Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV9172

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
R200401081
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De raad is van mening dat, gezien het feit dat het om een autistisch kind gaat, begeleiding van de omgangscontacten tussen vader en zoon geïndiceerd is. Begeleiding van de overgangsmomenten achten de raad en Bureau Jeugdzorg niet nodig. Bureau Jeugdzorg heeft -in verband met de financiering van de begeleiding- een concept-indicatiebesluit afgegeven. De moeder weigert hiertoe de bijbehorende aanraag te doen, nu het concept-indicatiebesluit niet voorziet in begeleiding van de overgangsmomenten. Het hof legt een omgangsregeling vast (met opbouw) en bepaalt dat de moeder de begeleiding dient te realiseren door hetzij alsnog een aanvraag voor een indicatie te doen, hetzij de kosten van de door haar voorgestelde begeleiding voor haar rekening te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RvZ

4 april 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R04/01081

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Eindbeschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de moeder,

procureur mr. J.J.J.M. van Ruth,

t e g e n

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vader,

procureur mr. J.P.M. Mol.

Als vervolg op de door dit hof op 16 maart 2005 tussen partijen gegeven tussenbeschikking.

6. De beschikking van 16 maart 2005

Bij die beschikking heeft het hof de behandeling van de zaak tot 13 juli 2005 PRO FORMA aangehouden in afwachting van rapportage en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), over hetgeen in voornoemde beschikking onder rechtsoverweging 4.8 is overwogen. Kort samengevat betreft het (vervolg)raadsonderzoek de vraag of er sprake is van een noodzaak om de omgangsregeling tussen [minderjarige zoon] en de vader te laten begeleiden door een (gedrags)deskundige contactpersoon. Indien de vraag in het onderzoek bevestigend zal worden beantwoord dient tevens gekeken te worden naar de financieringsmogelijkheden van deze contactpersoon. De verbetering van de communicatie tussen partijen betreft ook een te onderzoeken aspect binnen het raadsonderzoek. Voorts is door het hof bij beschikking van 16 maart 2005 een proefomgangsregeling tussen [minderjarige zoon] en de vader bepaald onder vigeur van de raad, welke uiterlijk per 1 april 2005 gestart diende te zijn. De behandeling van de comparitie van partijen in het hoger beroep van het kort geding met rolnummer C05/00090 is in afwachting van het onderhavige hoger beroep eveneens PRO FORMA aangehouden tot 13 juli 2005.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. Op 25 mei 2005 heeft er op verzoek van de vader nogmaals een mondelinge behandeling plaatsgevonden, ondanks dat het raadsonderzoek op dat moment nog niet was voltooid. Deze behandeling betrof tevens de voortzetting van de comparitie in de rolzaak met nummer C05/00090. De vader heeft aangegeven, dat de moeder nog steeds haar medewerking niet heeft verleend teneinde de

(proef-)omgang tussen hem en [minderjarige zoon] te starten bij het MKD Tomteboe, zoals vastgelegd in de tussenbeschikking van dit hof van 16 maart 2005. Ter zitting van 25 mei 2005 heeft de moeder verklaard wel degelijk haar medewerking te verlenen, doch dat MKD Tomteboe geen medewerking aan de omgang aldaar wenst te verlenen nu de moeder hier niet achter staat. Ter zitting is afgesproken dat de raad nog diezelfde week met partijen en MKD Tomteboe overleg zal plegen omtrent de spoedig op te starten eerste fase van de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige zoon]. De moeder heeft verklaard, dat zij haar medewerking zal verlenen aan de omgang nu dit door het hof is bepaald. De inhoudelijke behandeling van de zaak werd zoals eerder was bepaald, aangehouden tot 13 juli 2005 in afwachting van het rapport van de raad. Van de mondelinge behandeling en de comparitie van 25 mei 2005 is een gecombineerd verkort proces-verbaal opgemaakt.

7.2. De (derde) mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2005. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. J.J.J.M. van Ruth,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.P.M. Mol,

- de heer Werger, namens de raad.

