Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV9126

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
R200500701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man heeft nihilstelling verzocht van de voor zijn kinderen te betalen onderhoudsbijdrage, op grond van het feit dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is verklaard, als gevolg waarvan hij geen draagkracht heeft. De rechtbank heeft het verzoek in de bestreden beschikking toegewezen. De vrouw, als moeder van de tijdens de toepassing van regeling meerderjarig geworden kinderen, alsmede de kinderen zelf zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen.

Het hof overweegt dat een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie voor de duur van de schuldsaneringsregeling in beginsel wordt toegewezen indien de alimentatieplichtige definitief tot die regeling is toegelaten. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op dat uitgangspunt.

Appellanten hebben gesteld dat hier sprake is van de bijzondere omstandigheid dat de man op eigen initiatief en zonder voldoende noodzaak toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Aan het hof is echter gebleken dat de man eerst gedurende één jaar begeleiding van budgetbeheer heeft ontvangen, maar dat deze begeleiding geen afdoende oplossing vormde, zodat de man de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Het hof is dan ook van oordeel dat is gebleken van een voldoende noodzaak voor het verzoek van de man.

Voorts hebben appellanten gesteld dat de rechtbank het verzoek tot nihilstelling van de man had dienen af te wijzen nu er onduidelijkheden bestaan over de betaling van de bijdrage en de reservering van een bepaald bedrag tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Nu de man alleen een bedrag aan leefgeld ontving en zijn financiën voor het overige werden beheerd door de stadsbank, komen deze onduidelijkheden naar het oordeel van het hof niet voor rekening van de man en heeft de rechtbank het verzoek terecht op die grond niet afgewezen.

Daarnaast hebben appellanten gesteld dat de bijdrage voor de kinderen dient te prevaleren boven betaling aan de schuldeisers, aangezien het onredelijk is dat de achterstand in betaling van deze bijdrage er eerst toe leidt dat de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing wordt, terwijl de toepassing van die regeling er vervolgens toe leidt dat deze bijdrage op nihil wordt gesteld. Het hof acht het in dit kader van belang dat de achterstand een in verhouding tot de totale schuldenlast relatief kleine schuld vormt en dat overigens sprake is van reële schulden aan derden. Voorts hebben appellanten niet aangegeven hoe de man zijn financiële situatie zodanig anders had dienen te regelen, dat hij thans nog in staat zou zijn om aan zijn verplichting jegens zijn kinderen te voldoen.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van zodanige omstandigheden dat een verzoek tot nihilstelling van de onderhoudsverplichting dient te worden afgewezen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Wijzigingswet Faillissementswet (sanering van schulden van natuurlijke personen)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WG

10 januari 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500701

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante]

en

[jongmeerderjarige dochter C.], [jongmeerderjarige zoon D.] en [jongmeerderjarige dochter E.]

allen wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: de vrouw, respectievelijk [jongmeerderjarige dochter C.], [jongmeerderjarige zoon D.] en [jongmeerderjarige dochter E.]

procureur mr. J.E. Benner,

t e g e n

[Geintimeerde]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.C.W. van der Zanden.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 5 april 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 juli 2005, hebben de vrouw, [jongmeerderjarige dochter C.], [jongmeerderjarige zoon D.] en [jongmeerderjarige dochter E.] verzocht de voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans dat verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 juli 2005, heeft de man verzocht de vrouw, [jongmeerderjarige dochter C.], [jongmeerderjarige zoon D.] en [jongmeerderjarige dochter E.] niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, althans dit verzoek af te wijzen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2005. Bij die gelegenheid zijn de vrouw, [jongmeerderjarige dochter C.], en [jongmeerderjarige dochter E.] bijgestaan door hun advocaat, gehoord. Voorts is de man, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord.

[jongmeerderjarige zoon D.] is, ondanks behoorlijke oproeping daartoe, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 december 2004;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 26 oktober 2005.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De vrouw en de man zijn op 30 juni 1976 te Apeldoorn met elkaar gehuwd.

De tussen hen gegeven echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zutphen van 12 juni 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Apeldoorn op 9 juli 1997 .

4.2. Uit het huwelijk van de vrouw en de man zijn vier kinderen geboren. De onderhavige zaak heeft betrekking op drie van hen, te weten:

- [jongmeerderjarige dochter C.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [jongmeerderjarige zoon D.] , geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en

- [jongmeerderjarige dochter E.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

4.3. Bij de beschikking van 20 oktober 1998 heeft de rechtbank Zutphen bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van fl 184,- per maand per kind met ingang van 1 april 1998 en een bedrag van fl 180,- per maand per kind met ingang van 1 juli 1998. De bijdragen voor de kinderen belopen ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 100,52 per kind per maand.

