Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AV0011

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2006
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
R200500692 I
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease en verzoek tot kennisneming van verwerkte persoonsgegevens.

Geen misbruik van recht. Geen doorkruising van artikel 843a Rv. In artikel 35 Wbp ligt het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens besloten alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken. Hof geeft Dexia opdracht informatie te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006/211
Computerrecht 2006, 103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DH

16 januari 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R05/692

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

verder te noemen: Dexia,

advocaat : mr. J.M. Tijssen,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen

[naam verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

verder te noemen: [A.],

procederende in persoon.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 30 maart 2005 (zaaknummer 65136/FA RK 04-1736), waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 29 juni 2005, heeft Dexia vijf grieven aangevoerd en het hof verzocht om de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [A.] alsnog af te wijzen. Voorts heeft Dexia verzocht - kort gezegd - om [A.] te veroordelen om aan Dexia terug te betalen al hetgeen zij op grond van de bestreden beschikking aan [A.] heeft betaald, met veroordeling van [A.] (uitvoerbaar bij voorraad) in de kosten van beide instanties.

2.2. Op 14 juli 2005 heeft het hof van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg ontvangen.

2.3. Desverzocht heeft de voorzitter van de behandelend kamer van het hof beslist dat [A.] ook in hoger beroep zonder advocaat of procureur kan procederen, zulks onder verwijzing naar HR 22 november 2002, NJ 2003, 229.

2.4. Desgevraagd heeft het College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP) aan het hof medegedeeld dat zij in de onderhavige zaak niet als belanghebbende wil worden aangemerkt. Het CBP heeft te kennen gegeven dat zij wel als deskundige wilde optreden. Het hof had en heeft er echter geen behoefte aan om nader advies in te winnen bij het CBP.

2.5. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 september 2005, heeft [A.] kennelijk geconcludeerd tot afwijzing van het beroep.

2.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2005. De advocaat van Dexia heeft haar standpunt nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Voorts heeft de advocaat van Dexia ter zitting een beschikking overgelegd van het gerechtshof Amsterdam van 10 november 2005 (rekestnummer 641/05). Verder heeft [A.] ter zitting een kopie overgelegd van de onderhavige overeenkomst genaamd 'Capital Effect Vooruitbetaling 20 jaar'.

Hoewel daartoe uitgenodigd door het hof, is het CBP ter zitting niet als toehoorder verschenen.

2.7. Bij brief, ingekomen ter griffie op 17 november 2005, heeft [A.] het hof nog verzocht om Dexia te veroordelen in de proceskosten.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 4.1.1 tot en met 4.1.5 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op 15 maart 2001 hebben [A.] en mevrouw [B.] met de rechtsvoorganger van Dexia, Bank Labouchère N.V., een effectenlease-overeenkomst gesloten genaamd Capital Effect Vooruitbetaling 20 jaar.

b. Bij brief aan Dexia van 30 december 2003 heeft mr. Timmermans, advocaat van [A.] en [B.], namens hen primair de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen wegens dwaling en subsidiair de ontbinding van de overeenkomst wegens een toerekenbare tekortkoming van Dexia. Dexia heeft dit niet aanvaard.

c. Op 13 september 2004 heeft TROS Radar op haar website het volgende bericht geplaatst:

'Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft vorige week bepaald dat klanten van Dexia een volledige inzage moeten krijgen in hun persoonlijke dossier. Dat betekent dat klanten een kopie van hun contract moeten kunnen krijgen en zelfs een schriftelijke uitwerking van gesprekken kunnen opvragen.

Met deze informatie in de hand staat u een stuk sterker in uw zaak tegen Dexia. U weet nu bijvoorbeeld of je als getrouwd paar allebei het contract hebt getekend. U kunt er ook achterkomen hoe Dexia uw financiële situatie en beleggerervaring heeft ingeschat. Het opvragen van uw gegevens is een aanrader voor iedereen die een effectenleasecontract bij Dexia heeft of heeft gehad.'

