Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV1522

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
10-02-2006
Zaaknummer
97/00771
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het HvJ EG heeft in genoemd arrest van 11 december 2003 voor recht verklaard:

"Het gemeenschapsrecht verzet zich tegen een nationale regeling inzake de berekening van de belasting die moet worden geheven bij erfrechtelijke verkrijging van een in de betrokken lidstaat gelegen onroerende zaak, volgens welke voor de bepaling van de waarde van deze zaak de onvoorwaardelijke verplichting van de juridische eigenaar om de zaak te leveren aan een andere persoon, die de economische eigendom van genoemde zaak heeft, in aanmerking kan worden genomen indien deze juridische eigenaar op de datum van zijn overlijden in deze staat woonde, terwijl dit niet mogelijk is indien hij in een andere lidstaat woonde.".

Gelet op de hiervoor vermelde verklaring voor recht is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan belanghebbenden en dient de leveringsverplichting op de totale verkrijging in mindering te worden gebracht.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 1
Successiewet 1956 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/18.27 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/00771

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de erven van [overledene] te [plaats] (België) (hierna: belanghebbenden), tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Buitenland te Heerlen van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van de het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, aan te duiden als: de Inspecteur), betreffende hun bezwaarschrift tegen de aan hen opgelegde aanslagen in het recht van overgang over het jaar 1993, welke aanslagen zijn verenigd in één aanslagbiljet (hierna: de aanslag).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Voor een overzicht van het ontstaan en loop van het geding tot aan de uitspraak van het Hof van 5 september 2001, nr. 97/00771, LJN: AD3864, wordt verwezen naar die uitspraak, waarbij het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in die uitspraak geformuleerde vragen.

1.2. Bij arrest van 11 december 2003, zaak C-364/01, heeft het HvJ EG, uitspraak gedaan op de door het Hof gestelde vragen.

1.3. Op verzoek van belanghebbenden en met instemming van de Inspecteur heeft het Hof besloten de zaak aan te houden tot dat het HvJ EG arrest heeft gewezen in de zaak D, nr. C-376/03.

1.4. Op 5 juli 2005 heeft het HvJ EG arrest gewezen in vorenbedoelde zaak. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

1.5. Partijen hebben het Hof schriftelijk laten weten het niet wenselijk te achten hun standpunten nogmaals mondeling toe te lichten.

2. Feiten, geschil en standpunten en conclusies van partijen

Het Hof neemt uit de genoemde uitspraak van 5 september 2001 over, de vaststaande feiten, de geschilomschrijving, de standpunten en conclusies van partijen en de overwegingen die aan het stellen van de prejudiciële vragen ten grondslag hebben gelegen.

3. Overwegingen omtrent het geschil

3.1. Het HvJ EG heeft in genoemd arrest van 11 december 2003 voor recht verklaard:

"Het gemeenschapsrecht verzet zich tegen een nationale regeling inzake de berekening van de belasting die moet worden geheven bij erfrechtelijke verkrijging van een in de betrokken lidstaat gelegen onroerende zaak, volgens welke voor de bepaling van de waarde van deze zaak de onvoorwaardelijke verplichting van de juridische eigenaar om de zaak te leveren aan een andere persoon, die de economische eigendom van genoemde zaak heeft, in aanmerking kan worden genomen indien deze juridische eigenaar op de datum van zijn overlijden in deze staat woonde, terwijl dit niet mogelijk is indien hij in een andere lidstaat woonde.".

3.2. Gelet op de hiervoor vermelde verklaring voor recht is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan belanghebbenden en dient de leveringsverplichting op de totale verkrijging in mindering te worden gebracht.

3.3.1. De Inspecteur heeft, voor het geval het gelijk aan de zijde van belanghebbenden zou zijn, geconcludeerd tot vermindering van de aanslag, in die zin dat de aanslag moet worden berekend naar een totale verkrijging van ƒ 244.250,-, gelet op de ten sterfdage in het vermogen van erflater aanwezige volle eigendommen verminderd met de daarop rustende schulden verzekerd door hypotheek.

3.3.2. Belanghebbenden hebben, laatstelijk in hun brief van 10 oktober 2005, geconcludeerd tot vernietiging van de aanslag.

Kennelijk berust deze conclusie op een vergissing, gelet op hetgeen in de conclusie van repliek is vermeld aangaande de omvang van de nalatenschap.

3.3.3. De aanslag dient als volgt te worden verminderd (zie het overwogene onder 5.1 van de uitspraak van 5 september 2001).

Verkrijging was ƒ 5.406.750,-

Af: leveringsverplichting ƒ 5.162.500,-

Verkrijging wordt ƒ 224.250,-

4. Griffierecht

De omstandigheid dat de aanslag dient te worden verminderd brengt met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Warb), aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad ƒ 80,- (€ 36,30) dient te vergoeden.

5. Proceskosten

5.1. Nu belanghebbenden in het gelijk zijn gesteld, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Warb.

5.2. Het Hof stelt deze kosten, met inbegrip van de kosten welke samenhangen met de prejudiciële procedure, ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures (hierna: het Besluit), juncto de Bijlage bij het Besluit, op 8,5 (punten) x ƒ 710,- (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is ƒ 12.070,- / € 5.478,-. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in het Besluit hebben gemaakt.

5.3. Belanghebbenden hebben verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk door hen gemaakte proceskosten, gelet op de onder 3.1 vermelde beslissing van het HvJ EG. Dit verzoek is door hen, behoudens een verwijzing naar de zaak D, nr. C-376/03, niet nader gemotiveerd. Evenmin hebben belanghebbenden een specificatie van de werkelijke proceskosten ingediend. Naar het Hof verstaat stellen belanghebbenden zich op het standpunt dat in casu sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit.

5.4. Het Hof is van oordeel dat in casu geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om van de forfaitaire regeling af te wijken. Het enkele feit dat het standpunt van de Inspecteur in strijd is met het gemeenschapsrecht, brengt niet met zich mee dat sprake is van bijzondere omstandigheden (zie Hoge Raad, 7 oktober 2005, nr. 35 729, NTFR 2005/1329). Bijkomende bijzondere omstandigheden zijn in het onderhavige geval gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een totale verkrijging van ƒ 224.250,-;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 36,30;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.478,-, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op: 11 januari 2006 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, R.J. Koopman en A.C.J. Viersen, en voor wat betreft de beslissing op die datum in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 januari 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.