Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV5175

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
C0400125MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is met de man van oordeel dat, nu op het huwelijksvermogensregime van partijen Nederlands recht van toepassing is, het Marokkaanse recht geen grondslag kan bieden om enig vermogensrecht afgezonderd te houden van de algehele gemeenschap van goederen die naar Nederlands recht van rechtswege - bij gebreke van door partijen gemaakte huwelijkse voorwaarden - door het huwelijk ontstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. ML

rolnr. C0400125/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 17 januari 2006,

gewezen in

de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij dagvaarding van 30 december 2003 ingeleide hoger beroep van het op 1 oktober 2003 onder zaak/rolnummer 93419 cv 2001/2057 uitgesproken vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen, tussen appellant - de man - als gedaagde en geïntimeerde - de vrouw - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 13 februari 2002 en 30 oktober 2002.

2. Het geding in hoger beroep

De man is van het eindvonnis van 1 oktober 2003 tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft bij memorie van grieven drie grieven tegen dat vonnis aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en afwijzing alsnog van de vordering van de vrouw.

De vrouw heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en tot afwijzing van de vordering van de man in hoger beroep.

Na een akte van de man en een antwoordakte van de vrouw hebben de partijen ten slotte de procesdossiers voor uitspraak overgelegd. In beide procesdossiers ontbreken de conclusie van eis in eerste aanleg en de drie daarbij overgelegde producties, alsmede een door de man in eerste aanleg kennelijk genomen antwoord-akte na de akte van de vrouw d.d.

13 maart 2002.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

- Partijen zijn op 5 juni 1997 op het consulaat-generaal van het Koninkrijk Marokko te 's-Hertogenbosch naar Marokkaans recht gehuwd. Zij hadden beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit en hebben zich na hun huwelijk in Nederland gevestigd;

- Op 27 juli 2000 is door de rechtbank Maastricht tussen partijen de echtscheiding naar Nederlands recht uitgesproken en zijn partijen veroordeeld tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap die door hun huwelijk is ontstaan. De echtscheiding is op 9 augustus 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. Een echtscheiding naar Marokkaans recht is nog niet gerealiseerd;

- In de huwelijksakte van het op 5 juni 1997 gesloten huwelijk is - in het Nederlands vertaald - opgenomen dat het huwelijk is aangegaan: "met een gezegende bruidsgave van 5000 gulden Nederlandse valuta, die geheel onder de hoede van de echtgenoot voornoemd blijft, en slechts volledige betaling ervan verleent hem kwijting. Hij huwde haar overeenkomstig het Boek en de Tradities van de profeet.";

4.1.2. In het geding in eerste aanleg vorderde de vrouw betaling van de bruidsschat van f 5.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg. De vrouw legt aan die vordering primair debiteursverzuim van de man en subsidiair onrechtmatig handelen van de man ten grondslag. De vrouw heeft daaraan toegevoegd dat zij de bruidsschat beschouwt als een (minimale) tegemoetkoming in de emotionele en inkomensschade die zij heeft geleden en lijdt ten gevolge van de echtscheiding.

4.1.3. De man heeft de vordering op een aantal gronden bestreden. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de bij het huwelijk naar Marokkaans/islamitisch recht afgesproken bruidsschat slechts een morele en geen rechtens afdwingbare verplichting inhoudt en dat, voor zover het Marokkaans/islamitisch recht onder omstandigheden een dergelijke bruidsschat toewijsbaar doet zijn, het niet aangaat die specifieke bepalingen naar Marokkaans/islamitisch recht toe te passen in een huwelijksvermogenssituatie als die van partijen waarop het Nederlands recht van toepassing is.

4.1.4. De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis van 1 oktober 2003 overwogen dat 'partijen op het onderhavige geschil Nederlands recht van toepassing hebben verklaard' (p. 2 voorlaatste alinea). De kantonrechter heeft voorts de vordering van de vrouw toegewezen op grond van zijn overweging dat het te dezen gaat om een verbintenis van de man die voortspruit uit een tussen partijen voorafgaand aan hun huwelijk gesloten overeenkomst en die, gelet op hetgeen in het Marokkaans familierecht ten aanzien van een bruidsgave als de onderhavige is bepaald en op hetgeen tussen partijen is overeengekomen, opeisbaar is en toewijsbaar op grond van de rechtsregels van boek 6 BW.