7.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de advocaat van de vader van 22 maart 2005;

- de brief van de advocaat van de vader van 12 april 2005;

- de brief van de raad van 20 april 2005;

- de brief van de raad van 27 juni 2005, met bijlagen (waaronder het raadsrapport van 22 juni 2005);

- de brief van de raad van 1 juli 2005, met bijlage;

- de brief van de raad van 25 juli 2005;

- de brief van de advocaat van de vader van 27 juli 2005;

- het faxbericht van de advocaat van de vader van 13 september 2005;

- de brief van de advocaat van de moeder van 13 september 2005;

- het faxbericht met bijlagen van mw. T. Connor van de stichting van 26 oktober 2005;

- het faxbericht van mw. M. Franssen van de stichting van 1 november 2005;

- de brief van de advocaat van de vader van 16 november 2005, met bijlage;

- de brief van de casemanager van de stichting, mw. M. Fransen van 19 december 2005;

- het faxbericht met bijlagen van mw. M. Fransen van de stichting van 19 december 2005;

- het faxbericht van de advocaat van de vader van 22 december 2005, met als bijlage het concept-indicatiebesluit van de stichting;

- de brief van de advocaat van de moeder van 7 februari 2006;

- de brief van de stichting van 24 februari 2006;

- het faxbericht van de advocaat van de moeder van 20 maart 2006;

- het faxbericht van de advocaat van de vader van 20 maart 2006.

8. De beoordeling

8.1. Uit de door het hof verzochte raadsrapportage van 22 juni 2005 blijkt dat de raad een contactpersoon voor de begeleiding van de omgangscontacten tussen [minderjarige zoon] en de vader geïndiceerd acht. Deze persoon hoeft in de visie van de raad niet per definitie een gedragsdeskundige te zijn, doch dient wel een professional te zijn met enige kennis op het gebied van autisme. De frequentie van de omgang moet volgens de raad zijn zoals in de eerdere raadsrapportage van 11 juni 2004 is geformuleerd.

In het raadsrapport van 22 juni 2005 wordt geconcludeerd dat financiering van een contactpersoon niet mogelijk is door het PGB, de AWBZ of de Wet op de Jeugdzorg, echter bij brief van 25 juli 2005 heeft de raad het hof bericht dat financiering toch mogelijk blijkt via de Wet op de Jeugdzorg.

Lopende het onderzoek heeft de raad ambtshalve het onderzoek uitgebreid naar een onderzoek naar de opvoedingssituatie van [minderjarige zoon], dit naar aanleiding van de niet-coöperatieve opstelling van de moeder ten aanzien van de omgangsregeling zoals door het hof aan partijen opgelegd. De vraag of [minderjarige zoon] wordt bedreigd in zijn ontwikkeling nu hij zijn vader niet ziet, wordt door de raad ontkennend beantwoord. De opvoeding van [minderjarige zoon] verloopt, met ondersteuning, goed. De geboden hulp in het vrijwillige kader wordt voldoende geacht. Volgens de raad is het echter wel in het belang van [minderjarige zoon] dat er contact is tussen hem en de vader.

8.2. De vader heeft te kennen gegeven, dat hij uitdrukkelijk een mondelinge behandeling wenst, met name gezien de opgetreden wijziging in het advies van de raad omtrent de financiering van de begeleide omgang.

De moeder heeft bij brief van haar advocaat van 13 september 2005 aan het hof te kennen gegeven, dat ten aanzien van de omgang van belang is dat de weekeinden die [minderjarige zoon] eens per vier weken in een autistengroep doorbrengt gehandhaafd blijven. De omgang zoals door de raad voorgesteld in de raadsrapportage van 11 juni 2004, laat dit volgens de moeder niet toe. Bij een driewekelijkse omgangscyclus zou het verblijf in de autistengroep eens per vier weken tot op zekere hoogte in stand kunnen blijven. Volgens de moeder zullen partijen hun weekeinden aan dit schema dienen aan te passen en hierin flexibel moeten zijn.

