Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV3146

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
02-03-2006
Zaaknummer
R200501124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag van een alleen met het gezag belaste ouder en een grootouder is naar het oordeel van het hof mogelijk op grond van art. 1:253t BW. De nauwe persoonlijke betrekking is bepalend. In de wetgeschiedenis is geen verwijzing opgenomen naar het verbod op grootouderadoptie noch enige contra-indicatie daaromtrent. De belangen van het kind worden niet geschaad bij toewijzing van het verzoek. In deze zaak is er geen sprake van een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder, aangezien de ouders niet waren gehuwd en de vader het kind niet heeft erkend. De vader heeft ook nooit enig contact of bemoeienis met het kind gehad.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253t
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 63
EB 2006, 38
JIN 2006/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IWMD

31 januari 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200501124

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna tevens: de moeder,

en

[naam oma],

wonende te [woonplaats],

hierna tevens: de oma,

appellanten,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 4 augustus 2005, waarvan de inhoud bij appellanten bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 25 oktober 2005, hebben appellanten verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende het verzoek van appellanten om gezamenlijk te worden belast met het gezag over [minderjarige zoon] toe te wijzen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2005.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- appellanten, bijgestaan door mevr. mr. I.G. Schoones-Aarts;

- mevr. B. van der Staak namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

De heer [naam vader](hierna: de vader) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 juli 2005.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit een affectieve relatie van de moeder en de vader, de heer [naam vader], is op [geboortejaar] [naam minderjarige zoon] geboren (hierna: [minderjarige zoon]). De vader heeft de moeder vóór de geboorte van [minderjarige zoon] verlaten. De vader heeft [minderjarige zoon] niet erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige zoon].

4.2. Appellante [naam oma] is de moeder van appellante [naam moeder]. Appellanten hebben in eerste aanleg de rechtbank Maastricht verzocht hen gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige zoon]. De rechtbank heeft bij beschikking van 4 augustus 2005 het verzoek afgewezen. Appellanten kunnen zich niet met deze beslissing verenigen en komen hiervan in hoger beroep.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat in beginsel de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder, die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, op grond van art. 1:253t BW de rechtbank kunnen verzoeken hen gezamenlijk met het gezag te belasten. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn, mede in aanmerking genomen dat de vader van [minderjarige zoon] nog leeft, om de oma gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten. De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek niet in het systeem van de wet past en dient te worden beschouwd als een - verkapt - verzoek tot adoptie. Nu uit art. 1:228 lid 1 aanhef en onder b BW volgt dat adoptie door een grootouder niet mogelijk is, heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

4.4.1. In het beroepschrift hebben appellanten aangevoerd dat de beschikking van de rechtbank ondeugdelijk is gemotiveerd. Appellanten stellen dat zij nooit de intentie hebben gehad een verzoek tot eenpersoonsadoptie door de oma te doen, aangezien dit een te ingrijpende maatregel is. Zij willen enkel de feitelijke opvoedings- en verzorgingsituatie vastleggen in een juridisch kader, waarbij gezamenlijk gezag volgens appellanten het beste aansluit. Appellanten zijn van mening dat indien tussen een niet-biologische zorgouder en een kind een nauwe persoonlijke relatie is ontstaan, deze relatie wettelijke bescherming verdient.

De oma neemt een groot deel van de verzorgings- en opvoedingstaken en ook de verantwoordelijkheid over [minderjarige zoon] op zich, waardoor zij bijdraagt aan het geestelijk en lichamelijk welzijn van [minderjarige zoon] en een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De moeder werkt in ploegendienst in een verpleegkliniek. Als de moeder werkt, verblijft [minderjarige zoon] bij de oma. Hij slaapt daar gemiddeld drie nachten per week en heeft er een eigen kamer. De oma is ook regelmatig bij de moeder en blijft dan vaak eten. De zomervakantie brengen [minderjarige zoon], de moeder en de oma samen door op de camping. De moeder houdt daar drie weken met hen vakantie, de overige weken komt zij na haar werk langs op de camping. Tussen [minderjarige zoon] en de oma bestaat een zeer nauwe persoonlijke relatie. Feitelijk oefent de oma het gezag over [minderjarige zoon] al uit. Volgens appellanten staat er niets aan in de weg om hen gezamenlijk met het gezag te belasten. Gelet op het voorgaande dient naar de mening van appellanten het verzoek te worden toegewezen.

