Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV9161

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
R200500779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden.

Uitgevoerd periodiek verrekenbeding.

Geen correcties toegestaan op verrekenstaat uit 2001, nu geen sprake is van voorbehoud of wilsgebrek. Ook rechtszekerheid en systematiek staan aan correctie in de weg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 133
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/99

Uitspraak

Rekestnummer R200500779

BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 3 april 2006,

gewezen in de zaak van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant, het appelschrift is bij het hof binnengekomen op 20 juli 2005,

incidenteel verweerder,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

tegen:

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

incidenteel appellante,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

op het hoger beroep van de door de recht-bank Roermond on-der zaaknummer 60280/FA RK 04-263 gegeven beschikking van 20 april 2005 in de verdelingsprocedure tussen de man als verzoeker en de vrouw als verweerster.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. Het geding in eerste aanleg

1.1. Deze procedure is begonnen met een door de man op 1 oktober 2003 bij de rechtbank Roermond ingediend verzoekschrift. Hij verzocht onder meer de echtscheiding uit te spreken. De zaak is aldaar geregistreerd onder zaaknummer 57842/FA RK 03-1372.

1.2. In de beschikking van de rechtbank van 12 mei 2004 werd de echtscheiding uitgesproken. Tevens werden er beslissingen op nevenvoorzieningen gegeven. De behandeling van de verzoeken die betrekking hadden op de financiële afwikkeling van het huwelijk werd afgesplitst. In de afge-splitste zaak, dat is deze zaak, werd een mondelinge behandeling gelast.

1.3. Na voortgezet schriftelijk debat, de mondelinge be-handeling en nadien wederzijds overgelegde stukken heeft de rechtbank de beschikking waarvan beroep gegeven.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. In het appelschrift heeft de man 5 grieven aangevoerd. Hij concludeert tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van de vrouw om aan hem € 15.000,- en € 4.144,- te betalen met wettelijke rente en de proceskosten.

2.2. In het verweerschrift bestrijdt de vrouw de grieven. Zij concludeert tot afwijzing. Voorts stelt zij voorwaardelijk hoger beroep in, namelijk voor het geval het hof de beschikking waarvan beroep niet zal bekrachtigen. Voor dat geval verzoekt zij de beschikking waarvan beroep te ver-nietigen en de man te veroordelen om aan haar € 4.144,- te betalen te vermeerderen met rente en de proceskosten.

2.3. De man heeft een verweerschrift tegen het incidenteel appel ingediend.

2.4. De advocaat van de man heeft bij zijn brief van 9 maart 2006 stukken gevoegd waarop hij tijdens de mondelinge behandeling een beroep wenst te doen. Bij zijn brieven van 15 en 16 maart 2006 zijn de huwelijkse voorwaarden en de stukken van de eerste aanleg in het geding gebracht.

2.5. De mondelinge behandeling vond plaats op 17 maart 2006. Bij die gelegenheid is nogmaals een kopie van de huwelijkse voorwaarden van 22 april 1998 overgelegd.

2.6. Het hof heeft de uitspraak op vandaag bepaald.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar het appelschrift en het verweerschrift.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden op 15 mei 1998 met elkaar gehuwd. Naar het hof begrijpt is het huwelijk ontbonden door (tijdige) inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

4.1.2. In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen elke gemeenschap van goederen uit te sluiten. Zij zijn tevens een periodiek verrekenbeding overeengekomen, luidende, voor zover van belang:

Artikel 9.

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen (…) onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende (…). Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering.

(…)

Onder inkomen wordt ook verstaan negatief inkomen.

(…)

Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in on-derling overleg niet samenwonen (…)

b. (…)

4.1.3. Dit periodiek verrekenbeding is jaarlijks uitgevoerd. Partijen zijn op 1 oktober 2003 uit elkaar gegaan. Zij verrekenen tot die datum.

4.1.4. De man voert met zijn vader in de vorm van een maatschap een pluimveehouderij. Het accountantskantoor dat de jaarstukken opstelt, heeft tevens jaarlijks, ter uitvoering van het verrekenbeding, verrekenstaten opgesteld. Deze staten resulteren in een vermogensopstelling per 31 december van een kalenderjaar, de laatste staat per 30 september 2003. Naar het hof begrijpt is het berekende eindvermogen nog niet uitgekeerd maatschapsvermogen. De vrouw heeft aldus een vordering op de man.

