Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV2865

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
28-02-2006
Zaaknummer
03/00206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de vraag of belanghebbende aan de brief van 8 december 1998 het vertrouwen mocht ontlenen dat zij de door haar in 1994 gevormde vervangingsreserve in 1998 niet tot haar winst behoefde te rekenen als het notariële transport van het vervangende pand uiterlijk op 1 mei 1999 zou zijn geschied.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/34.6 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00206

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen het niet doen van uitspraak (fictieve weigering) door de inspecteur van de Belastingdienst P/ kantoor Z (hierna aan te duiden als: de inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van

fl. 1.405.500,=. Tegen deze aanslag is bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is geen uitspraak gedaan.

1.2. Belanghebbende is tegen de fictieve weigering tot het doen van uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 218,=.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 oktober 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende A, middellijk aandeelhouder van belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld door B en C,alsmede, namens de inspecteur, D en E.

1.4. De inspecteur heeft op 26 oktober 2005 een kopie overgelegd van het vonnis van de rechtbank Roermond van 1 juli 2005 in de strafzaak tegen A alsmede een pleitnota met een bijlage. Belanghebbende legt ter zitting een pleitnota met bijlagen over. Partijen verklaren geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze stukken. Het hof rekent deze tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heette tot 11 november 1998 F B.V. Zij is op 8 mei 1987 opgericht. Haar feitelijke werkzaamheden bestaan uit beleggingsactiviteiten en de verhuur van een fabriekspand aan een dochtervennootschap.

2.2. In 1994 heeft belanghebbende de economische eigendom verkocht van het pand a-straat 1 en 2 te Q voor

fl. 2.400.000,=. De gerealiseerde boekwinst ad fl. 1.405.500,= werd opgenomen in een vervangingsreserve.

2.3. Bij brief van 3 december 1998 meldt G namens belanghebbende aan de heer H van de toenmalige Belastingdienst I het volgende:

' Uit hoofde van de verkoop van een onroerend goed is in 1994 een vervangingsreserve gevormd. Thans bestaat het concrete voornemen om tot vervanging over te gaan middels aankoop van een vervangend bedrijfspand.

In verband met bodemonderzoek bestaat de kans dat het definitieve notariële transport pas in 1999 plaatsvindt.

Wij verzoeken U om Uw instemming hieraan te hechten.'.

2.4. Bij brief van 8 december 1998 gaat de heer H akkoord. Deze brief luidt als volgt:

'Onder verwijzing naar uw brief van 3 december jl. het volgende.

U vraagt of de vervangingsreserve, welke is gevormd door F B.V. in 1994, kan worden aangewend voor een vervangend bedrijfspand waarvoor belanghebbende thans in onderhandeling is met de verkoper. Het definitieve notariële transport kan, in verband met bodemonderzoek, niet meer in 1998 plaatsvinden.

Ik ga hiermee akkoord. Het passeren van de akte dient dan wel uiterlijk 1 mei 1999 te zijn geschied. Of sprake is dat het nieuwe bedrijfsmiddel in economisch opzicht voor eenzelfde functie bestemd is als het oude zal bij de aanslagregeling dan wel bij controle worden bezien.

Ik hoop u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.'.

2.5. Bij overeenkomst van 4 januari 1999 koopt belanghebbende van J B.V. het pand b-straat 3 te R voor een koopprijs van fl. 2.300.000,=. De in 1994 gevormde vervangingsreserve wordt daarop in mindering gebracht. Het notariële transport vindt plaats op 15 april 1999.

2.6. J B.V. had het pand op 1 september 1998 gekocht en op 15 oktober 1998 door levering verkregen van K B.V. Deze vennootschap had het pand in augustus 1998 gekocht en op 15 oktober 1998 door levering verkregen van L B.V. J B.V. en K B.V. worden indirect beheerst door A.

