Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW1760

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
20-007734-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gedane leveringen van LPG moeten worden aangemerkt als voor het milieu ongunstige en vergunningplichtige veranderingen (van de werking) van de in of op de percelen [adres 1] respectievelijk [adres 2] gelegen inrichtingen.

Het hof heeft in zijn oordeel mede betrokken dat verdachte nadrukkelijk afstemming heeft gezocht met het bestuur. Dit doet evenwel op geen enkele wijze af aan het verboden karakter van het door haar gestelde en voor het milieu gevaarzettende handelen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2006-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-007734-05

Uitspraak : 4 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Breda van 29 november 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-043067-04 tegen:

[verdachte]V.O.F.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, en te dien aanzien opnieuw rechtdoende opnieuw zal bewezen verklaren het onder 1 primair en onder 2 primair is tenlastegelegd en verdachte terzake zal veroordelen tot een geldboete van EUR 750,-.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging daarvan in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1, primair:

zij in of omstreeks de periode maart 2003 tot en met 26 november 2003 te Oosterhout, samen en in vereniging met een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 1] gevestigd transport- en overslagbedrijf voor de op- en overslag van glazen flessen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 11 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd door het gebruik van een mobiele tankinstallatie voor het afvullen van LPG-wisselreservoirs voor heftrucks en/of ten aanzien van dat veranderde deel in werking heeft gehad;

1, subsidiair:

[Betrokkene 1] B.V. in of omstreeks de periode maart 2003 tot en met 26 november 2003 te Oosterhout, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 1] gevestigd transport en overslagbedrijf voor de op- en overslag van glazen flessen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 11 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd door het gebruik van een mobiele tankinstallatie voor het afvullen van LPG-wisselreservoirs voor heftrucks en/of ten aanzien van dat veranderde deel in werking heeft gehad, welk feit zij, verdachte, in of omstreeks de periode maart 2003 tot en met 26 november 2003 door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, hebbende zij toen daar met haar mobiele tankinstallatie in die inrichting die LPG-wisselreservoirs afgevuld;

2, primair:

zij in of omstreeks de periode juli 2002 tot en met 26 november 2003 te Oosterhout, samen en in vereniging met een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 2] gevestigde inrichting voor de opslag en het bemerken van peulvruchten en noten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd door het gebruik van een mobiele tankinstallatie voor het afvullen van LPG-wisselreservoirs voor heftrucks en/of ten aanzien van dat veranderde deel in werking heeft gehad;

2, subsidiair:

[Betrokkene 2] B.V. in of omstreeks de periode juli 2002 tot en met 26 november 2003 te Oosterhout, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 2] gevestigde inrichting voor de opslag en het bewerken van peulvruchten en noten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd door het gebruik van een mobiele tankinstallatie voor het afvullen van LPG-wisselreservoirs voor heftrucks en/of ten aanzien van dat veranderde deel in werking heeft gehad, welk feit zij, verdachte, in of omstreeks de periode juni 2002 tot en met 26 november 2003 door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, hebbende zij toen daar met haar mobiele tankinstallatie in die inrichting die LPG-wisselreservoirs afgevuld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1 zij in de periode maart 2003 tot en met 26 november 2003 te Oosterhout, samen en in vereniging met een ander opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning de werking heeft veranderd van een in of op perceel [adres 1] gevestigd transport- en overslagbedrijf voor de op- en overslag van glazen flessen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 11 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I door het gebruik van een mobiele tankinstallatie voor het afvullen van LPG-wisselreservoirs voor heftrucks;

2 zij in de periode juli 2002 tot en met 26 november 2003 te Oosterhout, samen en in vereniging met een ander opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning de werking heeft veranderd en in of op perceel [adres 2] gevestigde inrichting voor de opslag en het bemerken van peulvruchten en noten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I door het gebruik van een mobiele tankinstallatie voor het afvullen van LPG-wisselreservoirs voor heftrucks.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A2

De raadsman van verdachte heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnotities.

Op de gronden als in die pleitnotities vervat heeft de raadsman bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan haar is tenlastegelegd en daartoe primair gesteld dat het incidenteel aanwezig zijn van een mobiele tankinstallatie in de inrichting geen verandering van de inrichting oplevert, als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het geen vergunningplichtige verandering betreft.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A3.1

Het hof stelt voorop dat - zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - de leveringen van LPG met behulp van de mobiele tankinstallatie van verdachte niet als incidenteel kunnen worden aangemerkt. Het hof verwijst in dit verband naar de facturen zoals opgenomen op de doorgenummerde bladzijden 85 tot en met 89 van het dossier. Het hof leidt daaruit af dat de door verdachte aan de ondernemingen [Betrokkene 1] B.V. en [Betrokkene 2] B.V. verrichte leveringen bedrijfsmatig ondernomen activiteiten betroffen met een structureel en permanent karakter, in die zin dat er sprake was van steeds terugkerende handelingen (enkele malen per week) die zich ook in de toekomst zouden blijven herhalen.

