Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV2868

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
28-02-2006
Zaaknummer
99/01504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

Kan de belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan eerder(e) boekenonderzoek(en) dat zij terzake van de additieven geen accijns verschuldigd was?

Is bij de toevoeging van additieven aan minerale olie sprake van een belastbaar feit voor de accijns?

Mag de in 1997 ambtshalve verleende teruggaaf accijns met betrekking tot het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 worden nageheven?

Is het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder met het vertrouwensbeginsel, dan wel in strijd met redelijkheid of billijkheid?

Dient de verhoging te worden vernietigd, omdat deze niet of althans onvoldoende is gemotiveerd dan wel omdat grove schuld ontbreekt dan wel omdat sprake is van een pleitbaar standpunt dan wel omdat het Nederlandse fiscale boetestelsel onvoldoende rechtsbescherming biedt?

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 25
Wet op de accijns 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/34.5 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01504

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van het hoofd van de eenheid Belastingdienst/P te Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op de in één geschrift vervatte bezwaarschriften tegen na te melden met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de accijns en tegen het kwijtscheldingsbesluit betreffende de in deze naheffingsaanslag begrepen verhoging.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De naheffingsaanslag is met dagtekening 14 september 1998, onder aanslagnummer 1, opgelegd tot een bedrag van in totaal fl. 615.187,= aan accijns, met een verhoging van 100% voor een gedeelte ad fl. 578.614,=, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft besloten een kwijtschelding te verlenen tot op 25% oftewel tot op fl. 144.653,=, en fl. 24.653,= aan heffingsrente.

Na tijdig door de belanghebbende tegen die naheffingsaanslag en dat besluit gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit bij de bestreden, in één geschrift van 27 april 1999 vervatte, uitspraken gehandhaafd.

De belanghebbende is van deze uitspraken tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 85,= (zijnde € 38,57). De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. De belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 28 januari 2002 te 's-Hertogenbosch

voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar. Aldaar zijn verschenen en gehoord de heer A, directeur van de belanghebbende, en als gemachtigde van de belanghebbende, de heren B en C, verbonden aan D te Q alsmede de Inspecteur.

1.3. De belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.4. Aan het slot van de zitting heeft het Hof partijen medegedeeld schriftelijk uitspraak te zullen doen, doch deze uitspraak pas te zullen doen na het wijzen van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden in de zaak met rolnummer 36 133.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. De belanghebbende is onderdeel van E. Zij houdt zich onder andere bezig met de handel in minerale oliën. De belanghebbende is in het bezit van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats (hierna: de AGP) met het kenmerk 192/18259 d.d. 1 januari 1993.

2.2. De bij de belanghebbende onder schorsing van accijns aangevoerde minerale oliën worden ingeslagen in tanks die deel uitmaken van de AGP. Daarbij wordt de in de AGP ingeslagen hoeveelheid minerale oliën vastgesteld door middel van een geijkte meter. De hoeveelheid minerale oliën waarmee blijkens deze meter de tanks worden gevuld, vormt de 'ingeslagen hoeveelheid accijnsgoederen'.

2.3. Bij uitslag wordt de uitgeslagen hoeveelheid minerale oliën eveneens vastgesteld door middel van een geijkte meter. De hoeveelheid minerale oliën die blijkens de meter uit de tanks is uitgeslagen, geldt als grondslag voor de berekening van de ter zake van deze uitslag verschuldigde accijns.

2.4. In verband met de uitlevering van minerale oliën voegt de belanghebbende in bepaalde gevallen additieven toe aan minerale oliën, met name aan benzine en dieselolie. Het gaat daarbij om additieven welke op grond van artikel 25, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) mede worden aangemerkt als minerale oliën.

2.5. De belanghebbende koopt deze additieven in van derden. De additieven worden na ontvangst door de belanghebbende opgeslagen in afzonderlijke tanks, die niet tot de AGP van de belanghebbende behoren. Ook administratief worden de additieven niet ingeslagen in de AGP. De opslag van de additieven leidt niet tot het in de administratie opboeken van de hoeveelheid minerale oliën in de voorraad van de AGP.

