Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV6562

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
R200500930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden een hogere bijdrage in het levensonderhoud en de studie van zijn dochter (leeftijd: thans 22 jaar) niet op zijn plaats is en niet van de man kan worden gevergd. Het beroep van de man op artikel 1:399 BW slaagt derhalve. Voldoende is komen vast te staan, dat de man niet betrokken is geweest bij de opvoeding van zijn dochter vanaf haar 15de jaar en dat de dochter er voor gekozen heeft om geen enkele vorm van contact te willen onderhouden met haar vader. De dochter heeft naar het oordeel van het hof niet inzichtelijk kunnen maken waarop deze totale afwijzing van haar vader berust. Onder deze omstandigheden dient de financiële verantwoordelijkheid van de vader te worden beperkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WSdH

22 maart 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500930

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Naam appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[Naam geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. B.Th.H. Boomsma.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juni 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2005, heeft [jongmeerderjarige dochter A.] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor zover de verzoeken zijn afgewezen en te bepalen dat:

* de man van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 aan [jongmeerderjarige dochter A.] een bedrag van E. 390,00 per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie, zijnde 50% van haar kosten van studie en aanverwante zaken, danwel een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht;

* de man vanaf 6 december 2004 tot het moment dat [jongmeerderjarige dochter A.] haar studie Bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht zal hebben afgerond, aan [jongmeerderjarige dochter A.] een bedrag van E. 390,00 per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie, zijnde 50% van haar kosten van studie en aanverwante zaken, met wettelijke indexering aansluitend bij de wettelijke bepaling van art. 1:402a BW, dan wel een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht;

* de man aan [jongmeerderjarige dochter A.] een bedrag van E. 2.265,00 dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 oktober 2005, heeft de man verzocht [jongmeerderjarige dochter A.] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering c.q. deze als ongegrond en onbewezen te ontzeggen, met bevestiging van voormelde beschikking.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 januari 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 maart 2005;

- de brief van de raadsman van de man d.d. 30 januari 2006;

- het faxbericht van de raadsvrouwe van [jongmeerderjarige dochter A.] en d.d. 31 januari 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De man en de vrouw zijn op 20 augustus 1979 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van 11 mei 1998 van de rechtbank Breda is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 2 juni 1998.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [jongmeerderjarige dochter A.], te [geboortejaar] en

- [jongmeerderjarige dochter B.], te [geboortejaar].

4.3. Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is de alimentatieverplichting van de man ten aanzien van de kinderen vastgesteld op fl. 400,- (E. 181,51) per kind per maand.

4.4. [jongmeerderjarige dochter A.] heeft bij de rechtbank Utrecht onder meer wijziging van voornoemde alimentatie verzocht. De rechtbank Utrecht heeft de zaak verwezen naar de rechtbank Breda, in verband met de verknochtheid met de zaak van de vrouw en de man ten behoeve van de kinderalimentatie van het zusje van [jongmeerderjarige dochter A.] die bij de rechtbank Breda in behandeling is genomen.

4.5. Bij beschikking van 1 juni 2005 heeft de rechtbank voornoemde echtscheidingsbeschikking gewijzigd in die zin dat de daarbij vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige dochter A.] voor de periode van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 nader wordt vastgesteld op een bedrag van E. 268,- per maand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 6 december 2004 niet langer onderhoudsplichtig is jegens [jongmeerderjarige dochter A.].

4.6. Na de terechtzitting in hoger beroep zijn partijen door het hof in de gelegenheid gesteld nader te overleggen of zij het mediationtraject willen beproeven. Bij brief en faxbericht van respectievelijk 30 en 31 januari 2006 hebben beide partijen het hof bericht hiervan af te zien.

Het hof zal derhalve overgaan tot bespreking van de grieven.

4.7. De ouders van [jongmeerderjarige dochter A.] zijn op 2 april 1998 een echtscheidingsconvenant aangegaan, waarin -onder meer en thans relevant- het volgende is opgenomen:

"Artikel 2.3 Met ingang van 1 november 1997 en zolang de kinderen minderjarig zijn betaalt de man aan de vrouw een alimentatie voor de kinderen van fl. 400,- netto per maand per kind. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW.

