Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV3430

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
06-03-2006
Zaaknummer
04/01795
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 september 2005, nr. 40.179, VN 2005/46.8, overwogen, dat ziektedagen, waarop normaliter in de werkstaat zou zijn gewerkt, bij vermindering ter voorkoming van dubbele belasting volgens de evenredigheidsmethode gelden als daadwerkelijk in die staat gewerkte dagen.

Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de volgende vraag:

Moet op hetgeen de Hoge Raad op 23 september 2005, nr. 40.179, VN 2005/46.8, heeft beslist, een uitzondering worden gemaakt voor het geval van belanghebbende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/34.12 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/01795

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (Verenigd Koninkrijk)(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.972,-, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,-.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 oktober 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren in oktober 1947, is sinds mei 2004 woonachtig in Nederland. Tot die datum woonde belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk.

2.2. Belanghebbende was in 2002 in dienstbetrekking bij A (hierna: A) en werd voor vier dagen per week gedetacheerd naar B BV (hierna: B BV), gevestigd te C. B BV is gelieerd aan A.

2.3. Het totale loon van belanghebbende over 2002 bedroeg inclusief de beloning van A. € 89.870,-.

2.4. Tot februari 2002 werkte belanghebbende vier dagen per week in Nederland. Op die datum werd belanghebbende ziek. In maart 2003 heeft hij zijn werkzaamheden in Nederland weer hervat op dezelfde basis als vóór zijn ziekte, dat wil zeggen voor vier dagen in de week in Nederland. Gedurende de tijd dat hij ziek was heeft B BV het salaris doorbetaald. Het aldus doorbetaalde salaris is niet doorbelast aan A en kwam volledig ten laste van B BV.

Van oktober 2002 tot 1 maart 2003 werkte belanghebbende in Nederland therapeutisch aan zijn reïntegratie in het arbeidsproces.

2.5. In geschil was onder meer de verrekening van ingehouden dividendbelasting ten bedrage van € 75,-. De Inspecteur heeft in het verweerschrift en ter zitting verklaard, dat de verrekening van de ingehouden dividendbelasting ten onrechte niet heeft plaatsgevonden en dat die ingehouden dividendbelasting alsnog, ambtshalve, is verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

2.6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 september 2005, nr. 40.179, VN 2005/46.8, overwogen, dat ziektedagen, waarop normaliter in de werkstaat zou zijn gewerkt, bij vermindering ter voorkoming van dubbele belasting volgens de evenredigheidsmethode gelden als daadwerkelijk in die staat gewerkte dagen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de volgende vraag:

Moet op hetgeen de Hoge Raad op 23 september 2005, nr. 40.179, VN 2005/46.8, heeft beslist, een uitzondering worden gemaakt voor het geval van belanghebbende?

Belanghebbende is van oordeel, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Het tijdens mijn ziekte doorbetaalde loon kwam ten laste van B BV. Het totale loon bedroeg € 89.870,- inclusief de beloning van A. Indien uitgegaan wordt van vier werkdagen per week in Nederland, ook voor de dagen dat ik ziek was, dan bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning maximaal 80% van € 89.870,-, dat is € 71.896,-.

- Het geschil kan worden beperkt tot de vraag of het arrest van 23 september 2005 ook geldt bij een langdurige ziekte.

- In BNB 2001/353 is weliswaar beslist, dat de Staat, waar de arbeid naar de voorstelling van partijen zou worden uitgeoefend, mag heffen over salarisvervangende inkomsten, maar dat arrest geldt niet bij ziekte. Dat arrest geldt alleen wanneer de werknemers in staat zijn om te werken. Het arrest van september jl., nr. 40.179, geldt niet bij langdurige ziekte.

- Ik denk, dat de uitbetaling van de uitkering tijdens mijn ziekte gebaseerd was op de toen in het Verenigd Koninkrijk geldende wet- en regelgeving. Mijn werkgever in het Verenigd Koninkrijk was verplicht mij gedurende zes maanden door te betalen. Mocht de uitkering niet berusten op de in het Verenigd Koninkrijk geldenden wet- en regelgeving, dan berustte deze op een redelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

De Inspecteur

- De stelling, dat op de uitkering de in het Verenigd Koninkrijk geldende wet- en regelgeving van toepassing was, wordt ter zitting voor het eerst door belanghebbende ingebracht. Mocht het Hof hierin aanleiding vinden het beroep gegrond te verklaren, dan wil ik mij nader daarover uitlaten. Ik ben tevreden met uw toezegging, dat zulks dan zal gebeuren.

- Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 71.896,- onder verrekening van € 75,- aan dividendbelasting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.974,- onder verrekening van € 75,- aan dividendbelasting.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar het belastbare inkomen uit werk en woning van € 71.896,- onder verrekening van de dividendbelasting van € 75,-.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Hoge Raad 10 augustus 2001, nr. 35.761, BNB 2001/353c, besliste voor de vergoeding wegens te derven inkomsten als gevolg van het niet nakomen van een aanvullende arbeidsovereenkomst voor de toepassing van het Belastingverdrag Nederland - Frankrijk van 1973 als volgt:

"(...)In het onderhavige geval, waarin het niet is gekomen tot een feitelijke uitoefening van werkzaamheden ingevolge de aanvullende arbeidsovereenkomst doordat de vereniging belanghebbende op 1 juli 1981 geen passende functie kon bieden, moet worden uitgegaan van de plaats waar volgens de arbeidsovereenkomst of naar de voorstelling van partijen de dienstbetrekking feitelijk zou worden uitgeoefend. Naar het - in cassatie niet bestreden - oordeel van het Hof was dat Nederland. (...)".

