Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW1634

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
20-007469-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de rechter-commissaris in de rechtbank 's-Hertogenbosch in redelijkheid kon komen tot het verstrekking van het bevel tot opnemen van telecommunicatie.

Het hof rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij in georganiseerd verband met anderen op zeer dier-onvriendelijke wijze en gedurende langere tijd dieren illegaal heeft opgespoord en gevangen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2006-04-04
Flora- en faunawet 9, geldigheid: 2006-04-04
Flora- en faunawet 13, geldigheid: 2006-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 139

Uitspraak

Parketnummer: 20-007469-05

Uitspraak : 4 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 december 2004 in de strafzaak met parketnummer 01-089012-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, onder 2, onder 3 en onder 6 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Geldigheid inleidende dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde onder 6 nietig dient te worden verklaard, aangezien - naar het hof het verweer verstaat - het tenlastegelegde onder 6 niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof verwerpt het verweer overwegende dat de tenlastelegging moet worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier en dat het tenlastegelegde onder 6 tegen die achtergrond voldoende feitelijk is. Naar het oordeel van het hof is voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich kan verdedigen, en de verdachte heeft daarvan ter terechtzitting ook blijk gegeven.

Geldigheid behandeling in eerste aanleg

De raadsman heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van verweer gesteld dat de eerste rechter niet bevoegd was van de tenlastegelegde feiten kennis te nemen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de bevoegdheid van de eerste rechter terzake het tenlastegelegde onder 1, 3 en 6 voortvloeit uit artikel 6, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, nu onder meer verdachtes mededader [medeverdachte] woonplaats heeft in [woonplaats]. Meer in het bijzonder ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, overweegt het hof voorts dat dit feit in zodanig verband staat tot de feiten tenlastegelegd onder 1, onder 3 en onder 6 dat op grond van artikel 6, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechtbank bevoegd was ook van dat feit kennis te nemen.

Het hof verwerpt verweer.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voorzover thans aan de orde - ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004, te Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een haas en/of een ree en/of een konijn, althans producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een dode haas en/of dode ree en/of dood konijn, onder zich heeft gehad;

subsidiair:

hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004, op een of meer plaatsen in het arrondissement Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer haas/hazen en/of ree(en) en/of konijn(en) heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord;

2. hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004, te Roosendaal, in een diepvries in een ruimte behorende tot het perceel [adres], opzettelijk één op of meer producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer dode haas/hazen en/of dode ree (ën) en/of dode konijn(en) onder zich heeft gehad.

3. hij op of omstreeks 19 en/of 20 maart 2004, op een of meer plaatsen in het arrondissement Breda en/of Middelburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren behorende tot (een) beschermde inheemse diersoort(en), te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord;

6. hij in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 18 maart 2004, meermalen, althans eenmaal, op een of meer plaatsen in de/het arrondissement(en) Breda en/of Middelburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk, een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord.

In de weergave van de tekst van de tenlastelegging zijn de wijzigingen door de eerste rechter aangebracht van de kennelijke omissies in de tenlastelegging begaan, alsmede de door de eerste rechter herstelde taal- en schijffouten, als in dat vonnis weergegeven. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3 en onder 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 27 maart 2004, te Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een dode haas en een dode ree en een dood konijn, onder zich heeft gehad;

2. hij op 27 maart 2004, te Roosendaal, in een diepvries in een ruimte behorende tot perceel [adres] opzettelijk producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten dode hazen, en dode reëen en dode konijnen onder zich heeft gehad;

3. hij op 20 maart 2004 in het arrondissement Middelburg tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten hazen en/of reeën met het oog op het doden, verwonden, vangen en/of bemachtigen daarvan heeft opgespoord;

6. hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 18 maart 2004, meermalen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

In het bijzonder acht het hof - bij gebreke van wettige bewijsmiddelen - niet bewezen dat verdachte in de periode 1 april 2002 tot 1 maart 2004 opzettelijk inheemse diersoorten heeft gedood, verwond gevangen of bemachtigd, althans met het oog daarop opgespoord.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A2

De raadsman heeft zich bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat bij het aftappen van het telefoonverkeer van de verdachte niet werd voldaan aan het bepaalde in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering, zodat het afluisteren van het telefoonverkeer onrechtmatig was, en derhalve - primair - de verslagen van dit telefoonverkeer en alle uit dit telefoonverkeer voortvloeiende informatie voor het bewijs dient te worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A3

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal "Aanvraag bevel ex artikel 126m WvSv (onderzoek van telecommunicatie) en 126n (verstrekking van inlichtingen)" d.d. 4 februari 2004. Dit proces-verbaal houdt - onder meer en zakelijk weergegeven - in:

- als aanleiding voor het onderzoek, dat de politieregio's in het zuidelijke ressort werden geconfronteerd met ernstige vormen van stroperij, welke stroperij gepaard ging met bedreiging, mishandeling en vernieling, alsmede dat benadeelden uit angst voor represailles geen aangiften durfden te doen en dat ook opsporingsambtenaren en familie daarvan werden bedreigd;

- dat uit gegevens uit een eerder onderzoek, genaamd 'Adder', is gebleken dat verdachte met derden afspraken maakte die betrekking hadden op stroperij;