Artikel 2.4 De partijen verplichten elkaar om alle kosten die betrekking hebben op studie en aanverwante uitgaven van de kinderen te delen, zijnde ieder 50%.

Artikel 2.5 Vanaf het tijdstip waarop het kind meerderjarig wordt betaalt de man de in artikel 2.3 genoemde alimentatie aan het kind zelve, op een door het kind aan te wijzen bankrekening.

Artikel 2.6 Beide partijen komen overeen dat voor beide kinderen een spaarregeling tot stand komt, waarbij op 21-jarige leeftijd de som van fl. 5.000,- per partner gestort is."

4.7.1. In grief I heeft [jongmeerderjarige dochter A.] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek haar vader te veroordelen een spaarbedrag van E. 2.265,- (ongeveer fl. 5.000,-) op haar rekening te storten heeft afgewezen. Volgens [jongmeerderjarige dochter A.] heeft de rechtbank daartoe ten onrechte overwogen dat zij jegens haar vader geen nakoming in rechte kan afdwingen, omdat zij bij de totstandkoming van voornoemd echtscheidingsconvenant geen partij doch slechts begunstigde was.

Anders dan de rechtbank en de man is het hof van oordeel dat [jongmeerderjarige dochter A.] wél als partij bij het convenant dient te worden aangemerkt. Beide ouders hebben in het convenant afspraken gemaakt met betrekking tot de minderjarigheid van [jongmeerderjarige dochter A.] en, zie artikel 2.5, met betrekking tot haar meerderjarigheid (mogelijk zelfs tot na haar 21ste, zie hieronder r.o. 4.7.2.). Ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant door haar ouders was [jongmeerderjarige dochter A.] 14 jaar oud. De ouders traden op dat moment op als haar wettelijke vertegenwoordigers. [jongmeerderjarige dochter A.] was derhalve partij bij het convenant. Het hof is dan ook van oordeel dat [jongmeerderjarige dochter A.] als partij nakoming van de bepalingen 2.4 tot en met 2.6 van het echtscheidingsconvenant kan vorderen en derhalve ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. Het hof acht zich tevens bevoegd om over haar vordering van E. 2.265,- te oordelen, nu dit verzoek steunt op het artikel 2.6 van het echtscheidingsconvenant, dat door het hof wordt beschouwd als een voortgezette onderhoudsverplichting van de man jegens [jongmeerderjarige dochter A.].

Dit betekent dat de eerste grief van [jongmeerderjarige dochter A.] slaagt voorzover het betreft het gestelde onder het primaire deel. Het subsidiair aangevoerde (en het verweer van de man in deze) behoeft derhalve geen verdere bespreking.

4.7.2. In grief II heeft [jongmeerderjarige dochter A.] (kort samengevat) gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft over- wogen dat uit de artikelen 2.4 tot en met 2.6. van het convenant, in onderlinge samenhang bezien, niet kan worden afgeleid dat het de intentie van de ouders is geweest om ook vanaf de datum waarop de kinderen de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt de daar vermelde dan wel enige andere onderhoudsbijdrage te blijven voldoen. [jongmeerderjarige dochter A.] is van mening dat partijen hebben beoogd een regeling te treffen om beide kinderen in staat te stellen met voldoende middelen een studie te kunnen volgen. Volgens haar is het logisch dat partijen hebben gedoeld op een volledige studie. Bij een afgebroken studie zouden kinderen immers niet danwel minder in staat zijn in hun eigen kosten van levensonderhoud te voorzien.

De man heeft -kort samengevat- aangevoerd dat door de ouders nimmer de afspraak is gemaakt dat [jongmeerderjarige dochter A.] onvoorwaardelijk na haar 21ste een bijdrage zou ontvangen in haar levensonderhoud/studiekosten, zonder dat zij daar zelf ook enig eigen financiële inbreng in heeft. Indien de ouders dat wel zouden hebben beoogd zouden zij een bepaling hebben opgenomen waarin zij zich over en weer zouden hebben verplicht voor de duur van de hele studie van hun kinderen een bijdrage in haar kosten voor levensonderhoud en studie te voorzien, aldus de man.