2.6. De toevoeging van de additieven aan minerale oliën geschiedt bij de belanghebbende direct voorafgaand aan de belading van tankauto's en nadat de onder 2.3 bedoelde meter heeft gemeten hoeveel minerale oliën uit de opslagtanks c.q. de AGP zijn uitgeslagen. De belanghebbende volgt deze handelwijze reeds sinds 1989 en daarmee vanaf de inwerkingtreding van de accijnswetgeving 1992.

2.7.1. Bij het doen van de accijnsaangifte baseert de belanghebbende zich op haar verkoopadministratie. In haar verkoopadministratie registreert de belanghebbende dat de additieven afzonderlijk aan de afnemers worden verkocht en dat de additieven geen onderdeel uitmaken van de hoeveelheid geleverde - uitgeslagen - minerale oliën. Aldus wordt de hoeveelheid geleverde additieven niet in de periodieke accijnsaangifte opgenomen. In de accijnsadministratie van de belanghebbende en in alle bescheiden die betrekking hebben op een levering, zoals laad-/ afleverbonnen, worden de toegevoegde additieven per belading afzonderlijk weergegeven.

2.7.2. Door de belanghebbende is overgelegd een overzicht van de accijnsaangiften over de periode oktober 1996 met een controlelijst verkopen oktober 1996 van de tankopslag 'R'. In deze controlelijst staan van de verkopen onder meer vermeld de actuele liters per product, de liters toevoegingen en de liters product bij 15( C. De in de controlelijst onder '15( Gr. liters' product vermelde totalen komen overeen met de in het overzicht van de accijnsaangiften vermelde aantallen waarover de verschuldigde accijns wordt berekend.

2.7.3. De belanghebbende levert minerale oliën aan diverse afnemers onder schorsing van accijns. Voor deze leveringen maakt de belanghebbende administratief geleidedocumenten (hierna: AGD's) op. In deze AGD's zijn geen leveringen van additieven opgenomen. De levering van additieven geeft de belanghebbende weer in een specificatie 'Lijst van de verkopen'. De belanghebbende heeft overgelegd een dergelijke lijst van de laatste week van oktober 1997, waarin o.a. opgenomen zijn liters actueel van het product, toevoegingen en liters bij 15( C.

2.8. In 1994, doorlopend in 1995, heeft de Belastingdienst/F District S op verzoek van de Inspecteur bij de belanghebbende een onderzoek ingesteld in verband met de aan de belanghebbende afgegeven (voorlopige) vergunning AGP, alsmede een reguliere jaarcontrole met betrekking tot de jaren 1991 tot en met 1994 op de toepassing van de vergunning AGP door de belanghebbende (hierna: de controle 1994). Op 27 maart 1996 is het controlerapport met kenmerk T6/4176-94 (hierna: het controlerapport 1996) uitgebracht.

2.9. Met betrekking tot de jaarcontrole 1991 tot en met 1994 is in paragraaf 2.2 'Administratie en administratieve organisatie' van het controlerapport 1996 opgenomen:

'De huidige administratie is acceptabel.'

en in paragraaf 3.1 'Aansluiting administratie':

'Voor enkele maanden zijn aansluitingen gemaakt tussen de voorraad- en financiële administratie en de onderliggende gegevens zoals tankbonnen en gegevens van de tankrederij. Hierbij werden geen onregelmatigheden geconstateerd.

De voorraad ultimo 1994 volgens de - bij belanghebbende aanwezige - overzichten van het voorraadverloop waren in overeenstemming met de hoeveelheden volgens de voorraadadministratie van de depots en, voor wat betreft de eigen voorraad van belanghebbende, omgerekend in geld, de financiële administratie en de jaarrekening.'.

