - is komen vast te staan dat de door Octrooibureau Zuid aan de faillissementsaanvraag ten grondslag gelegde dwangsommen en boetes niet verschuldigd waren omdat Octrooibureau Zuid op dat moment door onder [appellant] gelegde beslagen al meer had geïnd dan haar achteraf bezien toekwam, moet Octrooibureau Zuid op grond van onrechtmatig handelen jegens [appellant] aansprakelijk worden geacht voor de schade die [appellant] door de faillissementsaanvraag heeft geleden.

4.15.8. De omstandigheid dat [appellant] ten tijde van de faillissementsaanvraag wellicht twee proceskostenveroordelingen nog niet had voldaan en een rekening van zijn voormalige advocaat (de steunvordering) nog niet had betaald brengen het hof niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid neemt niet weg dat [appellant] achteraf bezien - indien Octrooibureau Zuid niet of slechts in beperkte mate in de in r.o. 4.9.8 bedoelde bewijslevering slaagt - ten tijde van de faillissementsaanvraag per saldo niets aan Octrooibureau Zuid verschuldigd was en dat het faillissement niet zou zijn uitgesproken indien Octrooibureau Zuid het niet had aangevraagd en bij die aanvraag niet - op grond van titels waarvan zij wist dat die slechts voorlopig waren - had gepersisteerd.

4.15.9. Op [appellant] rust in conventie de bewijslast van zijn stelling dat hij door het faillissement schade heeft geleden.

Het hof zal [appellant] om redenen van proces-economie reeds thans in de gelegenheid stellen bewijs te leveren omtrent de omvang van de door hem geleden schade.

Voor zover het gaat om inkomensschade geldt hetgeen het hof reeds in r.o. 4.14.9 heeft overwogen. Omtrent eventuele nadere bewijslevering met betrekking tot deze schade kunnen de partijen zich uitlaten bij memorie na enquête en ook kan daarover van gedachten worden gewisseld tijdens de reeds genoemde comparitie van partijen.

4.15.10. Het hof zal elk verder oordeel over de grieven 2 en 3 in principaal appel en over de vorderingen J en K in conventie aanhouden, in afwachting van de in r.o. 4.9.8 en in r.o. 4.15.9 bedoelde bewijslevering.

Proceskosten eerste aanleg

- grief 8 in principaal appel

4.16. Ook met betrekking tot de in het voorgaande nog niet besproken grief 8 in principaal appel wordt elk oordeel aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

laat Octrooibureau Zuid toe te bewijzen:

A. dat (hoe vaak en gedurende hoeveel dagen) [appellant] in de periode van 13 januari 1995 tot 1 mei 1995 vanuit de kantoorruimte die hij had gehuurd in Nuenen, direkt of indirekt diensten heeft verleend op het gebied van octrooien, merken, modellen, auteursrecht en dergelijke (in het algemeen de intellectuele en industriële eigendom);

laat [appellant] toe te bewijzen:

B. dat en in welke mate hij schade heeft geleden doordat hij zich in de periode van 1 mei 1995 tot 13 juni 1996 heeft gehouden aan het verbod dat hem bij het kortgedingvonnis van 5 januari 1995 is opgelegd;

C. dat en in welke mate hij schade heeft geleden door het door Octrooibureau Zuid aangevraagde faillissement;

bepaalt, voor het geval partijen of een van hen bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord door mr. I.B.N. Keizer als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

bepaalt dat de partijen aansluitend aan de getuigenverhoren zullen verschijnen voor voormelde raadsheer-commissaris, met de hiervoor in r.o. 4.14.8 en r.o. 4.15.9 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 mei 2006 na datum tussenarrest) voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op woensdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden mei, juni en september 2006;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat partijen tevoren overleg plegen over het aantal en de persoon van de getuigen dat tegen deze datum zal worden opgeroepen en de volgorde waarin de getuigen zullen worden voorgebracht;

bepaalt dat de procureurs tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de mrs. Van Schaik-Veltman, Keizer en Van den Bergh, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 april 2006.