Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2564

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
C0500256BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag die beoordeeld dient te worden is of [appellant] als huurder c.q. bezitter van de zaak (een enveloppe met E. 6.000,-), welke zaak aan de nalatenschap toebehoort, aansprakelijk is voor de gevolgen van de diefstal. De rechtbank heeft dienaangaande juist geoordeeld dat de enveloppe met geld onder beheer van [appellant] stond (vgl. artikel 4:144 BW). Onder beheer moeten alle handelingen worden begrepen die voor een normale exploitatie van een goed dienstig kunnen zijn, artikel 3:170 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. ML

rolnr. C0500256/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 31 januari 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

9 februari 2005,

verder te noemen: [appellant],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE 1],

wonende te [plaats],

en

[GEÏNTIMEERDE 2],

wonende te [plaats],

en

[GEÏNTIMEERDE 3],

wonende te [plaats],

en

[GEÏNTIMEERDE 4],

wonende te [plaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 131371/HA ZA 04-613 gewezen vonnis van 10 november 2004 tussen [appellant] als gedaagde en geïntimeerden als eisers.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] 2 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep - naar het hof begrijpt alleen voor zover hij onder III en IV van het dictum is veroordeeld - en, kort gezegd, tot afwijzing van de betreffende vorderingen met veroordeling van geïntimeerden in de kosten.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties hebben geïntimeerden de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Onder punt 1 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank een aantal feiten vastgesteld die in hoger beroep niet zijn bestreden. Het hof neemt deze feiten tot uitgangspunt.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1. [appellant] is gehuwd met [echtgenote appellant]. De ouders van [echtgenote appellant] zijn overleden; [de man] op 5 september 1996, [de vrouw] op 15 januari 2002. [de vrouw] heeft [appellant] bij testament als 'executeur met bezit' benoemd.

4.2.2. Op 25 januari 2002 heeft [appellant] of [echtgenote appellant] E. 6.000,- in contanten opgenomen van de bankrekening van [de vrouw]. Dit geld is opgeborgen in de kluis van [appellant] en [echtgenote appellant] in hun woning. Op of omstreeks 9 februari 2002 is de kluis met inhoud gestolen.

4.2.3. Onder c. van het petitum van de inleidende dagvaarding hebben geïntimeerden, toen eisers, onder meer gevorderd [appellant] te veroordelen om E. 6.000,- aan de nalatenschap van [de vrouw] te betalen, geld dat in de gestolen kluis opgeborgen lag.

4.2.4. Onder d. van het petitum van de inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde 2] van [appellant] betaling van E. 884,86 gevorderd terzake van haar toekomende sieraden die in de kluis opgeborgen lagen.

4.2.5. De rechtbank heeft de vordering onder c onder III van het dictum toegewezen, waartoe in rov. 3.26 was overwogen kort gezegd dat [appellant] jegens de erfgenamen onvoldoende zorg heeft betracht en derhalve toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichting als executeur (-testamentair). Tegen dit oordeel komt grief 1 op.

4.2.6. Grief 2 heeft betrekking op de sieraden waarvan de vervangende schadevergoeding is toegewezen onder IV van het dictum.

4.3. Grief 1

4.3.1. In de toelichting op de grief stelt [appellant] dat het bedrag van E. 6.000,- bij de bank is opgenomen door zijn echtgenote als gevolmachtigde op de bankrekening van [de vrouw]. Geïntimeerden betwisten de volmacht. Het hof merkt dienaangaande op dat, zoals geïntimeerden ook stellen, zo er een volmacht was, deze mogelijk is geëindigd door de dood (artikel 3:72 BW). Het hof laat in het midden of de echtgenote van [appellant] aansprakelijk is voor terugbetaling, reeds omdat de vordering niet jegens haar is ingesteld en [appellant] niet aansprakelijk wordt voor de schuld van zijn echtgenote op de enkele grond dat hij en zijn echtgenoten in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.

De subsidiaire en de geheel subsidiaire stellingen van geïntimeerden ingenomen in punt 8 van de conclusie van repliek worden hiermee verworpen.

4.3.2. [appellant] stelt dan dat het geld in de kluis in hun woning is opgeborgen zodat hij en zijn echtgenote het bedrag onder zich hadden. Het hof begrijpt dat [appellant] dit onder zich hebben, niet alleen als feit presenteert, maar tevens daaraan het rechtsgevolg koppelt dat hij, met het neerleggen door zijn vrouw van het geld in de kluis, tevens het geld als executeur in bezit heeft genomen c.q. gekregen. [appellant] betwist immers niet de verwijzing door de rechtbank naar zijn positie van executeur(-testamentair). Geïntimeerden hebben niet betwist dat [appellant] als executeur gerechtigd was tot inbezitneming. Met deze inbezitneming zijn de in de vorige rechtsoverweging genoemde gebreken (er was geen volmacht resp. deze was geëindigd door de dood) geheeld. Daarmee dienen de primaire en de meer subsidiaire stellingen van geïntimeerden te worden verworpen (punt 8 CvR).