2.10. Op 10 juli 1996 heeft de belanghebbende bij de Inspecteur een 'Verzoek om teruggaaf inzake dubbele heffing accijns' ingediend met betrekking tot door G B.V. (hierna: G) aan de belanghebbende geleverde additieven inclusief accijns (hierna: de G-additieven). Bij dit verzoek heeft de belanghebbende gevoegd een overzicht van over de periode januari 1992 tot en met december 1995 ontvangen nota's inzake van G afgenomen liters additieven met de daarover in rekening gebrachte accijns, als volgt gespecificeerd:

euroliters 64.786 ltr. fl. 68.290,29

superliters 37.333 ltr. fl. 44.014,29

super+-liters 3.474 ltr. fl. 3.913,01

autogasolieliters 57.877 ltr. fl. 36.322,63

diesel-rdliters 4.468 ltr. fl. 643,51

totaal liters 167.938 totaal bedrag fl. 153.183,73.

In het verzoek wordt de Inspecteur uitgenodigd een controle bij de belanghebbende in te stellen naar de gehanteerde administratieve vastleggingen en de afdracht van accijns over de additieven.

2.11. Op 20 mei 1997 heeft de belanghebbende nog nadere gegevens ten behoeve van het onder 2.10 vermelde verzoek verstrekt. Na een bedrijfsbezoek heeft de Inspecteur op 10 juni 1997 ingevolge artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen besloten aan de belanghebbende over de periode 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 een teruggaaf van de accijns van G-additieven, vermeerderd met heffingsrente, ambtshalve te verlenen. Deze teruggaaf is als volgt gespecificeerd:

accijns lichte olie fl. 111.250,=

accijns andere olie fl. 34.281,=

VB ongelode lichte olie fl. 1.663,=

VB gelode lichte olie fl. 1.415,=

VB gasolie laag belast fl. 1.628,=

VB gasolie hoog belast fl. 123,=

VRH lichte olie fl. 1.234,=

VRH gasolie fl. 785,=

teruggaaf aan accijnzen fl. 152.379,=

en aan heffingsrente fl. 26.585,=

totaal fl. 178.964,=

en als volgt gemotiveerd:

'In de genoemde periode werden door u 167938 ltr. additives ingekocht inclusief accijns. Deze inslagen zijn door u niet als inslag inclusief accijns op uw maandaangifte in mindering gebracht waardoor dubbel accijns is afgedragen, t.w. door uw leverancier en door U op uw maandaangifte.'.

2.12. In 1998 is door de Inspecteur een controle uitgevoerd

-op de juistheid van de toepassing van de vergunning AGP door de belanghebbende over de jaren 1995 tot en met 1996,

-op de toepassing van de accijnsverhogingen per 1 januari 1993,

1 januari 1994 en 1 juli 1997 en

-over het jaar 1997 met betrekking tot zuivering van AGD's, de dampretourregeling en de additieven.

Op 7 september 1998 is het controlerapport met kenmerk 197/7248 (hierna: het controlerapport 1998) uitgebracht.

2.13. In het controlerapport 1998 wordt onder meer geconcludeerd tot de volgende correcties tot de daarbij vermelde, afgeronde, bedragen:

Accijns op lichte olie:

-additieven

in 1997 verleende teruggaaf (zie punt 2.11) fl. 178.964,=

te weinig afgedragen in het jaar 1995 fl. 96.554,=

te weinig afgedragen in het jaar 1996 fl. 133.548,=

te weinig afgedragen in het jaar 1997 fl. 169.548,=

totaal ter zake van additieven fl. 578.614,=

-accijnsverhogingen

per 1 juli 1997: in vervoer fl. 5.059,=

in opslag fl. 2.762,=

per 1 januari 1994: in opslag fl. 5.904,=

Totaal accijns op lichte olie fl. 592.339,=

Accijns op halfzware en gasolie:

-accijnsverhoging

per 1 juli 1997: in vervoer fl. 1.958,=

in opslag fl. 5.427,=

per 1 januari 1994: in opslag fl. 7.905,=

per 1 januari 1993: in opslag fl. 7.558,=

Totaal accijns op halfzware en gasolie fl. 22.848,=

2.14. Conform de bevindingen in het controlerapport heeft de Inspecteur de litigieuze naheffingsaanslag opgelegd. Het te betalen bedrag is daarin als volgt gespecificeerd:

-accijns lichte oliën fl. 592.339,=

-accijns minerale oliën fl. 22.848,=

-verhoging 25% fl. 144.653,=

-heffingsrente fl. 24.653,=.

