Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV9185

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
R200500934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenleving in de zin van art. 1:160 BW.

Samenleving kan worden aangenomen indien sprake is van (1) een affectieve relatie van (2) duurzame aard, die meebrengt dat er sprake is van (3) wederzijdse verzorging, (4) samenwoning en (5) het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

De omstandigheid dat de vrouw om haar moverende redenen de door haar bewoonde (gehuurde) woning aanhoudt, levert op basis van de feitelijke leef- en woonsituatie met haar vriend desalniettemin op dat is voldaan aan alle hiervoor bedoelde eisen van art. 1:160 BW.

In dat kader zijn mede in aanmerking genomen de door de vrouw zelf verstrekte (grafische) gegevens betreffende het gas- en electriciteitsverbruik van haar eigen appartement als dat van haar vriend over de periode vanaf 1996 tot en met 2003.

Uit die grafische voorstelling is ondermeer opgevallen een aanzienlijke daling van het electriciteitsverbruik van haar eigen appartement, terwijl het elecriciteitsgebruik van het appartement van haar vriend een aanzienlijke toemame laat zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RJH

6 april 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500934

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

de man,

procureur mr. C.C.J. Aarts,

t e g e n

[Geintimeerde]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. N.A.F. van den Heuvel.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2005, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 31 augustus 2005, heeft de man - zakelijk weergegeven – het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de door de man voor de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage alsnog met ingang van 1 januari 1997, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum, nader vast te stellen op nihil, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen ander bedrag en de vrouw te veroordelen om al hetgeen de man aldus aan de vrouw onverschuldigd heeft betaald sedert 1 januari 1997 aan de man terug te betalen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, steeds vanaf het moment dat de man periodiek deze betalingen heeft gedaan.

Subsidiair heeft de man verzocht de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 mei 2003 dan wel met ingang van 1 november 2003 te bepalen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

2.2. Bij verweerschrift, ter griffie ingekomen op 29 september 2005, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-de brief met bijlagen van de procureur van de man van 8 december 2005;

-de brieven met bijlage(n) van de procureur van de man van 10 januari 2006 en 12 januari 2006;

-de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw van 16 januari 2006.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

Tijdens die behandeling is afgesproken dat partijen alsnog twee weken wordt gegund om te bezien of zij het tussen hen gerezen geschil weten op te lossen.

2.5. Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de brief van de procureur van de man van 3 februari 2006, inhoudende dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 2 november 1966 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echt-scheidingsbeschikking van 22 juli 1994 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 september 1994.

4.2. Bij beschikking 16 mei 1995 heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 juli 1994 – de door de man voor de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 1995 nader vastgesteld op ƒ 3.500,-- per maand.

4.3. Bij op 18 juni 2004 ter griffie van meergenoemde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de man primair verzocht vast te stellen dat zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 januari 1997 is geëindigd. Subsidiair heeft de man verzocht om wijziging van de alimentatieverplichting.

4.4. Bij beschikking van 1 juli 2005 heeft de rechtbank het primaire verzoek van de man afgewezen en – met wijziging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw - de man met ingang van 1 juli 2004 veroordeeld tot betaling van een partneralimentatie van € 1.635,-- per maand.

Tegen die beslissing is de man opgekomen.

Onderhoudsverplichting

4.5. De man heeft in deze procedure aangevoerd dat de vrouw al sedert eind 1996 althans vanaf 1 januari 1997 samenwoont met de heer [X.] als waren zij gehuwd en dat hij om die reden omstreeks medio 2003 is gestaakt met het betalen van partneralimentatie. Hij is van mening dat hij op de zojuist weergegeven grond jegens de vrouw niet meer alimentatieplichtig is.

De man heeft in appel zijn hiervoor weergegeven standpunt gehandhaafd en met diverse bescheiden nader onderbouwd.

