Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV6570

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
R200600031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de schuldsaneringsregeling niet is bedoeld om de schuldenaar met een grote persoonlijke inzet procedures te laten beginnen cq. voort te zetten.

Nu de inspanningen van de appellant in de eerste plaats zijn gericht op de juridische en persoonlijke strijd tegen zijn schuldeisers in plaats van om zich maximaal in te spannen om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers, bestaat er gegronde vrees dat de appellant tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TvG

8 maart 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600031

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

procureur: mr. W.M. Welage.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch 2 januari 2006, waarvan de inhoud bij [appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 januari 2006, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem toe te laten tot de schuldsanering.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 maart 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] bijgestaan door mr. W.M. Welage;

- de bewindvoerder, mr. I. van Ingen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de stukken van de eerste aanleg, afkomstig van de griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch;

- de brief met bijlagen van de procureur van [appellant] d.d. 20 januari 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van [appellant] d.d. 27 februari 2006;

- de ter zitting door [appellant] overgelegde producties;

- het ter zitting door de bewindvoer overgelegd financieel verslag.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [Appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuld-saneringsregeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 21 november 2005

E. 110.090,65, waaronder een schuld aan gerechtsdeurwaarderkantoor [X.] van E. 90.618,-- en [Y.] van E. 14.061,-- Uit genoemde verklaring blijkt dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van een minnelijke traject, aangezien hij op 31 augustus 2005 naar aanleiding van een faillissementsaanvraag een verzoek ex artikel 284 Fw heeft ingediend en voorlopig is toegelaten tot de schuld-saneringsregeling.

Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellant] tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

4.1.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b. Fw overwogen dat [appellant] duidelijk tekort schiet in zijn verplichting om de bewindvoerder te informeren en er gegronde vrees bestaat dat [appellant] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen.

4.1.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

Gebleken is dat [appellant] na zijn toelating tot de voorlopige schuldsanerings-regeling eind augustus 2005 slechts driemaal heeft gesolliciteerd. Daarnaast is [appellant] verhuisd naar Amsterdam zonder duidelijk aan te geven wanneer de bewindvoerder hem kan zien of spreken en is hij bovendien naar Amerika geweest zonder de bewindvoerder hiervan op de hoogte te stellen.

Ook zijn er grote onduidelijkheden met betrekking tot het inkomen van [appellant].

Tot slot heeft de rechtbank ten overvloede geconcludeerd dat [appellant] allerlei onduidelijke constructies heeft met betrekking tot zijn bedrijfsvoering en er onduidelijkheden zijn met betrekking tot de waardevermindering en de verkoop van zijn appartement in Frankrijk en dat hij daarover aan de bewindvoerder volstrekt onduidelijk en onvoldoende inlichtingen heeft gegeven.

Voorts heeft de rechtbank opgemerkt dat volgens de bewindvoerder [appellant] reeds eerder ter zake van bestuurders- aansprakelijkheid is veroordeeld nadat één van zijn BV's was gefailleerd.

4.2.1. [Appellant] heeft in het beroepschrift in de eerste plaats aangevoerd dat hij van 12 september tot en met 14 december 2005 13 sollicitaties heeft verricht en dat hij de bewindvoerder hierover heeft geïnformeerd.

Voorts stelt [appellant] dat hij op 2 december 2005 naar Amsterdam is verhuisd en dat hij de bewindvoerder hierover heeft ingelicht en nadien uitvoerig tussen hen is gecorrespondeerd.

Met betrekking tot zijn inkomen voert [appellant] aan dat hij de bewindvoerder heeft medegedeeld dat hij per 1 oktober 2005 in dienst is getreden bij [Z. B.V.] tegen een netto salaris van E. 500,-- per maand en dat hij de arbeidsovereen-komst en de eerste loonstrook aan de bewindvoerder ter hand heeft gesteld.

[Appellant] erkent dat hij van 1 november tot 8 november 2005 in verband met een huwelijk en het bezoeken van een getuige in Amerika is geweest, doch dat hij op 31 oktober 2005 via een e-mail aan de bewindvoerder heeft bericht dat hij gedurende een week niet aanwezig was. Hij stelt dat hij "gewoon bereikbaar was."

De kosten van deze reis zijn volgens [appellant] door derden betaald.