4.1.5. De ‘verrekenstaat vermogen 2001’ luidt, voor zover van belang, (de andere staten zijn gelijkluidend behalve voor wat betreft de bedragen):

Onderstaand geven wij een opstelling van de vermogens van de echtelieden (…) conform akte van huwelijksvoorwaarden. (…)

Het totaal van onderstaand vermogensverdeling is ge-lijk aan het totale vermogen conform de betreffende jaarrekening (…)

Bij deze opstelling is dan ook geen rekening gehouden met aanwezige stille reserves (…)

Bij de opstelling van de vermogens is eveneens geen rekening gehouden met de roerende zaken (…)

Vermogen per 31 december 2001

[Appellant] € 71.064

[Verweerster] € 19.670

Totaal vermogen (conform jaarrekening 2001) (…)

Aldus opgemaakt en ondertekend voor akkoord

Partijen hebben de staten, behalve die van 30 september 2003, ondertekend. De vrouw heeft de laatste staat aanvaard. Het vermogen van de vrouw komt daarin uit op € 21.144,-. Aan de verrekenstaat 2001 is een specificatie gehecht. Daaruit blijkt het inkomen van de vrouw van € 602,-, en van de man van € 61.261,-. Het onverteerde vermogen wordt berekend op twee maal € 20.589,-.

4.1.6. De vrouw verlangt van de man betaling van haar aandeel in het vermogen per 30 september 2003 van € 21.144,-. In een eerder gevoerd kort geding is haar een voorschot van € 17.000,- toegewezen. Er resteert aldus € 4.144,-. De rechtbank heeft een tegenvordering van de man (die precies € 4.144,- beliep) gehonoreerd tot het bedrag van € 1.644,- en de vrouw het verschil van € 2.500,- toegekend. De man heeft inmiddels beide bedragen (€ 17.000,- en € 2.500,-) aan de vrouw betaald.

4.1.7. De grieven 1, 2 en 3 hebben betrekking op de afgewezen vordering van de man op de vrouw van € 15.000,-; de grieven 4 en 5 op de vordering van de man op de vrouw van precies het genoemde bedrag van € 4.144,-.

4.2. De grieven 1, 2 en 3 zullen gezamenlijk behandeld worden.

4.2.1. Het gaat hier om de volgende vordering van de man. In de jaarrekening(balans) van de onderneming (de maatschap [X.]) per 31-12-2001 staat een schadevordering op de Gezondheidsdienst voor Dieren ter hoogte van € 60.000,- is verwerkt in de post ‘Overige vorderingen’ onder Pluimvee-houderij. Ook in de jaarrekening per 31-12-2002 en in de tussentijdse jaarrekening per 30 september 2003 staat deze vordering nog opgenomen. Van deze vordering kwam de helft toe aan de vader van de man en de andere helft aan de man, € 30.000,-. In de verrekenstaat van 2001 is deze vermogenstoename aan de zijde van de man opgenomen en is daar-van € 15.000,- met de vrouw verrekend. De schadeclaim blijkt niet te kunnen worden geïnd. In de jaarrekening 2004 zal dit worden rechtgetrokken. De man stelt nu dat in 2001 op basis van onjuiste gegevens is verrekend. Op deze grond vordert hij van de vrouw deze € 15.000,-.

4.2.2. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft, kort gezegd, onderzocht of de man per oktober 2003 wist of redelijkerwijs kon weten, dat de in de jaarreke-ning van 2001 opgevoerde schade-uitkering van € 60.000,- bij nader inzien alsnog niet uitgekeerd zou worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze wetenschap toentertijd bij de man nog niet bekend was dan wel bekend kon zijn. Het feit dat achteraf is gebleken dat de te verwachten schade-uitkering niet betaald is geworden, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van de man. Daartegen keren zich de grieven. Het hof overweegt als volgt.

4.2.3. Door aanvaarding (die besloten ligt in de onderte-kening) van de verrekenstaat 2001 hebben partijen niet al-leen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Zij hebben zich tevens jegens elkaar verbonden de vaststelling voor juist te aanvaarden. Er is geen voorbehoud gemaakt op grond waarvan alsnog correctie kan worden verlangd. Behoudens bijzondere omstandigheden kan dan op die wilsovereenstemming niet worden teruggekomen. Op wilsgebreken die aanleiding kunnen geven tot vernietiging of op gronden die aanleiding kunnen geven tot ontbinding wordt geen beroep gedaan.