4.3.3. Het hof constateert voorts dat partijen, en in hun voetspoor de rechtbank, het opgenomen bedrag van E. 6.000,- kennelijk aanmerken als een geïndividualiseerde zaak. In de aangifte van diefstal wordt als gestolen een enveloppe met E. 6.000,- vermeld. Partijen hebben bovendien niet gesproken over vermenging van dit saldo met geld van [appellant]. Geïntimeerden hebben dienovereenkomstig onder het kopje 'Grondslag van de vordering' gesteld dat zij van mening zijn dat de diefstal van het bedrag van E. 6.000,- en de sieraden naar in het verkeer geldende rechtsopvatting voor rekening en risico van [appellant] dienen te blijven. Zij stellen het opbergen van de sieraden en het geld op één lijn in welk verband zij spreken van bewaren (punt 11 inleidende dagvaarding). Uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil is derhalve niet de vraag of reeds door het opnemen van het geld bij de bank, dan wel het leggen van het geld in de kluis (het onder zich nemen) er voor [appellant] en/of zijn echtgenote een obligatoire verbintenis jegens de nalatenschap is ontstaan.

4.3.4. De vraag die beoordeeld dient te worden is of [appellant] als huurder c.q. bezitter van de zaak (een enveloppe met E. 6.000,-), welke zaak aan de nalatenschap toebehoort, aansprakelijk is voor de gevolgen van de diefstal. De rechtbank heeft dienaangaande juist geoordeeld dat de enveloppe met geld onder beheer van [appellant] stond (vgl. artikel 4:144 BW). Onder beheer moeten alle handelingen worden begrepen die voor een normale exploitatie van een goed dienstig kunnen zijn, artikel 3:170 BW.

4.3.5. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op [appellant] de plicht rustte jegens de erfgenamen om de nodige zorg te betrachten.

4.3.6. Als reden om het geld op te nemen en thuis in de kluis te bewaren geeft [appellant] op dat bij hem het vermoeden bestond dat niet alle erfgenamen bereid zouden zijn om een verklaring van erfrecht te ondertekenen, om op die wijze zorg te dragen voor voldoening van de kosten van de executeur samenhangend met de begrafenis.

4.3.7. Wat er ook moge zijn van de gegrondheid van de reden om het geld op te nemen, naar het oordeel van het hof is deze grond ontoereikend om het bewaren van geld in de kluis thuis te rechtvaardigen. Niet valt in te zien dat dit geld niet gestort had kunnen worden op een nieuw te openen bankrekening ten name van zijn schoonmoeder of op een eigen bankrekening. Terzijde merkt het hof op dat de stelling van [appellant] dat het geld niet zonder de instemming van alle erfgenamen van de rekening van de erven voldaan konden worden, dus niet ter zake doende is maar tevens afstuit op zijn benoeming tot executeur met bezit.

4.3.8. [appellant] heeft met het deponeren van het geld in de kluis bij hem thuis het risico van diefstal genomen. Dat een kluis uit een huis wordt gestolen is immers niet zo uitzonderlijk dat daarmee geen rekening gehouden behoefde te worden. Dit geldt zeker ten opzichte van [appellant] die al driemaal eerder met een woninginbraak was geconfronteerd.

4.3.9. Voorts had [appellant] het geld niet in de kluis mogen deponeren en bewaren zonder toereikend verzekerd te zijn. Hij mocht er immers niet op vertrouwen dat de kluis niet gestolen zou worden. De enkele omstandigheid dat de begrafenis op korte termijn plaatsvindt (en de rekening niet lang op zich zal laten wachten), doet daar niet aan af, omdat ook in die korte termijn de kluis gestolen kan worden, welk feit zich ook heeft voorgedaan.

4.3.10. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat [appellant] in zijn zorgplicht jegens de erfgenamen tekort is geschoten, waaraan niet kan afdoen dat vier van de acht erfgenamen instemden met de handelwijze van [appellant]. Voor zover in de stellingen van [appellant] een beroep op overmacht moet worden gelezen (artikel 6:75 BW), wordt het verworpen, omdat naar in het verkeer geldende opvattingen het risico van diefstal van de kluis (waarvan een waardevolle inhoud niet of ontoereikend is verzekerd) voor rekening van [appellant] dient te komen.

4.3.11. Subsidiair heeft [appellant] betoogd dat de inboedelverzekeraar de schade van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft vergoed. Hij stelt dat geïntimeerden de schade onder hun eigen inboedelverzekering hadden kunnen claimen. Het hof verwerpt deze stelling als speculatief, ontoereikend onderbouwd en onaannemelijk. Uit niets blijkt immers dat geïntimeerden krachtens hun eigen inboedelverzekering recht zouden hebben op vergoeding van schade, als waarvan hier sprake is, ontstaan door een inbraak in de woning van [appellant], terwijl door [appellant] geen bewijs wordt aangeboden van deze door geïntimeerden betwiste stelling.

4.3.12. De grief faalt.

4.4. Grief 2

4.4.1. Deze grief heeft betrekking op de vordering van geïntimeerde [geïntimeerde 2] tot vergoeding van de schade die door haar is geleden als gevolg van de diefstal van de kluis waarin haar bij codicil toebedeelde sieraden waren opgeborgen. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen op dezelfde gronden als ten aanzien van voornoemde enveloppe met geld.

4.4.2. Het hof komt ten aanzien van de sieraden tot een ander oordeel dan de rechtbank. Voor geld geldt dat dit tegen diefstal beveiligd op een bankrekening kan worden gestort. Voor sieraden geldt dat niet. Het hof acht het niet in strijd met de door de executeur in acht te nemen zorgvuldigheid om sieraden op te bergen in de kluis thuis. Dat de sieraden niet verzekerd waren door [appellant] oordeelt het hof niet onzorgvuldig. De geringe waarde daarvan noopte niet tot verzekeren.

4.5. Gelet op de familierelatie zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep maar alleen voorzover daarin in het dictum onder IV werd beslist;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de daarop betrekking hebbende vordering van [geïntimeerde 2] af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 januari 2006.