Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV3422

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
06-03-2006
Zaaknummer
03/00440
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/4530
FutD 2006-0499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00440

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn met aanslagnummer 0000.00.000.0007500 voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 en met aanslagnummer 0000.00.000.0001500 voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 30 september 2001 naheffingsaanslagen in de grondwaterbelasting opgelegd, zonder verhoging, tot belastingbedragen van respectievelijk € 2.276,= en € 10.984,=, welke naheffingsaanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 232,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 oktober 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende onttrekt grondwater aan de bodem ten behoeve van haar productieproces. Zij bedient zich daartoe van een installatie bestaande uit een samenstel van twee pompen, met elk een eigen put, van welke pompen er maar één tegelijk kan werken als gevolg van een daartoe strekkende elektrische schakeling. Wanneer de ene pomp werkt is de capaciteit van de installatie lager dan 10 kubieke meter per uur; wanneer de andere pomp werkt is de capaciteit van de installatie hoger dan 10 kubieke meter per uur.

2.2. Belanghebbende heeft gemiddeld over de tijdvakken waarop de litigieuze naheffingsaanslagen betrekking hebben, met die installatie minder grondwater onttrokken dan 10 kubieke meter per uur.

2.3. Bij brief van 20 april 1999 is door de Provincie A aan belanghebbende meegedeeld dat haar inrichting uit het Grondwaterregister zal worden verwijderd omdat de maximale pompcapaciteit minder dan 10 m3 per uur bedraagt en belanghebbende derhalve overeenkomstig de Grondwaterwet niet (meer) vergunningplichtig is.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet).

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Namens belanghebbende

Door de brief van de Provincie is een rechtens te honoreren vertrouwen gewekt dat belanghebbende niet aan de grondwaterbelasting onderworpen zouden zijn nu zij niet vergunningplichtig was. De Provincie heeft belanghebbende die brief gestuurd op haar eigen verzoek.

Belanghebbende heeft altijd minder water opgepompt dan 10 kubieke meter per uur. De in het verweerschrift opgenomen berekening betreft het jaar 1996 en niet, zoals staat vermeld, het jaar 1997. Men kan de onderhavige situatie vergelijken met die van de bestuurder van een snelle auto die nooit harder rijdt dan de wettelijke limiet zodat er geen overtreding van de norm optreedt.

Inmiddels is het probleem opgelost. De capaciteit van de grootste pomp is verminderd doordat die pomp verzegeld is afgeknepen, dat wil zeggen dat de diameter van de pompleiding is verkleind zodat de capaciteit van de pomp is afgenomen, en dat die verkleining door de belastingdienst is verzegeld.

De hoogte van de aanslag is op zich niet in geschil.

De Inspecteur

Na discussie over de vraag of de capaciteit van de twee pompen bij elkaar moest worden geteld zijn partijen het erover eens geworden dat sprake is van één installatie, nu van de twee aanwezige pompen er maar één tegelijkertijd kan werken. Aangezien de grootste van de twee pompen een hogere capaciteit heeft dan 10 kubieke meter per uur en die grote pomp te allen tijde aangezet kan worden, moet gesteld worden dat de installatie als geheel ook een grotere capaciteit dan 10 kubieke meter per uur heeft.

De Belastingdienst is niet gebonden aan uitingen van de Provincie. De Provincie heeft andere belangen en zij maakt haar eigen afweging.

De Belastingdienst verstrekt niet op vaste basis gegevens aan de Provincie.

Als iemand niet vergunningsplichtig is, is daarmee nog niet gezegd dat de Belastingdienst niet meer kan heffen.

Primair stel ik dat de capaciteit per pomp bepalend is. Subsidiair stel ik dat naar de gemiddelde capaciteit van de pompen moet worden gekeken, maar ook dan wordt de grens van 10 kubieke meter per uur overschreden.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslagen.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen staat vast dat de installatie waarmee het grondwater werd opgepompt bij gebruikmaking van de grootste van de twee pompen in staat was om per uur meer water op te pompen dan 10 kubieke meter. Daaruit volgt dat de capaciteit van die installatie groter was dan 10 kubieke meter per uur.

4.2. Van die gevolgtrekking uitgaande heeft de Inspecteur, naar het oordeel van het hof terecht, de toepassing van de vrijstelling van artikel 8, onderdeel a, van de Wet, geweigerd. Daaraan doet niet af dat belanghebbende in feite gemiddeld over de tijdvakken waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben minder grondwater oppompte dan 10 kubieke meter per uur, omdat de toepassing van die vrijstelling niet afhankelijk is gesteld van de feitelijke hoeveelheid opgepompt water doch van de pompcapaciteit van de installatie.

4.3. Belanghebbendes beroep op een door de Provincie met de in 2.3. bedoelde brief gewekt rechtens te honoreren vertrouwen dat belanghebbende buiten de heffing van grondwaterbelasting gelaten zou worden, wordt naar het oordeel van het hof niet met vrucht voorgedragen, reeds omdat in bedoelde brief niet gesteld is dat die heffing achterwege zou blijven. Het hof overweegt overigens dat een Provincie niet een rechtens te honoreren vertrouwen kan wekken ten aanzien van het al dan niet achterwege blijven van de heffing van een rijksbelasting.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door N. van Beelen, voorzitter, R.J. Koopman en J.A. Monsma, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 18 januari 2006

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 18 januari 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.