Het hof maakt uit de tekst van het convenant, de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, op dat het destijds wél de bedoeling van partijen is geweest om de kinderen ook na hun meerderjarig worden in verband met studie financieel te ondersteunen. In de brief van de man van 23 augustus 2004, gericht aan de advocaat van [jongmeerderjarige dochter A.], heeft de man verklaard "Op basis van het echtscheidingsconvenant is inderdaad de verplichting ontstaan om voor de kinderen ieder 50 % van de studiekosten te betalen. Daar is nooit een misverstand over geweest." en "Voor beide kinderen is ook in het convenant opgenomen dat zij een bedrag van E. 265,- gestort krijgen op een spaarrekening. Ook in het geval van [jongmeerderjarige dochter A.] zal dit op 6 december a.s. gebeuren." In het verweerschrift van de man in eerste aanleg d.d. 6 december 2004 wordt gesteld onder punt 13 "...doch wenst wel aan te geven dat hij reeds meer dan een jaar geleden aan [de vrouw] heeft aangegeven dat hij niet bereid was om na het bereiken van de 21ste verjaardag van [jongmeerderjarige dochter A.] ten opzichte van [jongmeerderjarige dochter A.] gevolg c.q. uitvoering te geven aan de bepalingen 2.4. Ook was [de man] niet meer bereid om gevolg c.q. uitvoering te geven aan de bepaling 2.6." En onder punt 29 wordt gesteld "[de man] heeft reeds lang geleden aan [de vrouw] aangegeven dat hij zich niet meer wenst te houden aan de bepalingen 2.4. na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar". Uit deze teksten blijkt dat er afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de periode vanaf [jongmeerderjarige dochter A.] 21 jaar, die de man alsnog niet meer wil nakomen.

Voorts blijkt uit de verklaring van de vrouw van 20 augustus 2005 het volgende:

"Ten aanzien van artikel 2.4: Gezien de eigen ervaringen met betrekking tot studielasten meenden we dat juist hierover een regeling vastgelegd diende te worden binnen het convenant. Juist met de bedoeling de kinderen een studie te kunnen laten afronden zonder dat ze aanspraak moeten maken op een lening bij de IB groep. En ten aanzien van artikel 2.6: Op het moment dat wij in het huwelijk traden kreeg [de vrouw] een bedrag van haar ouders mee. Dit was echter vrij summier gezien de jaren die zij thuis in de zaak had gewerkt. [de man] heeft door veel werk te verrichten zelf een spaarpot opgebouwd waardoor wij een huis konden inrichten. De ongelijkheid in deze was voor ons ook aanleiding om dit later voor onze kinderen beter te regelen. Met de bedoeling de kinderen een bedrag mee te kunnen geven ten behoeve van hun start tot zelfstandig wonen, is dan ook aanleiding geweest voor artikel 2.6. in het convenant. Ik verklaar hierbij dat een en ander is afgesproken met de bedoeling dat beide kinderen een volledige studie hebben kunnen afronden en financiële ruimte krijgen met betrekking tot het zelfstandig kunnen wonen."

Op basis van deze verklaring van de vrouw en de passages uit voornoemde brief en het verweerschrift in eerste aanleg staat voor het hof voldoende vast dat partijen met de artikelen 2.4 tot en met 2.6 van het echtscheidingsconvenant hebben beoogd dat de kinderen gedurende hun studie, dus tot het moment dat zij volledig in eigen levensonderhoud kunnen voorzien, financieel worden gesteund door beide ouders (ieder voor de helft).

Grief II treft derhalve doel.

4.7.3. In grief III heeft [jongmeerderjarige dochter A.] aangevoerd dat de rechtbank haar verzoek om verhoging van de bijdrage van haar vader zowel in de periode vóór haar 21ste verjaardag als na die datum tot afronding van haar studie ten onrechte heeft afgewezen.