4.6. Wil sprake zijn van een samenleving in de zin van art. 1:160 BW, dan dient er sprake te zijn van (1) een affectieve relatie (2) van duurzame aard, die meebrengt dat er sprake is van (3) wederzijdse verzorging, (4) samenwoning en (5) het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

4.7. De vrouw heeft de stelling van de man dat zij samenwoont met de heer [X.] weersproken.

De rechtbank heeft – zij het impliciet – geoordeeld dat de bewijslast van zijn stelling dat de vrouw samenleeft met de heer [X.] als waren zij gehuwd, op de man rust en dat de man niet in dat bewijs is geslaagd. De rechtbank verwees daarbij naar de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen van de heer [X.], de vrouw en de zoon van partijen, [naam zoon]. Tevens verwees de rechtbank naar het hierna ook te noemen e-mail-bericht van de dochter van partijen [naam dochter] van 3 november 2003 en de brief van dochter [naam dochter] van 20 november 2003 aan de advocaat van de man. Ten aanzien van het energieverbruik en de telefoonkosten in de twee appartementen overwoog de rechtbank dat op grond van de verklaring van de procureur van de man met betrekking tot de verschillen in energieverbruik en telefoonkosten, deze verschillen niet kunnen bijdragen tot het bewijs.

De rechtbank overwoog dat – gelet op het feit dat art. 1:160 BW restrictief dient te worden uitgelegd – niet snel mag worden aangenomen dat voldaan is aan de hiervoor onder 4.6. vermelde eisen.

Nu de vrouw en de heer [X.] ieder hun eigen appartement hebben en ieder de eigen lasten daarvan dragen en nu de vrouw door de week regelmatig in haar eigen appartement verblijft, is er volgens de rechtbank geen sprake van een samenwonen van de vrouw met de heer [X.] als waren zij gehuwd.

4.8. Ter zitting van het hof heeft de vrouw gesteld dat zij bekend is met de inhoud van de zich bij de stukken bevindende bescheiden. De inhoud daarvan kan volgens haar de stelling van de man dat zij zou samenwonen met de heer [X.] niet staven.

De vrouw heeft vervolgens ter onderbouwing dat zij niet samenwoont met [X.] haar leef- en woonomstandigheden nader geschetst en toegelicht.

In dat verband heeft zij onder meer het volgende verklaard:

Ik erken dat ik een affectieve relatie onderhoud met de heer [X.] vanaf ultimo 1996.

Zowel ik als de heer [X.] wonen in hetzelfde appartementencomplex aan de [adres] te [woonplaats]. Ik bewoon een appartement op de 3e woonlaag (nr. 32) en de heer [X.] nr. 66 op de 6e woonlaag. Doorgaans ben ik elke dag aanwezig in het appartement van de heer [X.]. Daar gebruiken wij doorgaans samen de maaltijden, zoals het ontbijt, de lunch en het avondeten. Omdat de heer [X.] in verband activiteiten veel weg moet, komt het wel eens voor dat ik alleen ontbijt in mijn eigen appartement. Kortom: ik ben regelmatig in het appartement van de heer [X.] aanwezig, ook ’s-nachts. In het weekeinde slaap ik bij de heer [X.] en door de week slaap ik in mijn eigen appartement. Van een permanente leef- en woonsituatie van mij bij de heer [X.] is geen sprake. Het klopt dat er van mijn kinderen en kleinkinderen foto’s in het appartement van de heer [X.] aanwezig zijn. Maar dergelijke foto’s staan ook in mijn eigen appartement.

De vuile was van zowel de heer [X.] als van mijzelf wordt gelijktijdig door mij verzorgd, dikwijls in mijn eigen appartement, maar ook wel in het appartement van de heer [X.]. Het ligt er maar net aan hoe het een en ander op dat moment het beste uitkomt. Op de vraag hoeveel tijd ik in mijn eigen woning dan wel de woning van de heer [X.] doorbreng kan ik het volgende antwoord geven. Naar mijn mening ben ik ongeveer 25% van de tijd aanwezig in het appartement van de heer [X.] en circa 75% in mijn eigen appartement. Dit wordt mede beïnvloed door de activiteiten waarmede de heer [X.] zich bezig houdt. Ook kook ik in mijn eigen appartement de warme maaltijden voor de heer [X.] en mijzelf en als alles gereed is neem ik dat mee naar het appartement van de heer [X.]. Het is inderdaad zo dat toen mijn dochter op een keer in mijn appartement op bezoek is gekomen het er toen stoffig uitzag. Dat was puur toeval en dus een éénmalige gebeurtenis.