Hierbij is de verhoging van 100%, waarvan 75% is kwijtgescholden, berekend over fl. 578.614,=, zijnde het bedrag aan verschuldigde accijns op lichte olie ter zake van de additieven over de perioden

1 januari 1992 tot en met 31 december 1997.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

I Kan de belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen

ontlenen aan eerder(e) boekenonderzoek(en) dat zij terzake van

de additieven geen accijns verschuldigd was?

II Is bij de toevoeging van additieven aan minerale olie sprake van een belastbaar feit voor de accijns?

III Mag de in 1997 ambtshalve verleende teruggaaf accijns met

betrekking tot het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december

1995 worden nageheven?

IV Is het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd met

beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder met het

vertrouwensbeginsel, dan wel in strijd met redelijkheid of

billijkheid?

V Dient de verhoging te worden vernietigd, omdat deze niet of althans onvoldoende is gemotiveerd dan wel omdat grove schuld ontbreekt dan wel omdat sprake is van een pleitbaar standpunt dan wel omdat het Nederlandse fiscale boetestelsel onvoldoende rechtsbescherming biedt?

De belanghebbende beantwoordt de vragen II en III ontkennend en de vragen I, IV en V bevestigend. De Inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de in punt 1.3 vermelde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De belanghebbende

* (Desgevraagd) Betreffende de additieven heeft de directeur tijdens het onderhavige boekenonderzoek alleen gezegd, dat er voor additieven geen AGD-verkeer was.

* G heeft additieven in opslag op het terrein van de belang-

hebbende liggen. Op het moment dat de belanghebbende uit de AGP minerale oliën levert, waaraan additieven van G worden toegevoegd, factureert G additieven met accijns aan de belanghebbende. De belanghebbende factureert aan de klanten van G.

* Gedurende de periode van de controle in 1994 en 1995 bedroeg de op aangifte verschuldigde accijns ongeveer 46 miljoen gulden per maand.

* Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Warb). Aanspraak wordt uitsluitend gemaakt op vergoeding van de kosten van de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ingevolge het Besluit proceskosten fiscale procedures.

De Inspecteur

* (Desgevraagd) De conclusie van advocaat-generaal Wattel inzake het niet kunnen naheffen van een ambtshalve verleende teruggaaf ken ik niet.

* De verhoging is ten onrechte ook over het bedrag aan vergoede

heffingsrente, begrepen in de ambtshalve teruggaaf, berekend, de verhoging moet dan ook met fl. 6.646,= worden verminderd.

* Het bedrag van de accijns over additieven is zowel absoluut als relatief groot.

* (Desgevraagd) Niet wordt betwist dat de bij het beroepschrift gevoegde bijlagen 1, 2 en 6, respectievelijk een laad-/afleveringsbon van 31 oktober 1997, een overzicht van de accijnsaangiften met de controlelijst verkopen van november 1996 en een lijst van de verkopen van oktober 1997, behoren tot de administratie; dergelijke bescheiden hebben bij de controle in 1994 en 1995 ter beschikking gestaan aan de controlerende ambtenaren.

* Ik maak geen aanspraak op een proceskostenvergoeding.

3.3. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, vernietiging van de verhoging en vermindering van de naheffingsaanslag tot fl. 36.573,=, exclusief heffingsrente en zonder verhoging. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van zijn uitspraak, onder handhaving van de nageheven enkelvoudige belasting en vermindering van de verhoging tot fl. 138.007,=.

4. Overwegingen omtrent het geschil

Vraag I

4.1. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is niet vereist dat de aangelegenheid bij een boekenonderzoek door de belastingadministratie daadwerkelijk op haar fiscale merites is beoordeeld, doch is voldoende dat de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat zulks het geval was. Dit zal zich in het algemeen voordoen, indien de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Alsdan zal de Inspecteur, door niettemin generlei opmerking te maken en naheffing achterwege te laten, in het algemeen bij de belastingplichtige het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat de wijze waarop deze de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld, zijn goedkeuring kan wegdragen. (Arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 18 december 1991, nr. 27 127, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/182.)