2.7. De aandelen in belanghebbende waren tot 4 december 1998 in bezit van M, geboren op 18 maart 1926. Hij verkoopt zijn aandelen op 4 december 1998 aan N B.V. Laatstgenoemde vennootschap wordt indirect beheerst door A.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende aan de brief van 8 december 1998 het vertrouwen mocht ontlenen dat zij de door haar in 1994 gevormde vervangingsreserve in 1998 niet tot haar winst behoefde te rekenen als het notariële transport van het vervangende pand uiterlijk op 1 mei 1999 zou zijn geschied.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De inspecteur verdedigt de tegenovergestelde opvatting.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik mocht vertrouwen op de brief van de inspectie van 8 december 1998. Aan de voorwaarden in de brief was voldaan. De belastingdienst voert een gerichte actie tegen de B.V.'s beheerst door A. Aan de hoorplicht is niet voldaan. Op het bezwaar wordt geen uitspraak gedaan.

Het bodemonderzoek heeft plaatsgevonden in 1996. Daaruit bleek dat van bodemverontreiniging sprake was. De koopovereenkomst is mondeling gesloten op 23 december 1998. Als gevolg van de brief van de inspecteur was er geen noodzaak om de schriftelijke vastlegging ook nog in 1998 te doen geschieden.

De inspecteur

A zoekt zelf de aandacht van de belastingdienst door een uitgebreide handel in B.V.'s met vervangingsreserves die regelmatig niet aan hun fiscale verplichtingen voldoen. A is daarvoor inmiddels strafrechtelijke veroordeeld. De instemming met de termijnverlenging is geschied op oneigenlijke gronden. Deze was niet geschied als wij hadden geweten van de directiewisseling en de situatie rond het bodemonderzoek. Het bodemonderzoek had al in 1996 plaatsgevonden en kon dus geen reden vormen de vervanging uit te stellen. De stelling dat de transportakte te laat is ingezonden, wordt ingetrokken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de aanslag tot een opgelegd naar een belastbaar bedrag van fl. nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In de sub 2.4. geciteerde brief van de belastingdienst van 8 december 1998 is de belastingdienst akkoord gegaan met aanwending van de vervangingsreserve voor een vervangend pand mits het notariële transport uiterlijk op 1 mei 1999 zou zijn geschied. De inspecteur stelt thans dat deze akkoordverklaring niet zou zijn verleend als de belastingdienst op de hoogte zou zijn geweest van de directiewisseling en van de omstandigheid dat het bodemonderzoek al in 1996 had plaatsgevonden.

4.2. Naar het oordeel van het hof maakt de inspecteur niet aannemelijk dat de belastingdienst - zo deze van voornoemde omstandigheden op de hoogte zou zijn geweest - de genoemde instemming niet zou hebben gegeven. Veeleer is aannemelijk dat het later ingestelde onderzoek tegen de door A beheerste vennootschappen aanleiding is geweest op de instemming terug te komen. Dat geen aanvullend bodemonderzoek meer heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af nu zulks niet als voorwaarde voor de instemming is geformuleerd en aan belanghebbende ook niet duidelijk behoefde te zijn dat de inspecteur zijn instemming daarvan afhankelijk stelde. Niet aannemelijk is dat de aandeelhouders- en directiewisseling het vervangingsvoornemen heeft beïnvloed.

4.3. De stelling dat G op 3 december 1998 nog niet namens belanghebbende op kon treden omdat op dat moment de aandeelhouders- en directiewisseling in belanghebbende nog niet had plaatsgevonden, wordt door het hof verworpen. Uit niets blijkt dat G in dit opzicht niet namens belanghebbende optrad.

4.4. De omstandigheid dat de koop van het vervangende pand eerst op 4 januari 1999 schriftelijk is vastgelegd, sluit niet uit dat de koopovereenkomst mondeling gesloten is op 23 december 1998. Afgezien daarvan valt uit de genoemde brief van 8 december 1998 niet af te leiden dat de koopovereenkomst nog in 1998 gesloten diende te zijn.

4.5. Gesteld noch gebleken is dat het aangekochte pand in economisch opzicht niet voor eenzelfde functie bestemd was als het

in 1994 verkochte pand.

4.6. Het vorenstaande houdt in dat belanghebbende terecht een beroep doet op een rechtens te honoreren gewekt vertrouwen.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.

eHet

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.207,50.

6. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

7. Beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond,

* vermindert de aanslag tot een opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,=,

* veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.207,50, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door J.W. Zwemmer, voorzitter, A.J. van Soest en

N. van Beelen, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 25 januari 2006

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 25 januari 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.