De heer [X.] en ik gaan ook regelmatig, circa drie keer per jaar gedurende telkens twee weken, samen op vakantie met de caravan. De (trek)auto is van mij en de caravan is van de heer [X.]. Op vakantie delen wij altijd alle kosten. Tijdens de vakanties besturen wij om beurten de auto. Buiten de vakanties om rijdt de heer [X.] ook regelmatig in mijn auto. De heer [X.] heeft vanaf eind 1999 geen eigen auto meer. Het is juist dat de heer [X.] al een aantal jaren ook een pasje op zijn naam in zijn bezit heeft van mijn privé-bankrekening. Dat is in bijzondere omstandigheden best gemakkelijk omdat de heer [X.] dan voor mij geld van mijn bankrekening kan opnemen, zeker wanneer ik bij voorbeeld langere tijd ziek ben. Het toeval wil dat ik op dit ogenblik al vanaf 20 december 2005 wegens een spierblessure 24 uur per dag in het appartement van de heer [X.] verblijf. Ik kan niet lopen en de heer [X.] kan mij op die manier in zijn eigen appartement verzorgen waardoor ik geen beroep hoef te doen op anderen. Om diezelfde reden ben ook ik in het bezit van een bankpasje van de bankrekening van de heer [X.].

Van mijn privé-bankrekening betaal ik in beginsel mijn eigen vaste lasten, zoals de huur van mijn appartement, premie ziektekosten, gas, licht en water, alsmede mijn telefoonabonnement.

Vanaf omstreeks 2000 hebben de heer [X.] en ik ook een gezamenlijke bankrekening om gemeenschappelijke uitgaven te bestrijden. Afspraak is dat ieder van ons periodiek geld op die rekening stort zodat we van die rekening gelden kunnen opnemen om diverse gemeenschappelijke kosten en uitgaven te betalen, waaronder de huishoudelijke uitgaven, cadeaus, vakanties en dergelijke. Meestal wordt door ieder van ons circa € 200,-- per maand op de gezamenlijke rekening gestort.

Voor de verjaardagen van mijn kinderen en kleinkinderen kopen de heer [X.] en ik één gemeenschappelijk cadeau en wij gaan dan ook samen naar die verjaardagen. Zo’n tien keer per jaar gaan wij samen op verjaarsvisite bij de kinderen en kleinkinderen. Mijn kinderen en kleinkinderen komen niet alleen op mijn verjaardag op bezoek, maar komen ook altijd op de verjaardag van de heer [X.]. De verjaardag van mij of die van de heer [X.] vieren wij meestal in het appartement van de heer [X.], omdat zijn appartement groter is en de heer [X.] daar geen bezwaar tegen heeft. Sterker nog, hij kan daar zelf van genieten.

Het is juist dat ik in het appartement van de heer [X.] ook onder mijn eigen telefoonnummer bereikbaar ben. In mijn appartement heb ik een vaste aansluiting met een zogenaamd moederstation. Daarnaast heb ik een (mobiel) hulpstation, dat ik in het appartement van de heer [X.] heb geplaatst. Als er van buiten telefonisch contact wordt opgenomen onder mijn eigen telefoonnummer, gaat de telefoon over op zowel de vaste aansluiting als het (mobiel) hulpstation. Zo kan ik dus in het appartement van de heer [X.] de voor mij bestemde telefoongesprekken beantwoorden. Omdat de afstand tussen mijn appartement en dat van de heer [X.] niet al te groot is, kan een dergelijk telefoonsysteem in het appartementencomplex gebruikt worden. Op die manier kan het dus regelmatig voorkomen dat de heer [X.] als eerste een voor mij bestemd telefoontje in zijn eigen appartement opneemt, waarna ik het gesprek van hem overneem.

Ik ben astmapatiënte en daarvoor heb ik diverse pompjes in mijn bezit. Daarom ligt er ook een pompje in het appartement van de heer [X.].