4.2.4. Onder omstandigheden kan onverkorte nakoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daarvan is hier geen sprake. Partijen hebben er ken-nelijk voor gekozen de uitvoering van het periodiek verrekenbeding te koppelen aan de systematiek waarmee de boek-houding van de maatschap wordt gevoerd. Dit staat hen vrij. Volgens deze systematiek werd de in geding zijnde vordering geboekt in 2001 en weer afgeboekt in 2004. Voor afwijking van deze systematiek voor de onderhavige vorde-ring is geen plaats. Bijzondere omstandigheden die zodanige afwijking zouden rechtvaardigen worden niet gesteld. De beëindiging van de verrekenplicht per 1 oktober 2003 is geen daarvoor toereikende omstandigheid.

4.2.5. Als de man kan worden toegestaan te corrigeren moet dit recht ook aan de vrouw worden toegekend. Dit brengt weer mee dat aan het einde van het huwelijk een algehele herberekening zou kunnen worden verlangd. Finale verrekening is niet alleen praktisch ongewenst, maar doet tevens in hoge mate afbreuk aan de uitgevoerde periodieke verrekening. Door periodiek te verrekenen heeft de man het recht verwerkt om, aan het einde van het huwelijk, op de zonder voorbehoud aanvaarde verrekeningen terug te komen. Bij dit oordeel heeft het hof mede gelet op, en trekt een parallel met hetgeen is beslist in HR 29 april 1994, NJ 1995/561 (Ter Kuile/Kofman) ten aanzien van huishoudkosten.

4.2.6. Ook de rechtszekerheid staat aan de door de man verlangde correctie in de weg. Het stelsel van uitsluiting van gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbe-ding strekt er toe om de vrouw, die nauwelijks inkomen genoot, een eigen vermogen te doen opbouwen dat zij tijdens, maar ook na het huwelijk naar eigen goeddunken kan aanwen-den. De vrouw hoeft daarom geen correcties te verwachten over reeds verrekende jaren. Temeer niet omdat zodanige correcties onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben. Deze hebben zich hier ook voorgedaan. Als gevolg van het bestaan en de hoogte van de verrekenvordering van de vrouw op de man, kwam de vrouw niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Zij werd daarmee genoodzaakt een kort geding aanhangig te maken om een voorschot op het te verrekenen bedrag te krijgen ten einde in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

4.2.7. De conclusie is dan dat de grieven 1, 2 en 3 niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

4.3. De grieven 4 en 5 hebben betrekking op de vordering van de man op de vrouw van € 4.144,-.

4.3.1. Deze vordering heeft de man aldus gespecificeerd:

gordijnen € 1.000,-

reparatie televisie € 77,-

vervanging deuren € 500,-

telefoonkosten € 500,-

helft bed € 400,-

overig € 1.667,-

De rechtbank heeft van deze vordering € 1.644,- toegewezen. Dit bedrag is kennelijk door de rechtbank zo geschat. Ter beoordeling staat of de man aanspraak kan maken op een hoger bedrag.

4.3.2. De man stelt dat de vrouw na haar vertrek uit de voormalige echtelijke woning een groot aantal gordijnen heeft meegenomen. Hij vordert schadevergoeding. De vrouw heeft het grote aantal betwist en erkent een paar gordi-nen te hebben meegenomen. De man heeft geen bewijs aangeboden van zijn stelling. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de waarde van gebruikte gordijnen in het maatschappelijk verkeer gering is. De man heeft geen specificatie van de vervangingskosten overgelegd. Het hof schat de schade voor de man op niet meer dan € 200,-.

4.3.3. Tijdens het verblijf van de vrouw in de voormalige echtelijke woning is de televisie stuk gegaan. De man stelt niet dat de vrouw daarvan enig verwijt kan worden gemaakt. Het lijkt er meer op dat ouderdom de reden van het stukgaan is. De vordering is niet toewijsbaar.

4.3.4. De post overig van € 1.667,- heeft betrekking op accountantskosten die de man heeft gemaakt om antwoord te krijgen op de door de vrouw in deze procedure gestelde vragen. De vordering wordt afgewezen. Elk der partijen dient haar eigen proceskosten te dragen.

4.3.5. Gelet op hetgeen werd overwogen staat vast dat niet meer dan € 1.644,- kan worden toegewezen. De grieven kunnen mitsdien niet tot een ander oordeel leiden.

4.4. De voorwaardelijk incidentele grief hoeft niet te worden behandeld omdat niet aan de voorwaarde is voldaan. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De proceskosten zullen worden gecompenseerd nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van de Bergh en Bijleveld-van der Slikke en is uitgesproken door ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 april 2006.