Voorts overweegt het hof dat - gelijk de eerste rechter heeft overwogen en zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - in de milieuvergunningen ten behoeve van de activiteiten van de ondernemingen [Betrokkene 1] B.V. en [Betrokkene 2] B.V., bij wie verdachte telkens met haar mobiele LPG-tankinstallatie LPG-wisseltanks vulde, de aspecten van de opslag en gebruik van de LPG-wisseltanks gedetailleerd zijn beschreven.

Gelet op die gedetailleerde beschrijving moet aannemelijk worden geacht dat indien het ter plaatse vullen van deze tanks met een mobiele tankinstallatie bij de vergunningaanvraag zou zijn vermeld en vervolgens een vergunde activiteit zou zijn geworden, daaromtrent voorschriften zouden zijn gesteld waaraan een afweging van het bestuur omtrent de gevolgen en risico's voor het milieu ten grondslag zou hebben gelegen. In een dergelijke afweging zouden onder meer de gevaarsaspecten van deze handelwijze zijn meegewogen.

A3.2

Het hof zal onderzoeken of - wil er sprake zijn van een verandering van de (werking van de) inrichting - er door het gestelde handelen sprake is van een voor het milieu ongunstige verandering. Daarvan kan naar het oordeel van het hof reeds sprake zijn wanneer het gevaarzettend handelen betreft en waarbij eerst de verwezenlijking van dat gevaar ongunstige gevolgen voor het milieu zou hebben.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van de navolgende omstandigheden.

i. Verdachtes mobiele LPG-tankinstallatie bevat een tank / drukhouder met een tankinhoud van 990 liter.

ii. Blijkens een notitie van de Gemeente Tilburg d.d. 27 december 2002, 'inzake het op de inrichting afvullen van LPG-wisselreservoirs t.b.v. heftrucks', in het dossier opgenomen op de doorgenummerde bladzijde 56 e.v., is de mobiele tank / drukhouder van verdachte weliswaar gekeurd door het Stoomwezen, doch heeft deze keuring slechts betrekking op de drukhouder en niet op de aansluitingen. Toebehoren en beveiligingen voor het afvullen zijn derhalve niet gekeurd.

iii. Blijkens een brief van het RIVM aan de VROM- inspectie Zuid, d.d. 27 februari 2003 is het maatgevende ongevalscenario bij 'een rijdend LPG-station' een BLEVE [boiling liquid expanding vapur explosion]. Bij een hoeveelheid LPG van 500 kg, moet bij 1% letaliteit met een effectafstand van 45 meter rekening worden gehouden.

iv. Uit een brief van de regionaal inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid, d.d. 22 mei 2003 aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat blijkt dat, uitgaande van effectstanden waarbij de 1% letaliteit ten gevolge van warmtestraling bij een BLEVE op 45 meter is berekend, het geheel als te risicovol en ongewenst wordt geacht op onder meer de bedrijfsterreinen.

A4

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de door verdachte gedane leveringen van LPG moeten worden aangemerkt als voor het milieu ongunstige en vergunningplichtige veranderingen (van de werking) van de in of op de percelen [adres 1] respectievelijk [adres 2] gelegen inrichtingen.

Het hof verwerpt de verweren.

B1

Op de gronden als vervat in de onder A2 genoemde pleitnotities vervat, heeft de raadsman zich op nog meer subsidiaire standpunt gesteld dat er geen sprake is van medeplegen.

B2

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat het opzetvereiste van artikel 2, eerste lid van de Wet op de economische delicten, bezien in samenhang met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, niet ziet op het verboden karakter van de gestelde gedraging doch slechts betrekking heeft feitelijke handelen door verdachte. Te dien aanzien merkt het hof voorts op dat verdachte telkens op afroep en dus met medeweten van verdachtes mededaders handelde, zodat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking bij de verwezenlijking van het delict.

Het hof verwerpt het verweer.

C1

Op de gronden als vervat in de onder A2 genoemde pleitnotities vervat, heeft de raadsman zich op meer subsidiaire standpunt gesteld dat de norm van 8.1 Wet milieubeheer zich - naar het hof het verweer begrijpt: uitsluitend - richt tot de drijver van de inrichting.

C2

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder B2 omtrent het mededaderschap, behoeft dit verweer geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij de artikelen 8.1, eerste lid aanhef, onder b, in verbinding met de artikel 1a, aanhef en onder 1, 2, eerste lid en 6, eerste lid aanhef onder 1 van de Wet op de economische delicten, in verbinding met artikel 51, tweede lid aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft in zijn oordeel mede betrokken dat verdachte nadrukkelijk afstemming heeft gezocht met het bestuur. Dit doet evenwel op geen enkele wijze af aan het verboden karakter van het door haar gestelde en voor het milieu gevaarzettende handelen.

Naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met een geldboete van na te melden hoogte.

Deze geldboete zal grotendeels voorwaardelijk worden opgelegd. Daarmee wordt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging eveneens dienstbaar gemaakt aan de voorkoming van strafbare feiten door verdachte. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde telkens oplevert: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij aritkel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro).

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, vice-president,

mr. A. de Lange en mr. G. de Jonge, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,

en op 4 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G. de Jonge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

??

??

??

??

- 8 - 20-007734-05