De rechtbank heeft voor wat betreft de periode van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 de (aanvullende) behoefte van [jongmeerderjarige dochter A.] aan een bijdrage in haar levensonderhoud en studie op E. 497,- per maand becijferd en hiervan 54% aan de vader opgelegd (E. 268,- per maand). Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 6 december 2004 niet langer onderhoudsplichtig is jegens [jongmeerderjarige dochter A.]. De door de rechtbank berekende draagkrachtruimtes van de vader, respectievelijk de moeder van [jongmeerderjarige dochter A.], alsmede de verhouding van deze draagkrachtruimtes (54 / 46 %) zijn overigens niet in geschil en staan vast.

[jongmeerderjarige dochter A.] heeft haar behoefte op E. 1.008,80 becijferd, daarop haar basisbeurs van E. 228,80 per maand in mindering gebracht en de resterende behoefte gelijkelijk over haar beide ouders verdeeld (E. 390,- per maand). Zij is van mening dat haar vader alsnog dient te worden verplicht uitvoering te geven aan artikel 2.4 tot en met 2.6 van het convenant, hetgeen volgens haar betekent dat de man tot het moment dat zij haar studie zal hebben afgerond met een bedrag van E. 390,- per maand bijdraagt in de kosten van haar studie en aanverwante zaken en daarnaast een bedrag van

E. 2.265,- op haar rekening stort.

De man heeft aangevoerd dat voor wat betreft de periode van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 de rechtbank terecht de behoefte heeft vastgesteld overeenkomstig het door de IB-Groep gehanteerde budget voor een uitwonende student, ervan uitgaande dat volgens hem de moeder van [jongmeerderjarige dochter A.] voor de ziektekosten van [jongmeerderjarige dochter A.] van haar werkgever een zogenaamde ZKOO bijdrage ontvangt. Subsidiair is de man van oordeel dat het bedrag van E. 2.265,- in mindering dient te strekken op de behoefte van [jongmeerderjarige dochter A.]. De man heeft echter enerzijds op beide punten geen incidenteel appèl ingesteld en anderzijds bevestiging van de bestreden beschikking verzocht, zodat het hof ervan uitgaat dat de man akkoord is met de door de rechtbank berekende aanvullende behoefte van [jongmeerderjarige dochter A.] van E. 497,- per maand. De man heeft in ieder geval tot 6 december 2004 maandelijks een bedrag van E. 275,- betaald.

Voorts heeft de man zich voor zowel de periode van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 (uitsluitend voor wat betreft de door [jongmeerderjarige dochter A.] gevraagde verhoging van de alimentatie) als de periode na 6 december 2004, beroepen op de artikelen 1: 395a BW respectievelijk 1:399 BW. De man heeft al 7 jaar geen contact meer (gehad) met [jongmeerderjarige dochter A.]. Volgens hem geeft [jongmeerderjarige dochter A.] op geen enkele wijze blijk van respect en waardering van hem als vader. Uitdrukkelijk om de reden dat [jongmeerderjarige dochter A.] vanaf haar 15de jaar geen contact met haar vader wenste te hebben (en met name op de uitermate denigrerende en grievende wijze waarop zij hem dat volgens de man heeft laten weten) heeft de man doen besluiten om vanaf haar 21ste levensjaar geen bijdrage meer te leveren in haar levensonderhoud/studie en dus ook niet het bedrag van E. 2.265,- op haar 21ste. De man is niet betrokken geweest bij de opvoeding van zijn dochter vanaf haar 15de jaar en heeft op geen enkele wijze kunnen bijdragen in de persoonlijke ontwikkeling van zijn dochter, noch in het bijbrengen van verantwoordelijkheden. De man wist niet eens dat [jongmeerderjarige dochter A.] geslaagd was voor het gymnasium en dat zij thans de studie Bestuurskunde aan de Universiteit van Utrecht volgt. Volgens de man heeft [jongmeerderjarige dochter A.] jegens haar vader ook een (morele) verplichting, die zij nimmer is nagekomen.