4.9. Uit de bestreden beschikking blijkt onweersproken dat de vrouw in de rechtbank procedure het navolgende - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

De relatie van haar en de heer [X.] is 1 [naam X.]uari 1997 begonnen. Hun relatie is sedertdien stabiel en ongewijzigd. Het is juist dat de naam van de heer [X.] vermeld staat op de overlijdensannonce van haar moeder. Dat is mede gebeurd op verzoek van haar moeder, die vond dat de heer [X.] erbij hoorde.

Van 28 mei tot eind juli 1998 heeft zij haar appartement geheel beschikbaar gesteld aan haar zoon en zijn vrouw. Dat heeft zij gedaan omdat haar zoon en schoondochter tijdelijk onderdak nodig hadden. Op die wijze heeft zij hen kunnen helpen. In die periode heeft zij dan ook onafgebroken in het appartement van de heer [X.] gewoond.

Ook haar dochter heeft zij een paar jaar terug aangeboden tijdelijk van haar appartement gebruik te maken. Die dochter was toen verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Haar dochter heeft toen geen gebruik gemaakt van dat aanbod.

Jaarlijks schrijft zij mede namens de heer [X.] de kerstkaarten naar gezamenlijk kennissen.

Omdat de heer [X.] en zij toch dikwijls samen weggingen en daarbij gebruik maakten van één auto, heeft de heer [X.] omstreeks oktober 1999 besloten om zijn eigen auto maar van de hand te doen.

4.10. Blijkens de bestreden beschikking heeft de heer [X.] met betrekking tot de beweerdelijke samenwoning van de vrouw met hem onweersproken het navolgende verklaard.

Overdag zijn mevrouw [naam geintimeerde] en ik veel bij elkaar en wij eten dan ook regelmatig samen. Om de gezamenlijke uitgaven, zoals eten, drinken, cadeautjes en benzine te bestrijden hebben wij een gezamenlijke girorekening. Periodiek stort zowel mevrouw [naam geintimeerde] als ik daar een bedrag op in de orde van grootte van € 200,-- per keer om het saldo aan te vullen. Daarvan worden ook de gezamenlijke boodschappen betaald.

Foto’s van de kinderen en kleinkinderen van mevrouw [naam geintimeerde] staan in mijn appartement. De kleinkinderen van de vrouw beschouw ik in zekere zin ook als mijn (klein)kinderen. Ik kan het goed met hen vinden. Ik ben zelf niet meer in het bezit van een eigen auto. Gezamenlijk maken wij gebruik van de auto van mevrouw [naam geintimeerde]. Wij zitten dan om beurten achter het stuur. We gaan ook meerdere keren per jaar samen op vakantie. In 2005 zijn wij drie keer samen op vakantie gegaan met mijn caravan. De auto van mevrouw [naam geintimeerde] fungeerde dan als trekauto. Mevrouw [naam geintimeerde] heeft als astmapatiënte diverse pompjes, waarvan er één in mijn appartement ligt.

Zij kan de voor haar privé bestemde telefoontjes op haar eigen telefoontoestel in mijn appartement opnemen. Daarvoor behoeft doorschakeling niet plaats te vinden. Wel schakelen wij tijdens de vakanties onze eigen privé telefoonnummers door naar mijn mobiele telefoon. Op die manier blijven wij voor iedereen, waaronder de familie, ook in het buitenland bereikbaar.

Het is juist dat mevrouw [naam geintimeerde] van haar dochter [naam dochter] een cadeau, bestaande uit planten, heeft gekregen en dat dat cadeau in mijn appartement is neergezet. Als mevrouw [naam geintimeerde] bezoek krijgt van haar kinderen en/of kleinkinderen, worden zij in mijn appartement ontvangen. Mijn appartement is groter en leent zich derhalve beter voor ontvangst. In het weekend slaapt mevrouw [naam geintimeerde] bij mij in mijn appartement.

4.11. De zoon van partijen, de heer [naam zoon], heeft in de rechtbank procedure de volgende - zakelijk weergegeven - verklaring als getuige afgelegd.

