Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW1815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
03/01958
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moeten de in 2001 door belanghebbende van G ontvangen bedragen worden aangemerkt als inkomen uit werk en woning (standpunt Inspecteur) dan wel moeten de bedragen worden gerekend tot de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen (standpunt belanghebbende)?

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/39.16 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/01958

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest/kantoor P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekering opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.375,=, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van € 31,=.

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 december 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, A, tot bijstand vergezeld van B, beiden verbonden aan het kantoor C te Q, alsmede, namens de Inspecteur, de heer D.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen Het hof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is op 1 mei 1958 met de heer E een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam F (hierna: de firma). De firma exploiteerde een garagebedrijf annex benzinestation en een handel in personen- en bedrijfsauto's (hierna: het garagebedrijf). Belanghebbende en de heer E (hierna gezamenlijk aangeduid als: de firmanten) namen ieder voor 50% deel in de firma.

2.2. De firma heeft in 1992 met G B.V. (hierna: G) een "Afnameovereenkomst aardolieproducten verkooppunt" (hierna: de overeenkomst) gesloten. De overeenkomst is gedateerd op 22 mei 1992 en is op 4 juni 1992 door de firmanten ondertekend. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

1. Product, hoeveelheid en kwaliteit

U zult van ons of van een door ons schriftelijk aan te wijzen onderneming afnemen de algehele behoefte van het verkooppunt aan motorbrandstoffen (...).

(...).

7. Korting jaarlijks achteraf

Na afloop van elk jaar, waarin alle verplichtingen jegens ons zullen zijn nagekomen zullen wij op 15 juli en 15 januari van elk jaar een bedrag van ƒ 45.000,-- aan u overmaken. Het eerste bedrag ad.

ƒ 45.000,-- zal u op 15 juli 1992 worden overgemaakt, en het laatste bedrag op 15 januari 2002.

(...).

11. Duur

De overeenkomst wordt gesloten voor een periode van tien jaar, ingaande 15 juli 1992.

(...).

2.3. De firma heeft de exploitatie van het garagebedrijf vóór het jaar 2000 overgedragen aan een derde. In dat jaar behoorden tot het ondernemingsvermogen van de firmanten nog een aantal (verhuurde) onroerende zaken en het uit de overeenkomst voortvloeiende recht op de "korting jaarlijks achteraf" van in totaal ƒ 90.000,--.

2.4. De firmanten hebben de tot hun ondernemingsvermogen behorende vermogensbestanddelen op 31 december 2000 overgebracht naar hun privé vermogen.

2.5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekering over 2001 de door hem in 2001 van G ingevolge de overeenkomst ontvangen bedragen van in totaal (50% van ƒ 90.000,=) ƒ 45.000,= (of: € 20.420,=) gerekend tot de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen (box III).

2.6. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling de door belanghebbende in 2001 van G ontvangen vergoeding aangemerkt als inkomen uit werk en woning (box I).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Moeten de in 2001 door belanghebbende van G ontvangen bedragen worden aangemerkt als inkomen uit werk en woning (standpunt Inspecteur) dan wel moeten de bedragen worden gerekend tot de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen (standpunt belanghebbende)?

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat indien het gelijk aan de Inspecteur is, het beroep ongegrond is en indien het gelijk aan belanghebbende is, de aanslag moet worden verminderd conform de aangifte (verzamelinkomen: € 34.058,=).

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De onderneming is in 2000 gestaakt. De waarde van de (toekomstige) vorderingen op G was toen mijns inziens nihil. Ik kom niet toe aan de vraag of sprake is van een nagekomen bedrijfsbate.

De Inspecteur

Bij de bepaling van de hoogte van de stakingswinst zijn de (toekomstige) vorderingen op G in overeenstemming met de met gemachtigde gemaakte afspraken niet in aanmerking genomen. Het was beter geweest, indien dit wel was gebeurd. Ik kan mij niet vinden in een uitleg van de overeenkomst die meebrengt dat de van G in 2001 ontvangen bedragen zien op het onderhavige jaar (2001) en derhalve niet op het jaar 2000.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.955,= en uit sparen en beleggen van € 25.103,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Naar het oordeel van het hof is voor de beantwoording van de vraag die partijen verdeeld houdt, het bepaalde in artikel 7 van de overeenkomst beslissend. Het gelijk is aan de Inspecteur, indien die bepaling zo moet worden uitgelegd dat in 2001 sprake is geweest van betalingen 'achteraf' in verband met jegens G in het jaar 2000 nagekomen verplichtingen. De bedragen moeten in dat geval worden aangemerkt als nagekomen baten uit de in 2000 door belanghebbende uitgeoefende onderneming, die in het onderhavige jaar belastbaar zijn als inkomen uit werk en woning (box I). Het gelijk is aan belanghebbende, indien artikel 7 van de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat geen sprake is geweest van betalingen 'achteraf', maar van betalingen in verband met jegens G in 2001 (nog) na te komen verplichtingen. De bedragen moeten in dat geval worden gerekend tot de grondslag van het in het onderhavige jaar belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box III), aangezien het vorderingsrecht met betrekking tot de ontvangen bedragen in 2001 tot het privé vermogen van belanghebbende behoorde.

4.2. Artikel 7 van de overeenkomst draagt het opschrift "Korting jaarlijks achteraf". In de eerste volzin van artikel 7 is bepaald dat op 15 juli en 15 januari van elk jaar een bedrag van ƒ 45.000,= aan de firmanten zal worden overgemaakt. In de tweede volzin is bepaald dat het eerste bedrag van ƒ 45.000,= op 15 juli 1992 en het laatste op 15 januari 2002 zal worden overgemaakt. De overeenkomst is, zo blijkt uit artikel 11, aangegaan voor 10 jaar en ingegaan op 15 juli 1992. De eerste betaling heeft derhalve plaatsgevonden voordat er sprake kon zijn van nakoming van de jegens G aangegane verplichtingen. Uit het bepaalde artikel 11 volgt voorts dat de overeenkomst tot 15 juli 2002 zou lopen. De laatste betaling zou echter reeds op 15 januari 2002 plaatsvinden.

4.3. Het hof leidt uit het in 4.2 vermelde af dat artikel 7 van de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat, anders dan het opschrift suggereert, de 'korting' door G steeds 'vooraf' zou worden betaald. Het opschrift en de omstandigheid dat in de eerste volzin is bepaald dat de overmaking zal geschieden "na afloop van elk jaar, waarin alle verplichtingen jegens ons zullen zijn nagekomen", doen daaraan niet af. Met deze - niet zeer gelukkig gekozen - bewoordingen hebben partijen naar het oordeel van het hof kennelijk slechts bedoeld aan de 'korting' een voorwaardelijk karakter te geven en het aldus mogelijk te maken dat 'achteraf' zou worden beoordeeld of de 'korting' terecht was verleend, en, indien dat niet het geval was, of eventueel een (gehele of gedeeltelijke) terugbetaling zou dienen plaats te vinden.

4.4. Gelet op het vorenstaande hebben de in 2001 ontvangen betalingen betrekking op het jaar 2001 en is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de aanslag moet worden verminderd conform de aangifte.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op 2,5 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.207,50.

7. Beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.955,= en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.103,=,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,=,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.207,50 en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 15 maart 2006 door R.J. Koopman, voorzitter, A.J. van Soest en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 15 maart 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.