4.1.5. In grief 1 stelt de man dat de beoordeling door de kantonrechter van de vordering naar Marokkaans/islamitisch recht niet te verenigen is met de vaststelling door de kantonrechter dat op het geschil tussen partijen Nederlands recht van toepassing is.

Grief 2 behelst eveneens het verwijt dat de kantonrechter ten onrechte de grondslag voor de toewijzing van de vordering van de vrouw gelegen acht in het Marokkaans/islamitische recht dat in dit geval nu juist niet van toepassing is.

In grief 3 bestrijdt de man het oordeel van de kantonrechter dat de verbintenis waarvan de vrouw nakoming verlangt een verbintenis is waarop de bepalingen van boek 6 BW van toepassing zijn.

Het hof acht door de grieven het geschil in volle omvang aan zijn oordeel onderworpen en zal de grieven hierna gezamenlijk bespreken.

4.2.1. Het hof merkt allereerst op dat de door de vrouw bij conclusie van eis in eerste aanleg overgelegde producties (de echtscheidingsbeschikking, het bewijs van inschrijving en de huwelijksakte naar Marokkaans recht met vertaling) in hoger beroep door geen van beide partijen zijn overgelegd, zodat het hof voor de inhoud van die producties slechts kan uitgaan van hetgeen daarvan uit de stellingen van partijen en/of het vonnis van de kantonrechter blijkt.

4.2.2. Ten aanzien van de vaststelling door de kantonrechter van een rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht voor de beoordeling van hun geschil merkt het hof voorts op dat niet voor alle soorten rechtsverhoudingen met een internationaal karakter aan partijen een onbeperkte bevoegdheid toekomt tot keuze van het toe te passen recht. Of en in hoeverre het partijen in een rechtsverhouding met een internationaal karakter vrij staat het op hun rechtsverhouding toepasselijke recht aan te wijzen hangt af van de aard van hun rechtsverhouding en hetgeen daaromtrent is bepaald in het daarop toepasselijke conflictenrecht.

4.2.3. In het onderhavige geschil gaat het om een rechtsverhouding tussen partijen met een internationaal karakter. Partijen hebben beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit, zij zijn naar Marokkaans recht gehuwd in het consulaat-generaal van het Koninkrijk Marokko te 's-Hertogenbosch doch woonden beiden zowel vóór als na het huwelijk in Nederland en zijn naar Nederlands recht gescheiden in Nederland, waar zij beiden ook na de scheiding zijn blijven wonen.

4.2.4. Naar door de vrouw is gesteld (inleidende dagvaarding in eerste aanleg, 3e alinea), is de rechtbank Maastricht bij de echtscheidingsbeschikking uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime tussen partijen, zulks op grond van het feit dat partijen bij het aangaan van het huwelijk beiden zowel de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit bezaten en zich in Nederland hebben gevestigd. Het hof begrijpt hieruit dat door partijen vóór, bij of na het aangaan van het huwelijk geen rechtskeuze voor een specifiek huwelijksvermogensregime is gemaakt en de toepasselijkheid van Nederlands recht op dit regime in het geval van partijen voortvloeit uit het bepaalde in art. 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag (waarbij zowel Nederland als Marokko als zgn. nationaliteitsland partij zijn) in verband met het bepaalde in art. 15 lid 2 van dat verdrag, waarin is bepaald dat in het geval echtgenoten meer dan één gemeenschappelijke nationaliteit bezitten de bepalingen van de gemeenschappelijke nationaliteit (waaronder art. 4 lid 2) niet van toepassing zijn.