Een paar keer per jaar ga ik op bezoek bij mijn moeder en wordt dan ontvangen in het appartement van de heer [X.]. Een paar keer per jaar komt mijn moeder bij mij op bezoek en bij die gelegenheid is de heer [X.] dikwijls aanwezig. Het is juist dat ik samen met mijn vrouw een aantal jaren geleden een paar maanden volledig gebruik heb kunnen maken van het appartement van mijn moeder.

4.12. Aan de inhoud van het zich bij de stukken bevindende electronisch bericht van 3 november 2003 van de dochter van partijen (genaamd [naam dochter]) gericht aan haar vader (de man) is het volgende – zakelijk weergegeven – te ontlenen.

[naam dochter] geeft aan dat haar moeder haar desgevraagd bij herhaling heeft medegedeeld dat zij (haar moeder) niet samenwoont met [naam X.] (de heer [X.]), maar dat zij en [naam X.] wel vaak bij elkaar waren. [naam dochter] is van mening dat haar moeder wel met [naam X.] samenwoont. Immers haar moeder heeft weliswaar haar eigen flatje, maar in alle jaren dat zij daar woont is [naam dochter] daar op twee handen te tellen keren geweest. Als zij naar haar moeder gaat komt zij bij [naam X.] thuis.

4.12.1. In haar zich bij de stukken bevindende brief van 20 november 2003, gericht aan de raadsman van de man, heeft dochter [naam dochter] het navolgende – zakelijk weergegeven - medegedeeld:

De bezoeken aan haar moeder, toen zij net in [woonplaats] woonde, vonden aanvankelijk in haar eigen appartement plaats, maar al gauw veranderde dat in een bezoek aan haar moeder in het appartement van [naam X.]. Vanaf dat moment speelt alles zich daar (bij [naam X.]) af. Foto’s van haar, de kinderen en kleinkinderen, staan en hangen bij [naam X.]. De telefoon is altijd doorgeschakeld naar [naam X.]. Kado’s aan haar moeder blijven bij [naam X.]. In haar optiek woont haar moeder samen.

4.12.2. In haar zich bij de stukken bevindende brief van 22 februari 2005 gericht aan de raadsman van de man, deelt dochter [naam dochter] – zakelijk weergegeven – het volgende mede:

Op dit moment ben ik van mening dat ik nog een verklaring kan toevoegen. Ik krijg de indruk van mijn moeder dat ik mezelf maar voor de gek moet houden dat zij niet samenwoont met de heer [X.]. Dat zorgt bij mij een steek in mijn hart. Zij kan mij niet langer voor de gek houden. Op 23 [naam X.]uari 2005 ben ik voor het eerst in al die jaren in het appartement van mijn moeder geweest. Mijn zoontje van bijna zes keek zijn ogen uit omdat hij daar nog nooit was geweest. Ik kan u vertellen dat het daar – het appartement van moeder - uitgeleefd uitziet, ijskoud en muf en totaal geen gezelligheid; de koelkast is – behoudens een fles cola en een pak appelsap – leeg. De vriezer stond uit. De klokken die het deden stonden op zomertijd. Een huis waar geen persoonlijke sfeer uitstraalt. Een huis waar ik, denk ik, na tien jaar weer ben binnen geweest en wat er nog precies hetzelfde eruit ziet, met een paar kleine foto’s van de kleinkinderen toegevoegd. Per toeval ben ik in de slaapkamer geweest omdat mijn zoontje benieuwd was wat er zich achter die gesloten deur bevond en toen spontaan naar binnenliep; daar zag het er net zo uitgeleefd uit.

Een week later ben ik weer bij mijn moeder geweest vanwege haar verjaardag, maar ditmaal en eigenlijk zoals ik niet anders gewend ben, was dit bij [naam X.]. Het verschil was dan overduidelijk te zien. “Gezelligheid”, verjaardagskaarten, vazen vol bloemen die ze gekregen heeft en speelgoed voor de kleinkinderen – die had ze in haar eigen flat niet -. Voor mij is het volkomen duidelijk, in mijn ogen woont ze samen. Mijn moeder is zelf verantwoordelijk voor haar oneerlijkheid en door het voor zichzelf vol te houden dat ze niet samenwoont.