- dat het bedrijfsprocessensysteem een groot aantal mutaties bevat in de periode 19 november 2000 tot 19 december 2003 waarin zaken worden gerelateerd die, naar het hof begrijpt, in verband zouden kunnen worden gezien met stroperij;

- dat het voorgaande leidt tot de verdenking van overtreding van de artikelen 13, 38 en 53 van de Flora- en Faunawet, de artikelen 13 en 26 van de Wet wapens en munitie alsmede van artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, waarvan de feiten als bedoeld in artikel 13 van de Flora- en Faunawet en artikel 13 van de Wet wapens en munitie worden genoemd in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering en welke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren;

- dat het voor het onderzoek van belang is om het telefoonverkeer van verdachte op te nemen en uit te luisteren met het oog op de vaststelling van de personen waarmee verdachte contacten onderhoudt in verband met de stroperijen, waar en wanneer de verdachte zich met stroperijen bezighoudt, de middelen die daarbij worden ingezet, of er daarbij geweld wordt gebruikt en of er wild wordt verkocht aan derden.

Gelet op hiervoor weergegeven inhoud van het voornoemde proces-verbaal is het hof van oordeel dat de rechter-commissaris in de rechtbank 's-Hertogenbosch in redelijkheid kon komen tot het verstrekking van het bevel tot opnemen van telecommunicatie.

Het hof verwerpt het verweer.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

B1

Het hof merkt op dat blijkens artikel 1 van het besluit van 12 december 2001 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de flora- en faunawet en een aantal daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, alsmede de vaststelling van de datum van het vervallen van een aantal artikelen van de jachtwet en de natuurbeschermingswet en het intrekken van de nuttige dierenwet 1914, de vogelwet 1936 en de wet Budep (Stbl. 2001, nr. 656, voortaan: het besluit van 12 december 2001), per 1 april 2002 artikel 13 van de Flora- en Faunawet slechts deels in werking is getreden, te weten slechts, voorzover hier van belang: het eerste lid en onder a.

Artikel 13, eerste lid luidt sedertdien als volgt:

1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

Het hof constateert dat de tekst kennelijk incompleet is. Het thans nog niet in werking getreden eerste lid onder b luidt:

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

B2

De staatssecretaris van landbouw, natuur beheer en visserij, heeft bij brief van 9 februari 2001 de Tweede Kamer geïnformeerd dat zal worden afgezien van de vaststelling van een besluit tot inwerkingtreding van artikel 13, eerste lid onder b van de Flora- en Faunawet. Deze brief houdt voorts in -voorzover hier van belang als volgt-:

"De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen. In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het bezit, vervoer en de handel van beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten. Artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Flora- en faunawet breidt deze verbodsbepalingen uit tot de niet beschermde uitheemse diersoorten."

B3

Uit hetgeen onder B1 en B2 is overwogen en geciteerd, leidt het hof af dat het de kennelijke bedoeling van de wetgever is geweest te verbieden de onder a genoemde beschermde dieren en planten te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben, en deze verbodsbepalingen niet uit te breiden tot de niet beschermde uitheemse diersoorten.

Het hof merkt de onder B1 geconstateerde incompleetheid aan als een kennelijke misslag, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het bewezenverklaarde ook onder artikel 13, eerste lid van Flora- en faunawet, een strafbaar feit oplevert.

Artikel 13, eerste lid van Flora- en faunawet luidt na de verbetering van die misslag:

1. Het is verboden:

(a.) planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

C

Het bewezen verklaarde onder 1 en onder 2 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en Faunawet, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 1, artikel 2, eerste lid en artikel 6, eerste lid aanhef onder 1 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 en onder 6 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 van de Flora- en Faunawet, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 2, artikel 2, eerste lid en artikel 6, eerste lid aanhef onder 2 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

D1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde overweegt het hof dat deze moet worden bezien in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij in georganiseerd verband met anderen op zeer dier-onvriendelijke wijze en gedurende langere tijd dieren illegaal heeft opgespoord en gevangen.

D2

Het hof acht ten aanzien van de door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen en gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden. Deze straf is verdisconteerd in de totale door het hof op te leggen straf als in het dictum vermeld.

D3

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof, gelet op de rol van verdachte als organisator van het voornoemde handelen, toch een straf, voor het totaal gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd en die welke in eerste aanleg werd opgelegd, geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

D4

De raadsman heeft zich bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat bij het tappen van het telefoonverkeer van de verdachte niet werd voldaan aan het bepaalde in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering, zodat het afluisteren van het telefoonverkeer onrechtmatig was. Dit zou - subsidiair - dienen te leiden tot strafvermindering.

Het hof verwerpt dit verweer op de grond van het vorenoverwogene onder A3.

D5

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het de feiten ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 9 en 13 van de Flora- en faunawet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3 en onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde onder 1 en onder 2 telkens oplevert:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan.

Verklaart dat het bewezenverklaarde onder 3 en onder 6 telkens oplevert:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

de voorwerpen zoals die zijn aangeduid op de aan het arrest gehechte beslaglijst.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, vice-president,

mr. A. de Lange en mr. G. de Jonge, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,

en op 4 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G. de Jonge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.