4.4.2. Ter zitting hebben appellanten toegelicht dat de reden voor hun verzoek gelegen is in het feit dat zij willen voorzien in het gezag over [minderjarige zoon] ingeval de moeder niet in staat is tot uitoefening van haar gezag, bijvoorbeeld door verblijf in het buitenland of in geval van coma. Appellanten stellen dat het middels een testament mogelijk is te beschikken omtrent voorzieningen na de dood van de moeder. Appellanten zijn van mening dat de regeling van gezamenlijk gezag bij leven de mogelijkheid biedt om iemand aan te wijzen voor het (mede) nemen van belangrijke beslissingen over [minderjarige zoon]. De biologische vader van [minderjarige zoon] heeft de moeder vóór de geboorte van [minderjarige zoon] verlaten en daarna nooit contact met hen gezocht. De huidige woon- of verblijfplaats van de vader is onbekend. [minderjarige zoon] is thans drieënhalf jaar. Volgens appellanten is niet te verwachten dat de vader in de toekomst gezag over [minderjarige zoon] zal verzoeken.

4.5. De raad heeft ter zitting aangegeven geen noodzaak te zien voor toewijzing van het verzoek. Aangezien het contact tussen de moeder en de oma zeer goed verloopt, is er volgens de raad geen reden om het feitelijk gezag te formaliseren. Bovendien ziet de raad complicaties vanwege mogelijke toekomstige relaties van de moeder. De raad erkent dat in eerdere jurisprudentie in een vergelijkbaar geval het verzoek om gezamenlijk gezag van een met het gezag belaste ouder en een broer van de ouder is toegewezen. In het verlengde van het verbod op grootouderadoptie staat de raad echter gezamenlijk gezag tussen de moeder en de oma niet voor.

4.6.1. Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd op grond van het volgende.

4.6.2. Het hof overweegt dat in beginsel het verzoek van de moeder en de oma tot gezamenlijk gezag over [minderjarige zoon] op grond van art. 1:253t lid 1 BW dient te worden toegewezen. De moeder is thans alleen met het gezag belast. Er is geen sprake van een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder in de zin van art. 1:253t lid 2 BW, aangezien de ouders niet waren gehuwd en de vader [minderjarige zoon] niet heeft erkend. De vader heeft nooit enig contact of bemoeienis met [minderjarige zoon] gehad. Voorts is sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de oma en [minderjarige zoon], hetgeen al blijkt uit het feit dat zij een gezamenlijk verzoek hebben gedaan en verder tot uitdrukking komt in de verzorging en de genomen verantwoordelijkheid van de oma en uit de veelvuldige contacten en de affectieve banden tussen de moeder, de oma en [minderjarige zoon].

4.6.3. Naar het oordeel van het hof is gezamenlijk gezag van een ouder met een grootouder op zichzelf mogelijk is. Adoptie betreft een geheel andere rechtsfiguur met verstrekkender gevolgen dan gezamenlijk gezag. In de wetsgeschiedenis is geen verwijzing gemaakt naar het verbod op grootouderadoptie, noch enige contra-indicatie daaromtrent. Het is geen vereiste dat de ouder en de ander dan de ouder het kind in één gezinsverband verzorgen. De nauwe persoonlijke betrekking is bepalend. Het verzoek kan worden gedaan door een ouder met een persoon die in een familierechtelijke betrekking tot de ouder staat, ook zonder dat zij samenwonen. De persoon kan dus tevens een broer, een zus of bijvoorbeeld een oom zijn. Er behoeft ook geen noodzaak aan het verzoek ten grondslag te liggen. De wens van de verzoekers is voldoende. Gebleken is dat de moeder en de oma [minderjarige zoon] al vanaf zijn geboorte samen verzorgen en opvoeden en er sterke affectieve banden tussen hen bestaan. Feitelijk oefenen de moeder en de oma al samen het gezag over [minderjarige zoon] uit. Deze situatie wensen zij om praktische redenen te formaliseren. Nu gebleken is dat het met [minderjarige zoon] erg goed gaat, is het hof van oordeel dat zijn belangen, mede in het licht van de belangen van de vader, geenszins worden verwaarloosd bij toewijzing van het voorliggende verzoek.

4.6.4. Terzijde merkt het hof op dat de moeder de mogelijkheid houdt om bij de rechtbank een verzoek tot wijziging van het gezag in te dienen, bijvoorbeeld in het geval zij samen met een nieuwe partner het gezag over [minderjarige zoon] wenst uit te oefenen.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 4 augustus 2005;

en opnieuw rechtdoende:

belast appellanten gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [naam minderjarige zoon], geboren op [geboortejaar];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smit, Kranenburg en Van Soest-Van Dijkhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.