4.13. Het hof onderschrijft de opvatting van de rechtbank dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de in 4.6. beschreven eisen van art. 1:160 BW, gelet op het onherroepelijk karakter van de in dat artikel besloten sanctie (zie ook HR 3-6-2005, LJN AS 5961).

4.13.1. Desalniettemin is het hof van oordeel, dat in casu sprake is van voldoening aan alle bedoelde eisen, gelet op hetgeen onder 4.8. tot en met 4.12 is overwogen. De man heeft dus het hiervoor in 4.6. bedoelde bewijs geleverd.

De duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en de heer [X.] (1 en 2) volgt reeds uit de eigen – herhaalde – verklaring van de vrouw (zie 4.8.).

De gemeenschappelijke huishouding (5) volgt eveneens uit de eigen verklaring van de vrouw, aangevuld met de getuigenverklaring van de heer [X.] d.d. 7 mei 2004.

Daaruit volgt onder meer, dat er sprake is van een gezamenlijke girorekening, machtiging op elkaars privé-bankrekeningen waarvan ook gebruik wordt gemaakt, dagelijkse gezamenlijke maaltijden, het gezamenlijk gebruik van één auto van de vrouw sinds 1999 en één caravan (van de heer [X.]), tijdens de gezamenlijke vakanties driemaal per jaar. Dat de vrouw en de heer [X.] ieder de eigen kosten van onder meer het door ieder van hen gehuurde appartement betalen, kan aan het algehele beeld van de gemeenschappelijke huishouding niet afdoen. Het vorengaande is ook van belang voor de wederzijdse verzorging (3). Voor die eis is verder onder meer van belang dat de vrouw de was doet voor de heer [X.] en voor hem kookt. De heer [X.] zorgt voor de vrouw als zij ziek is, zoals vanaf 20 december 2005 kennelijk het geval was tot in ieder geval 19 [naam X.]uari 2006 (datum zitting).

Ook aan de eis van de samenwoning (4) is naar het oordeel van het hof voldaan. Dit wordt afgeleid uit de verklaring van de vrouw (zie 4.8.) dat zij iedere dag bij de heer [X.] verblijft, om welke reden zij kennelijk ook het mobiele station van haar telefoon in de woning van de heer [X.] heeft geplaatst. Het feit dat de vrouw heeft gesteld door de week altijd in haar eigen woning te overnachten kan – als zulks al juist is – aan het vorenstaande niet afdoen.

Het bericht van dochter [naam dochter] dat het appartement er uitgeleefd uitzag (in tegenstelling tot het appartement van de heer [X.]) is met de samenwoning in overeenstemming. Ook het feit dat de verjaardagen altijd bij de heer [X.] worden en werden gevierd past hierbij, evenals het feit dat dochter [naam dochter] de bezoeken aan haar moeder veelal aflegde bij de heer [X.] en op 23 [naam X.]uari 2005 voor het eerst na circa 10 jaar in het appartement van haar moeder kwam.

4.13.2. Daar komt nog het volgende bij.

Bij verweerschrift in hoger beroep heeft de vrouw diverse bescheiden in het geding gebracht onder meer met betrekking tot de huur, gas-licht-water en ziektekostenverzekering, alsmede diverse gegevens met betrekking tot het energieverbruik van het appartement van de heer [X.].

Uit met name de verstrekte gegevens over het gas- en elektriciteitsverbruik betreffende het appartement van zowel de vrouw als de heer [X.] is door de man bij brief van zijn procureur van 10 [naam X.]uari 2006 een grafische voorstelling van bedoeld verbruik in het geding gebracht, die door de vrouw niet is betwist.

Uit die grafische voorstelling blijkt, dat – uitgaande van het vertrekpunt in 1996 – het elektriciteitsverbruik van het door de vrouw gehuurde appartement is gedaald van circa 1.500 kWh in 1996 naar even boven de 500 KWh vanaf 1997 tot en met 2003, terwijl het elektriciteitsverbruik van het appartement van de heer [X.] een jaarlijkse toename laat zien van circa 1.500 kWh in 1995 tot circa 2.800 kWh in 2003.