Los van de vraag of [jongmeerderjarige dochter A.] haar stelling dat haar behoefte meer bedraagt dan E. 497,- per maand, voldoende heeft aangetoond, danwel dat zij in het meerdere geacht kan worden zelf te voorzien middels een bijbaantje, is het hof van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden een hogere bijdrage in haar levensonderhoud en studie, niet op zijn plaats is en niet van de man kan worden gevergd. Het beroep van de man op artikel 1:399 BW voor wat betreft de periode van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 slaagt derhalve. Voldoende is komen vast te staan, dat de man niet betrokken is geweest bij de opvoeding van zijn dochter vanaf haar 15de jaar en dat de dochter er voor gekozen heeft om geen enkele vorm van contact te willen onderhouden met haar vader. [jongmeerderjarige dochter A.] heeft naar het oordeel van het hof niet inzichtelijk kunnen maken waarop deze totale afwijzing van haar vader berust. Onder deze omstandigheden dient de financiële verantwoordelijkheid van de vader te worden beperkt.

De behoefte van [jongmeerderjarige dochter A.] wordt daarmee vastgesteld op E. 497,- per maand en de door de man te betalen onderhoudsbijdrage blijft gehandhaafd op E. 268,- per maand (het door de rechtbank berekende percentage van 54 % van de kosten van levensonderhoud, studie en aanverwante uitgaven, als bedoeld in het convenant). Het beroep van de man op artikel 1:399 BW voor wat betreft de periode na 6 december 2004 slaagt inzoverre dat het hof, met inachtneming van het overwogene onder 4.7.1. en 4.7.2, geen rekening zal houden met enige verhoging van de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van hetgeen partijen in het convenant zijn overeengekomen, met dien verstande dat het hof uitgaat van de helft van de (aanvullende) behoefte van [jongmeerderjarige dochter A.] aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, studie en aanverwante kosten (convenant), die het hof op

E. 497,- heeft gesteld. Op grond van hetgeen hiervoor reeds onder 4.7.1. is overwogen zal het hof de man wel verplichten aan [jongmeerderjarige dochter A.] een bedrag van

E. 2.265,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2004 tot aan de dag van algehele voldoening. Anders dan de man is het hof van oordeel dat uit het convenant een datum blijkt waarop dit bedrag aan [jongmeerderjarige dochter A.] betaald moet worden, te weten uiterlijk op haar 21ste verjaardag.

4.7.4. Op grond van het vorenoverwogene concludeert het hof dat de man aan [jongmeerderjarige dochter A.] dient te voldoen

* van 1 oktober 2004 tot 6 december 2004 een bedrag van E. 268,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie, zijnde 54 % van haar kosten van levensonderhoud en studie (inclusief de helft van alle kosten die betrekking hebben op studie en aanverwante uitgaven),

* vanaf 6 december 2004 tot het moment dat [jongmeerderjarige dochter A.] haar studie Bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht heeft afgerond een bedrag van

* E. 248,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie (inclusief de helft van alle kosten die betrekking hebben op studie en aanverwante uitgaven),

* een bedrag van E. 2.265,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2004 tot aan de algehele voldoening.

4.8. De beschikking waarvan beroep, dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd.

Proceskosten

4.9. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu tussen partijen sprake is van een relatie als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van artikel 237 Rechtsvordering.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juni 2005 voor zover daarin is bepaald dat de vader met ingang van 6 december 2004 niet langer onderhoudsplichtig is jegens zijn dochter [jongmeerderjarige dochter A.] en voorzover daarin het verzoek van [jongmeerderjarige dochter A.] te bepalen dat op 6 december 2004 de man aan [jongmeerderjarige dochter A.] een bedrag van E. 2.265,- zal hebben gestort, is afgewezen;

en inzoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige dochter A.] aan deze zal voldoen een bedrag van E. 248,- per maand met ingang van 6 december 2004 tot het moment dat [jongmeerderjarige dochter A.] haar studie Bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht heeft afgerond, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft, te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man aan zijn dochter [jongmeerderjarige dochter A.] een bedrag van E. 2.265,- dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2004 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 1 juni 2005 voor het overige;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Philips en Spliet en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 maart 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.