8.3. Bij faxbericht van 22 december 2005 heeft de vader een concept-indicatiebesluit van 13 december 2005 in het geding gebracht. Dit maakt melding van begeleiding voor [minderjarige zoon], de vader en de moeder bij de omgangsregeling voor de duur van één jaar voor minimaal 83 en maximaal 125 uur, waarbij de ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van en naar de vader. De begeleiding zal in de eerste drie maanden van hoge intensiteit zijn. De omgangsregeling wordt als volgt opgebouwd (conform het raadsrapport van juni 2005):

- van aanvang tot drie maanden: op een zaterdag per veertien dagen telkens van 10.00 uur tot 14.00 uur;

- van drie maanden tot zes maanden: op een zaterdag per veertien dagen telkens van 10.00 uur tot 18.00 uur;

- vanaf een half jaar: op een zaterdag per veertien dagen telkens van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur.

De vader heeft zich akkoord verklaard met dit besluit.

De moeder heeft bij brief van haar advocaat van 7 februari 2006 laten weten dat zij met het concept-indicatiebesluit niet akkoord kan gaan, met name nu daaruit voortvloeit dat de ouders zelf voor de overdracht van [minderjarige zoon] hebben te zorgen.

De stichting heeft bij brief van 24 februari 2006 aangegeven dat er een fout is gemaakt doordat een indicatiebesluit is genomen zonder aanvraag daartoe van de ouder met gezag (bedoeld is de moeder). Zonder deze aanvraag kan geen indicatiebesluit afgegeven worden en kan de stichting de geïndiceerde hulp niet bieden. De stichting vermeldt overigens het niet nodig te achten dat er begeleiding aanwezig is tijdens de overgangsmomenten van de ene naar de andere ouder.

Op verzoek van het hof hebben beide partijen nog op voormelde brief gereageerd en wel ieder bij faxbericht van 20 maart 2006. De (advocaat van) de moeder heeft -kort gezegd- bericht dat het concept-indicatiebesluit betekent dat er niet daadwerkelijk begeleid wordt op het cruciale moment van overgang. De oplossing in het concept-indicatiebesluit voldoet niet volgens de moeder. De (advocaat van) de vader heeft -kort gezegd- laten weten dat het concept-indicatiebesluit voldoet aan het advies van de raad (van 22 juni 2005). Hij acht het niet redelijk dat de moeder er een punt van maakt dat zij niet formeel een verzoek tot het opstellen van een indicatiebesluit heeft gedaan. De vader verklaart zich bij voorbaat akkoord met iedereen die de moeder zal aandragen om [minderjarige zoon] te halen en te brengen, waarbij hij opmerkt dat hij op drie minuten loopafstand van de moeder woont.

8.4. Het hof overweegt als volgt.

Het hof constateert in vervolg op de tussenbeschikking dat het cruciale punt in deze zaak nog immer uitsluitend en alleen de begeleiding van de omgangsregeling betreft. Dat er goede omgang tussen [minderjarige zoon] en de vader zou moeten zijn werd en wordt door beide ouders immers onderschreven. De stichting heeft na tegenstrijdige berichten over de mogelijkheid van begeleiding en de financiering daarvan uiteindelijk een concept-indicatiebesluit kunnen afgeven waarin die begeleiding geregeld is voor de duur van een jaar.

Naar het oordeel van het hof voldoet de in dat concept-besluit voorziene begeleiding aan het advies van de raad dat een professionele contactpersoon voor de begeleiding van de omgangscontacten geïndiceerd is gelet op het feit dat:

- er binnen de autistische stoornis van [minderjarige zoon] met name sprake is van een onvermogen ten aanzien van het hanteren van emoties;

- [minderjarige zoon] met onrust reageert op grote veranderingen;

- [minderjarige zoon] ruim twee jaar (inmiddels bijna drie jaar, hof) geen contact heeft gehad met zijn vader;

- de moeder kampt met een posttraumatische stressstoornis, veroorzaakt in haar jeugd en geactualiseerd binnen de relatie met de vader, waardoor zij het directe contact met de vader op dit moment niet kan hanteren.