Voor ziektedagen besliste de Hoge Raad op 23 september 2005,

nr. 40.179, VN 2005/46.8, voor het belastingverdrag Nederland - België van 1970 als volgt:

"(...) 3.3.5. De door het middel bepleite berekeningswijze is derhalve juist: het aan de in de werkstaat verrichte arbeid toe te rekenen loon dient te worden bepaald door het jaarloon te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het aantal dagen waarop daadwerkelijk in de werkstaat is gewerkt, en de noemer door het aantal kalenderdagen van het desbetreffende jaar, verminderd met de weekeinddagen, de ter zake van arbeid in dat jaar overeengekomen vakantiedagen, en de feestdagen en dergelijke waarop niet behoefde te worden gewerkt.

(...)

3.3.7. De Hoge Raad acht het dienstig om, zij het voor dit geval ten overvloede, tevens aan te geven op welke wijze rekening moet worden gehouden met ziektedagen: een dag waarop de werknemer, ware hij niet door ziekte verhinderd, krachtens de overeenkomst had gewerkt in de werkstaat, geldt voor de toepassing van de hiervoor in 3.3.5 gegeven berekeningswijze als een daadwerkelijk in die staat gewerkte dag en telt derhalve mee voor de bepaling van de teller van de breuk; de noemer wordt bepaald op de wijze als hiervoor in 3.3.5 omschreven, en wordt derhalve niet beïnvloed door het (totale) aantal ziektedagen.

3.3.8. Eveneens ten overvloede overweegt de Hoge Raad dat het voorgaande gelijkelijk geldt voor de toepassing van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting. (...)".

4.2. De Hoge Raad maakt in deze arresten geen verschil tussen kortstondige en langdurige ziekte. Het gaat er kennelijk om waar belanghebbende, ware hij niet ziek geweest, (volgens de arbeidsovereenkomst of naar de voorstelling van partijen) zou hebben gewerkt.

Vaststaat, dat belanghebbende voor en na zijn ziekte telkens vier dagen per week in Nederland werkte. Verder staat vast dat hij in Nederland therapeutisch aan zijn reïntegratie in het arbeidsproces heeft gewerkt. Een en ander duidt er naar het oordeel van het Hof op, dat hij, ware hij niet ziek geweest, ook vier dagen per week in Nederland zou hebben gewerkt.

Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting niet aangegeven, in hoeverre zijn geval op te dezen relevante punten dwingt tot een behandeling die afwijkt van de behandeling die plaats heeft gevonden in de gevallen uit de beide hierboven genoemde twee arresten. Hij heeft slechts gesteld, dat zijn geval een langdurige ziekte betrof en de Inspecteur heeft dat feit niet weersproken. Daarmee heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof te weinig feiten aangedragen voor zijn stelling, dat het geval van belanghebbende anders moet worden behandeld, dan de gevallen waarover in de twee bovengenoemde arresten is beslist. Het Hof ziet althans op basis van hetgeen belanghebbende stelt onvoldoende aanleiding om voor zijn geval en voor de toepassing van het Belastingverdrag Nederland - Verenigd Koninkrijk van 1980 (hierna: het Verdrag) af te wijken van de in de beide arresten door de Hoge Raad uitgezette lijn.

Nu voorts gesteld noch gebleken is, dat artikel 15, lid 2 van het Verdrag de heffingsbevoegdheid te dezen aan het Verenigd Koninkrijk toewijst, heeft de Inspecteur het door belanghebbende tijdens zijn ziekte genoten loon - voor zover toe te rekenen aan de, ware hij niet ziek geweest, in Nederland te werken dagen - naar het oordeel van het Hof terecht in de heffing betrokken. Daarbij is naar het oordeel van het Hof niet relevant, of de doorbetaling van belanghebbendes salaris tijdens zijn ziekte op grond van het Engelse dan wel het Nederlandse arbeidsrecht heeft plaatsgevonden.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens, dat de uitspraak van de Inspecteur dient te worden vernietigd en dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld wordt op € 71.896,- onder verrekening van de dividendbelasting van € 75,-.

5 Het griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,- (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966,-, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf, door het Hof in goede justitie vastgesteld op € 100,-, is in totaal € 1.066,-.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende verletkosten heeft gemaakt.

7. Beslissing

Het Hof:

– verklaart het beroep gegrond,

– vernietigt de bestreden uitspraak,

– vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.896,- onder verrekening van de ingehouden dividendbelasting ad € 75,-.

– gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,-,

– veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.066,-, en

– wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en W.F.G. Wijnen, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 18 januari 2006

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 18 januari 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.