Het gasverbruik van het door de vrouw gehuurde appartement bedroeg in 1996 circa 500 m3 en nam nadien af tot circa 200 m3 per jaar van 1997 tot en met 2003.

Het door de heer [X.] gehuurde pand laat een afnemend gasverbruik zien van ongeveer 1.350 m3 in 1996 tot circa 1.000 m3 in 2001, vervolgens tot circa 830 m3 in 2003.

Op basis van even genoemde grafische voorstellingen van het energieverbruik met betrekking tot het door de vrouw gehuurde pand – mede in vergelijking met het energieverbruik in het door de heer [X.] gehuurde pand - kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de vrouw vanaf 1997 haar eigen appartement niet of nauwelijks heeft bewoond en dat zij dus bij de heer [X.] moet hebben ingewoond. Een andere redelijke verklaring is niet gegeven. Het afgenomen gasverbruik in het appartement van de heer [X.] kan daaraan niet afdoen.

Het hof acht de door de procureur van de man in eerste aanleg gegeven verklaring van het hogere gestegen energieverbruik in de woning van de heer [X.] tegenover het lagere, gedaalde, energieverbruik in de woning van de vrouw (de heer [X.] is bijna altijd thuis en heeft het snel koud; de heer [X.] woont op de bovenste verdieping zonder dakisolatie) onvoldoende verklaring van de zeer aanzienlijke verschillen. Het hof acht de – overigens niet erg consistente – verklaringen van de vrouw, voor zover zij stelt dat zij haar appartement gebruikt, ongeloofwaardig, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

Het feit dat de vrouw eigen woonruimte huurt acht het hof – anders dan de rechtbank – dan ook niet van doorslaggevende betekenis. Dat de woning door de vrouw wordt aangehouden omdat er nog reserve zou bestaan ten aanzien van de duurzaamheid van de nieuwe relatie kan na al die jaren niet worden aangenomen; er lijkt veeleer sprake van financiële calculatie.

4.14. Op grond van het vorenstaande, bezien in onderling verband en samenhang, is het hof van oordeel, dat is komen vast te staan dat vanaf 1 [naam X.]uari 1997 aan de kant van de vrouw sprake is van een samenleving in de zin van art.1:160 BW met de heer [X.], nu is voldaan aan alle hiervoor onder r.o. 4.6 vermelde criteria. Overigens presenteren zij zich ook naar de buitenwereld al jarenlang als een eenheid. Kortom, deze samenleving draagt alle kenmerken van een huwelijksverhouding.

4.15. Op grond van het vorenstaande is de verplichting van de man om de vrouw een uitkering in de kosten van levensonderhoud te verschaffen van rechtswege geëindigd op 1 [naam X.]uari 1997.

Dat betekent dat de eerste grief van de man slaagt, zodat het hof aan de beoordeling van de tweede grief van de man niet toekomt.

Op het verzoek van de man in hoger beroep zal derhalve toewijzend moeten worden beslist.

Het hof brengt evenwel wel een beperking aan in de terugbetalingsverplichting van de vrouw. De man heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij eerst in 2003 actie heeft ondernomen naar aanleiding van de samenwoning door de vrouw met de heer [X.]. De man heeft niet aangegeven dat hij niet eerder bekend was met (het vermoeden van) de samenwoning.

Het hof ziet hierin voldoende reden om de terugbetalingsverplichting te beperken tot de periode vanaf de subsidiair door de man in hoger beroep genoemde datum van 1 november 2003, zijnde de eerste dag van de maand nadat de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw heeft medegedeeld dat de man niet langer partneralimentatie wilde betalen. Vanaf dat moment kon de vrouw immers rekening houden met een eventuele terugbetalingsverplichting.

Proceskosten.

4.16. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2005, behoudens de compensatie van proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 januari 1997 is geëindigd;

veroordeelt de vrouw om al hetgeen de man met ingang van 1 november 2003 tot heden onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald aan de man terug te betalen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente daarover steeds vanaf het moment dat de man periodiek die onderhoudsbijdragen heeft gedaan;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Draijer-Udo en Van Zinnen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 april 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.