4.2.5. Nu voorts naar Nederlands internationaal privaatrecht op dienovereenkomstige wijze ingevolge art. 1 lid 1 onder b jo. lid 2 van voormeld artikel van de Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen ook overigens op de rechtsbetrekkingen tussen de man en de vrouw als (ex-)echtgenoten het Nederlandse recht als het recht van hun gewone verblijfplaats van toepassing is, behoeft de vraag of de partijen al dan niet ten processe nog voor toepasselijkheid van het Nederlandse recht konden kiezen, ook indien hun rechtsverhouding tot het terrein van hun huwelijksbetrekkingen en/of hun huwelijksvermogensrecht zouden moeten worden gerekend, in zoverre verder geen bespreking.

4.3.1. De vrouw beroept zich voor haar stelling dat de door haar gestelde verplichting van de man tot betaling aan haar van een bruidsgave buiten de door het huwelijk ontstane gemeenschap van goederen van partijen is gebleven uitsluitend op het Marokkaanse recht en niet op enigerlei tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarde (memorie van antwoord ad grief III). De vraag aan welke vormvereisten huwelijkse voorwaarden tussen partijen hadden moeten voldoen in verband met het bepaalde in art. 12 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag kan derhalve buiten beschouwing blijven.

4.3.2. Het hof is met de man van oordeel dat, nu op het huwelijksvermogensregime van partijen Nederlands recht van toepassing is, het Marokkaanse recht geen grondslag kan bieden om enig vermogensrecht afgezonderd te houden van de algehele gemeenschap van goederen die naar Nederlands recht van rechtswege - bij gebreke van door partijen gemaakte huwelijkse voorwaarden - door het huwelijk ontstaat.

4.3.3. Het hof ziet evenmin enige grond van redelijkheid en billijkheid om in dit geval, zoals door de vrouw subsidiair bepleit, ten aanzien van de bruidsgave anders te oordelen. In het feit dat naar Marokkaans recht de bruidsgave uitsluitend aan de vrouw toekomt, acht het hof een dergelijke grond niet gelegen nu daar tegenover staat dat, naar door de man is gesteld en door de vrouw niet is betwist, het Marokkaanse recht, anders dan het Nederlandse recht, geen gemeenschap van goederen kent, en naar Marokkaanse recht na een echtscheiding alle goederen naar de man gaan en er geen alimentatieverplichting bestaat, en de bruidsgave de islamitische vrouw daarvoor een compensatie biedt.

De omstandigheid dat naar Marokkaans recht nog geen echtscheiding tussen partijen is gerealiseerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

4.3.4. Gelet op het vorenstaande, slagen de door de man tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerde grieven en behoeven de stelling van de man dat de vrouw naar Marokkaans recht evenmin aanspraak op de bruidsgave zou kunnen maken en de stelling van de vrouw dat de echtscheiding aan de schuld van de man te wijten zou zijn, verder geen bespreking. Aan het door elk van partijen op dit punt aangeboden bewijs van hun stellingen kan als niet ter zake dienende voorbij worden gegaan.

4.4. De vrouw heeft haar vordering subsidiair gegrond op een door de man gepleegde onrechtmatige daad. De vrouw doelt daarmee kennelijk op haar verwijt aan de man dat de echtscheiding aan zijn schuld is te wijten. Het enkele feit dat een echtscheiding wellicht vooral of geheel aan een van beide partijen zou kunnen worden verweten is evenwel geen handelen dat naar Nederlands recht als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt. Ook de subsidiair door de vrouw aangevoerde grond kan dus niet tot toewijzing van haar vordering leiden.

4.5.1. Nu de door de man aangevoerde grieven doel treffen en de vordering van de vrouw evenmin toewijsbaar is op de subsidiair door haar daarvoor aangevoerde grond, dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd en de vordering van de vrouw alsnog te worden afgewezen.

4.5.2. Nu partijen (ex)echtgenoten zijn en het onderhavige geschil verband houdt met hun huwelijkse relatie, zal het hof de proceskosten van beide instanties in die zin tussen partijen compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2003, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de vrouw af;

compenseert de proceskosten van beide instanties in die zin tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Keizer en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 januari 2006.