Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AW1633

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
20-007467-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij in georganiseerd verband met anderen op zeer dieronvriendelijke wijze en gedurende langere tijd dieren illegaal heeft opgespoord en gevangen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2006-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-007467-05

Uitspraak : 4 april 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 december 2004 in de strafzaak met parketnummer

01-089033-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof:

- het beroepen vonnis zal vernietigen;

- bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder 1, primair, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5;

- verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 84 dagen, waarvan 60 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor een duur van zestig uren, subsidiair 30 dagen;

- de onttrekking aan het verkeer zal gelasten van de goederen als vermeld op de beslaglijst nrs. 1 tot en met 17, met uitzondering van het tweede voorwerp dat is genummerd als 12 ten aanzien waarvan het hof de teruggave aan verdachte zal gelasten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004, te Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een haas en/of een ree en/of een konijn, althans producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een dode haas en/of dode ree en/of dood konijn, onder zich heeft gehad;

subsidiair:

hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004, op een of meer plaatsen in het arrondissement Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer haas/hazen en/of ree(en) en/of konijn(en) heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord;

2. hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004, te Eindhoven, in een vuilnisbak op het erf van perceel [adres], opzettelijk, een of meer producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer delen van een dood dier, te weten een ree, onder zich heeft gehad;

3. hij op of omstreeks 19 en/of 20 maart 2004, op een of meer plaatsen in het arrondissement Breda en/of Middelburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, een of meer dieren behorende tot (een) beschermde inheemse diersoort(en), te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord;

4. hij op of omstreeks 26 en/of 27 maart 2004 te Eindhoven, in de woning [adres], opzettelijk, een of meer radiozendapparaten, te weten een radiozendapparaat van het merk President, met toebehoren en/of accessoires, heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend;

5. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 18 maart 2004, meermalen, althans eenmaal, op een of meer plaatsen in de/het arrondissement[en] Breda en/of Middelburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord;

In de weergave van de tekst van de tenlastelegging zijn de wijzigingen door de eerste rechter verdisconteerd van de kennelijke omissies in de tenlastelegging begaan, alsmede de door de eerste rechter herstelde taal en schijffouten, als in dat vonnis weergegeven. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. dat hij 27 maart 2004, te Roosendaal, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een dode haas en een dode ree en een dood konijn, onder zich heeft gehad;

2. hij op 27 maart 2004, te Eindhoven, in een vuilnisbak op het erf van perceel [adres], opzettelijk producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten delen van een dood dier, te weten een ree, onder zich heeft gehad;

3. hij op 20 maart 2004 in het arrondissement Middelburg tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, een of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord;

4. hij op of 27 maart 2004 te Eindhoven, in de woning [adres], opzettelijk, één radiozendapparaat, te weten een radiozendapparaat van het merk President gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend;

5. hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 18 maart 2004, meermalen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten hazen en/of reeën heeft gedood, verwond, gevangen of bemachtigd, althans met het oog daarop heeft opgespoord.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

A1

Het hof merkt op dat blijkens artikel 1 van het besluit van 12 december 2001 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de flora- en faunawet en een aantal daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, alsmede de vaststelling van de datum van het vervallen van een aantal artikelen van de jachtwet en de natuurbeschermingswet en het intrekken van de nuttige dierenwet 1914, de vogelwet 1936 en de wet Budep [Stbl. 2001, nr. 656, voortaan: het besluit van 12 december 2001], per 1 april 2002 artikel 13 van de Flora- en Faunawet slechts deels in werking is getreden, te weten slechts, voorzover hier van belang: het eerste lid en onder a.

Artikel 13, eerste lid luidt sedertdien als volgt:

1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

Het hof constateert dat deze tekst kennelijk incompleet is. Het niet in werking getreden eerste lid onder b luidt:

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

A2

De staatssecretaris van landbouw, natuur beheer en visserij, heeft bij brief van 9 februari 2001 de Tweede Kamer geïnformeerd dat zal worden afgezien van de vaststelling van een besluit tot inwerkingtreding van artikel 13, eerste lid onder b van de Flora- en Faunawet. Deze brief houdt voorts in -voorzover hier van belang als volgt-:

"De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen. In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het bezit, vervoer en de handel van beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten. Artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Flora- en faunawet breidt deze verbodsbepalingen uit tot de niet beschermde uitheemse diersoorten."

A3

Uit hetgeen onder A1 en A2 is overwogen en geciteerd, leidt het hof af dat het de kennelijke bedoeling van de wetgever is geweest te verbieden de onder a genoemde beschermde dieren en planten te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben, en deze verbodsbepalingen niet uit te breiden tot de niet beschermde uitheemse diersoorten.

Het hof merkt de onder A1 geconstateerde incompleetheid aan als een kennelijke misslag, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het bewezenverklaarde ook onder artikel 13, eerste lid van Flora- en faunawet, een strafbaar feit oplevert.

Artikel 13, eerste lid van Flora- en faunawet luidt na de verbetering van die misslag:

1. Het is verboden:

(a.) planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

B

Het bewezen verklaarde onder 1 en onder 2 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13, eerste lid van de Flora- en Faunawet, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 1, artikel 2, eerste lid en artikel 6, eerste lid aanhef onder 1 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 en onder 5 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 van de Flora- en Faunawet, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 2, artikel 2, eerste lid en artikel 6, eerste lid aanhef onder 2 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien bij artikel en strafbaar gesteld bij artikel 10.16, eerste lid van de Telecommunicatiewet, in verbinding met de artikelen 1, aanhef en onder 2, artikel 2, eerste lid en artikel 6, eerste lid aanhef onder 2 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de straftoemeting heeft het hof acht geslagen op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde overweegt het hof dat deze moet worden bezien in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij in georganiseerd verband met anderen op zeer dieronvriendelijke wijze en gedurende langere tijd dieren illegaal heeft opgespoord en gevangen.

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een straf lager dan als door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd.

Het hof zal een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast acht het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen, met betrekking tot welke

het de feiten zijn begaan ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan en van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet op grond waarvan het hof deze voorwerpen aan het verkeer onttrokken zal verklaren.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.16 van de Telecommunicatiewet en de artikelen 9 en 13 van de Flora- en faunawet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde onder 1 en onder 2 telkens oplevert:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, ` van de Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan.

Verklaart dat het bewezenverklaarde onder 3 en onder 5 telkens oplevert:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de

Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan.

Verklaart dat het bewezenverklaarde 4:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.16, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 84 (vierentachtig) dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 60 (zestig) dagen, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1: twee honden, lange honden (Greyhounds)

3: een broek, kleur groen (camouflagebroek)

4: een lamp, Starlight 2061

5: een schakelaar / splitter Sharp VR S73RF 341103

6: een spreeksleutel, BELCOM intern ten behoeve van zendapparatuur

7: twee adapters, kleur zwart

8: een verrekijker, SPLEND compact, 7 x 50

9: een verrekijker, SAFARI, 7 x 50

10: een acculader MAAS 2000

11: Zendapparatuur, LINCOLN

12:een spreeksleutel, MERKOOS kleur groen

13: een lamp, kleur zwart

14: drie accu's, 12 volt, VIAM, LENTPORT en merkloos

15: vleeswaren, slachtafval van ree

16: twee kentekenplaten, [kenteken]

17: kentekenplaat, [kenteken].

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

12: een videoband, FUJI, opschrift: stropen [verdachte].

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, vice-president,

mr. A. de Lange en mr. G. de Jonge, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,

en op 4 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G. de Jonge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

??

??

??

??

- 9 - 20-007467-05