4.2. De Inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de bij het beroepschrift gevoegde, onder punt 2.7.1 tot en met 2.7.3 vermelde, bijlagen 1, 2 en 6 behoren tot de administratie van de belanghebbende. Voorts heeft hij verklaard niet te betwisten dat vergelijkbare documenten voor de jaren, die in het kader van de onder punt 2.8 genoemde controle 1994 zijn beoordeeld, behoorden tot de administratie van de belanghebbende en derhalve ter beschikking hebben gestaan aan de controleambtenaren. Zoals onder 2.7 weergegeven, worden in de laad-/afleveringsbonnen, in de controlelijsten verkopen en in de lijst van de verkopen de additieven duidelijk afzonderlijk van de minerale oliën vermeld. Deze aparte vermelding van de additieven worden in die overzichten consequent doorgevoerd.

4.3. De Inspecteur heeft tijdens de zitting voorts uitdrukkelijk verklaard, dat het bedrag van de accijns over de additieven zowel absoluut als relatief groot is. Het Hof is, mede gelet op de bij de motivering van het beroepschrift overgelegde bijlagen 3 en 5, van oordeel dat de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt.

4.4. Gelet op:

­ hetgeen onder 4.2 en 4.3 is vermeld,

­ de omstandigheid dat tijdens de controle in 1994/95, zoals onder 2.9 vermeld, de administratie acceptabel is bevonden en er geen onregelmatigheden geconstateerd zijn bij de gemaakte aansluitingen tussen de voorraad- en financiële administratie en de onderliggende gegevens, en

­ de omstandigheid dat de Inspecteur geen correcties heeft toegepast ter zake van de onder 2.9 vermelde controle in 1994/95,

is het Hof van oordeel, dat de belanghebbende mocht aannemen dat de betrokken aangelegenheid op haar fiscale merites is beoordeeld door de met de controle in 1994/95 belaste ambtenaren. De met deze controle belaste ambtenaren behoorden weliswaar niet tot het onderdeel van de rijksbelastingdienst waarvan de Inspecteur deel uitmaakte, maar deze ambtenaren hebben op verzoek van de Inspecteur de controle in 1994 verricht. Gelet op het vorenoverwogene is, naar het oordeel van het Hof, bij de belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de wijze waarop zij de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld de goedkeuring van de Inspecteur kon wegdragen.

4.5. Vraag I dient bevestigend te worden beantwoord.

Vragen II tot en met V

4.6. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I behoeven de overige vragen geen beantwoording.

Slot

4.7. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I gaat het Hof voorbij aan het door de belanghebbende in haar motivering van het beroepschrift op pagina 16 en in de pleitnota op pagina 7, onderaan gedane getuigenaanbod.

Slotsom

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot fl. 36.573,= (€ 16.596,10) aan enkelvoudige belasting, exclusief heffingsrente.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat de uitspraak wordt vernietigd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door de belanghebbende gemaakte proceskosten. De belanghebbende heeft uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de haar in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2,5 (punten) maal fl. 710,= (waarde per punt) maal 2 (gewicht van de zaak) is fl. 3.550,= (€ 1.610,92).

5.2. De omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, brengt, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Warb, tevens met zich dat de Inspecteur aan de belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht

ad € 38,57 dient te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van

fl. 36.573,= (€ 16.596,10) aan accijns zonder verhoging;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de belang-

hebbende tot een bedrag van € 1.610,92 en wijst de Staat aan

als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden; en

gelast dat de Inspecteur aan de belanghebbende vergoedt het

door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,57.

Aldus vastgesteld op 25 januari 2006 door P. Fortuin, voorzitter, B.G. van Zadelhoff en M.E. van Hilten, en op die dag in het openbaar, in tegenwoordigheid Th.A.J. Kock, griffier, uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 25 januari 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak

overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende

vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.