4.4. De man heeft nihilstelling gevraagd van deze bijdrage, nu bij vonnis van 16 september 2003 de

schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is verklaard, als gevolg waarvan hij geen draagkracht tot betaling van enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft.

4.5. De rechtbank heeft dit verzoek gedeeltelijk toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank het bedrag dat de man ingevolge de beschikking van 20 oktober 1998 van 16 september 2003 tot 5 april 2005 gehouden was te betalen heeft vastgesteld op de gedurende de schuldsaneringsregeling feitelijk aan LBIO betaalde bedragen alsmede op het per 5 april 2005 voor de onderhoudsbijdragen in het “potje budgetbegeleiding” gereserveerde bedrag. Daarnaast heeft de rechtbank de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 5 april 2005 tot het einde van de schuldsaneringsregeling, zijnde 16 september 2005, op nihil gesteld.

4.6. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het uitgangspunt is dat, indien een alimentatieplichtige definitief is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie voor de duur van die schuldsaneringsregeling wordt toegewezen. Naar het oordeel van het hof komt uit jurisprudentie van de Hoge Raad naar voren dat slechts bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op voornoemd uitgangspunt.

Appellanten hebben in hun beroepschrift gesteld dat zij van mening zijn dat hier sprake is van de bijzondere omstandigheid dat de man op eigen initiatief en zonder voldoende noodzaak toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht, zodat bij de bepaling van de draagkracht geen rekening dient te worden gehouden met de schulden die hebben geleid tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Aan het hof is echter uit verklaringen van de man ter zitting gebleken dat de man voorafgaand aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling reeds gedurende één jaar begeleiding van budgetbeheer heeft ontvangen, maar dat deze begeleiding geen afdoende oplossing vormde voor zijn schuldenproblematiek, zodat de man een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan. Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat is gebleken van een voldoende noodzaak voor een verzoek van de man tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Voorts hebben appellanten gesteld dat de rechtbank het verzoek van de man tot nihilstelling ten onrechte niet heeft afgewezen op grond van onder meer onduidelijkheden over de betaling van de onderhoudsbijdrage tot mei 2004 en over de reservering van een bedrag van € 1.484,04. De man heeft ter zitting verklaard dat tijdens de schuldsaneringsregeling al zijn inkomsten direct naar de stadsbank gingen en dat de stadsbank zorg droeg voor de betaling van zijn vaste lasten. De man zelf ontving alleen wekelijks een bedrag aan leefgeld. Nu de man alleen een bedrag aan leefgeld ontving en zijn financiën voor het overige werden beheerd door derden, is het hof van oordeel dat de voormelde onduidelijkheden niet voor rekening van de man komen, zodat het verzoek tot nihilstelling naar het oordeel van het hof terecht niet op grond daarvan is afgewezen.

Daarnaast hebben appellanten gesteld dat de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen dient te prevaleren boven betaling aan de schuldeisers. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het onredelijk zou zijn indien de achterstand in betaling van onderhoudsbijdragen in de vorm van een schuld aan het LBIO er eerst toe zou leiden dat de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing wordt, terwijl de toepassing van de schuldsaneringsregeling er vervolgens toe zou leiden dat de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen op nihil wordt gesteld. Hoewel het hof evenals de rechtbank deze redenering van appellanten kan volgen, acht het hof het in dit kader van belang dat de schuld aan het LBIO een in verhouding tot de totale schuldenlast relatief kleine schuld vormt en dat overigens sprake is van reële schulden aan derden. Daarnaast hebben appellanten noch in hun beroepschrift, noch ter zitting aangegeven hoe de man zijn financiële situatie zodanig anders had dienen te regelen, dat hij thans nog in staat zou zijn om aan zijn verplichtingen ten opzichte van de kinderen te voldoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man noch ten tijde van de schuldsaneringsregeling, noch daaraan voorafgaand een hoog inkomen genoot.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van zodanige omstandigheden dat een verzoek tot nihilstelling van de onderhoudsverplichting dient te worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen. Het hof overweegt daarbij ten overvloede dat door de onderhoudsbijdrage in de periode van 16 september 2003 tot 5 april 2005 vast te stellen op de feitelijk aan het LBIO betaalde bedragen, alsmede op het binnen de budgetbegeleiding gereserveerde bedrag van € 1.484,04, de man daarmee feitelijk zijn onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen gedurende een periode van circa 13 maanden tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling volledig heeft voldaan.

4.6.1. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu de man en de vrouw gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 5 april 2005;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Soest-Van Dijkhuizen, Lamers en Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.