Volgens [appellant] heeft hij de bewindvoerder uitgebreid schriftelijk geïnformeerd over zijn bedrijfsvoering. [Appellant] voegt daaraan toe dat, indien er nog relevante onduidelijkheden zijn met betrekking tot zijn bedrijfsvoering, hij bereid is de bewindvoerder hierover te informeren. Hetzelfde geldt overigens ook met betrekking tot de verkoop van zijn studio in Frankrijk.

Juist is dat er tegen [appellant] een procedure loopt ter zake van bestuurders-aansprakelijkheid, maar dit betreft een faillissement van EGHO B.V. dat in 1997 is uitgesproken. Deze procedure loopt nog bij het gerechtshof Amsterdam, aangezien [appellant] uitdrukkelijk betwist dat sprake is van bestuurders-aansprakelijkheid.

4.2.2. Resumerend stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij voldaan heeft aan al zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling, dat hij de bewindvoerder voldoende heeft geïnformeerd en bereid is dit te blijven doen, waaronder het doen van sollicitaties voor betaald werk.

In de visie van [appellant] is er geen aanwijzing dat hij zijn schuldeisers te kwader trouw heeft benadeeld en is er geen gegronde vrees dat hij zijn schuldeisers zal trachten te benadelen.

4.3. Het hof overweegt als volgt.

Wat er zij van de juistheid van hetgeen [appellant] in zijn beroepschrift heeft aangevoerd, het hof acht het in ieder geval volstrekt onverenigbaar met een juiste uitvoering van de WSNP dat een saniet op 31 oktober 2005 naar zijn bewindvoerder mailt dat hij vanaf die dag tot 8 november 2005 afwezig is, doch bereikbaar middels email en voicemail, terwijl hij in die periode op kosten van derden in Amerika verblijft.

De kern van het verwijt dat [appellant] kan worden gemaakt, ligt echter naar het oordeel van het hof in het navolgende.

In het licht van de doelstelling van de wet, die er op neer komt dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn terechtgekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen gaan, mag van de schuldenaar actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gevergd worden. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan sprake zijn indien de schuldenaar nalaat een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning te leveren om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers dan wel dat de schuldenaar verzuimt aan de bewindvoerder juiste, actuele en volledige informatie te verschaffen over gegevens waarvan hij weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

4.3.1. Uit de inhoud van de processtukken en uit hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht is het hof genoeg- zaam gebleken dat de doel-stelling van [appellant] niet gericht is op het aflossen van schulden, omdat hij van mening is dat er geen schulden zijn, althans dat de beweerde schulden gecompenseerd worden door tegenvorderingen.

Uit de overgelegde talloze producties blijkt immers dat de prioriteit van [appellant] in de eerste plaats ligt bij het procederen tegen schuldeisers en niet om zijn schuldeisers in enig opzicht tegemoet te komen.

Naar het oordeel van het hof is de schuldsaneringsregeling in ieder geval niet bedoeld om de schuldenaar met een grote persoonlijke inzet procedures te laten beginnen cq. voort te zetten tegen zijn schuldeisers.

Gelet op de talloze procedures tussen [appellant] en de schuldeisers kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de inspanningen van [appellant] in de eerste plaats gericht zijn op de juridische en persoonlijke strijd tegen zijn schuldeisers in plaats van om zich maximaal in te spannen om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers.

4.3.2. Voorts heeft de bewindvoerder te zitting onweersproken gesteld dat [appellant] tot op heden heeft verzuimd de door de bewindvoerder vastgestelde minimale maandelijkse bijdrage van E. 31,88 aan de boedel te voldoen.

Ter zitting is weliswaar gebleken dat zich op dit moment een actief in de boedel bevindt van E. 39.732,--, doch dit bedrag heeft betrekking op de afkoop van een levensverzekering bij Reaal. De bewindvoerder heeft ter zitting daaraan toegevoegd dat hij bij toeval is gestuit op deze levensverzekering en dat hij heeft kans gezien deze verzekering af te kopen. [Appellant] is verwijtbaar tekort geschoten, aangezien hij aan de bewindvoerder niet heeft medegedeeld dat sprake was van een levensverzekering.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat [appellant] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

Dat betekent dat het vonnis, waarvan beroep, moet worden bekrachtigd met wijziging van de gronden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep, met aanvulling van gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. van Teeffelen, Philips en Spliet en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 maart 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.