Het hof deelt de opvatting van de raad.

Het hof deelt eveneens de opvatting van Bureau Jeugdzorg (zie brief 24 februari 2006) dat het niet noodzakelijk is dat er tijdens de overgangsmomenten van [minderjarige zoon] van de ene naar de andere ouder begeleiding aanwezig is. Naar het oordeel van het hof is voor de noodzaak van dergelijke begeleiding onvoldoende aanwijzing te vinden. Overigens heeft de man zich bereid verklaard om iedere door de moeder aan te dragen begeleiding bij het halen en brengen van [minderjarige zoon] te accepteren.

8.4.1. De moeder blokkeert naar het oordeel van het hof ten onrechte, gelet op het vorenoverwogene, het op gang komen van (begeleide) omgang tussen [minderjarige zoon] en de vader door geen aanvraag voor een indicatie te doen. Zulks moet voor haar rekening en risico komen. De moeder kan eenvoudig alsnog die aanvraag doen. Als zij dat niet doet, dient zij de kosten van de door haar voorgestane begeleiding, bijvoorbeeld conform de door haar overgelegde offertes van Zorgmed of Het Venster (prod. 7 bij beroepschrift), volledig voor haar rekening te nemen. Het hof gaat ervan uit dat de moeder het een of het ander op korte termijn wenst te realiseren, zodat de omgangsregeling per 1 mei 2006 van start kan gaan.

8.4.2. Het hof is van oordeel dat de frequentie van de omgangsregeling tussen [minderjarige zoon] en de vader, bij laatstgenoemde thuis, moet zijn zoals in de eerdere raadsrapportage van 11 juni 2004 geformuleerd en overgenomen in het concept-indicatiebesluit, daarbij rekening houdend met het autistenweekend waaraan [minderjarige zoon] thans één weekend per vier weken deelneemt. Het hof stelt de omgangsregeling tussen [minderjarige zoon] en de vader dan ook als volgt vast:

- van aanvang tot drie maanden: op een zaterdag per veertien dagen telkens van 10.00 uur tot 14.00 uur;

- van drie maanden tot zes maanden na aanvang: op een zaterdag per veertien dagen telkens van 10.00 uur tot 18.00 uur;

- vanaf een half jaar na aanvang: één weekend per drie weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur.

De weekendregeling wijkt enigszins af van de regeling zoals deze in het concept-indicatiebesluit is opgenomen, doch het hof gaat ervan uit, dat dit concept-indicatiebesluit aangepast kan worden.

8.4.3. Gezien het familierechtelijke karakter van deze zaak zullen de proceskosten tussen partijen gecompenseerd worden.

8.4.4. Volledigheidshalve zij verwezen naar de uitspraak d.d. heden in de procedure met rolnummer C200500090.

9. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 september 2004;

en opnieuw rechtdoende:

stelt met ingang van 1 mei 2006 de omgangsregeling tussen [minderjarige zoon] en de vader als volgt vast:

- van aanvang tot drie maanden: op een zaterdag per veertien dagen telkens van 10.00 uur tot 14.00 uur;

- van drie maanden tot zes maanden na aanvang: op een zaterdag per veertien dagen telkens van 10.00 uur tot 18.00 uur;

- vanaf een half jaar na aanvang: één weekend per drie weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur.

bepaalt dat de moeder de begeleiding van deze omgangsregeling dient te realiseren, hetzij door alsnog tijdig bij Bureau Jeugdzorg een aanvraag in te dienen voor een indicatie, resulterend in een indicatiebesluit conform het in deze uitspraak bedoelde concept-indicatiebesluit van 13 december 2006, waarin de frequentie van de weekendregeling is aangepast aan de bij deze uitspraak vastgestelde omgangsregeling, hetzij door tijdig op haar kosten begeleiding te realiseren als door haar gewenst;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Van Teeffelen en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.