Tevens is op de website van TROS Radar een voorbeeldbrief geplaatst waarmee cliënten van Dexia een verzoek ex artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) kunnen doen.

d. Naar aanleiding daarvan heeft [A.] op 14 september 2004 een brief naar Dexia gestuurd, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van genoemde voorbeeldbrief. In de brief verzoekt [A.] Dexia om hem mede te delen of Dexia zijn persoonsgegevens verwerkt, en zo ja, hem daarvan een volledig overzicht te geven. [A.] heeft aangegeven dat hij in elk geval doelt op de volgende gegevens:

- een kopie van de overeenkomst;

- het risicoprofiel;

- de aankoopbewijzen van de in de overeenkomst genoemde aandelen;

- de afschriften van dividenduitkeringen;

- de inventarisatie van zijn kredietwaardigheid;

- een schriftelijke uitwerking van gevoerde telefoongesprekken;

- alle overige documenten die op [A.] van toepassing zijn.

Daarnaast heeft [A.] Dexia verzocht om hem in te lichten over het doel van de verwerking(en), de ontvangers van de gegevens en de herkomst van de gegevens.

e. Bij brief van 20 oktober 2004 heeft Dexia het verzoek van [A.] afgewezen met een beroep op artikel 43 sub e Wbp.

f. Vervolgens heeft [A.] het CBP bij brief van 2 november 2004 verzocht om te bemiddelen in zijn geschil met Dexia over zijn persoonsgegevens. Bij brief van 10 november 2004 heeft het CBP [A.] echter medegedeeld dat zij de behandeling van zijn zaak had beëindigd, omdat bemiddeling niet zinvol was vanwege een eerder door Dexia ingenomen standpunt.

4.2.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 30 november 2004, heeft [A.] de rechtbank op grond van artikel 46 lid 1 Wbp verzocht om Dexia te bevelen om zijn verzoek ex artikel 35 Wbp alsnog toe te wijzen (vgl. r.o. 2.1 van de beschikking waarvan beroep).

4.2.3. Dexia heeft zich verweerd tegen het verzoek van [A.].

4.2.4. In de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank - kort samengevat - Dexia bevolen om aan [A.] een schriftelijk overzicht als bedoeld in artikel 35 lid 2 Wbp te verstrekken, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank hieromtrent overigens in haar beschikking heeft overwogen. Daarbij verdient opmerking dat Dexia volgens de rechtbank niet alle gegevens hoeft te verstrekken waarom [A.] heeft verzocht in zijn brief aan Dexia van 14 september 2004.

4.3. Op grond van artikel 261 Rv is op een verzoekschriftprocedure als de onderhavige zowel in eerste aanleg als in hoger beroep titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing, zij het dat ingevolge artikel 46 lid 4 Wbp een uitzondering geldt voor de verplichting tot procureurstelling ex artikel 278 lid 3 Rv (vgl. HR 22 november 2002, NJ 2003, 229). Het hof merkt op dat genoemde titel voorts in hoger beroep niet geldt voor zover zulks voortvloeit uit artikel 362 Rv.

Verder constateert het hof dat ingevolge artikel 46 lid 5 Wbp de derde afdeling van titel 5 van Boek 2 Rv zowel in eerste aanleg als in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is.

4.4. Het hof stelt ambtshalve vast dat de rechtbank [A.] terecht in zijn verzoek heeft ontvangen, aangezien hij conform artikel 46 lid 2 Wbp en 47 lid 1 Wbp:

- binnen zes weken na ontvangst van de afwijzing van zijn verzoek door Dexia, het CBP om bemiddeling heeft verzocht, en;

- binnen zes weken na ontvangst van het bericht van het CBP van 10 november 2004 dat het CBP de behandeling van zijn zaak had beëindigd, alsnog een verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend.

4.5. De grieven 2 en 3 komen er op neer dat de rechtbank de verweren van Dexia te beperkt heeft uitgelegd en heeft miskend dat Dexia, los van de gronden zoals genoemd in artikel 43 Wbp, ook mag weigeren te voldoen aan het verzoek van [A.] indien hij geen belang heeft bij zijn verzoek of indien hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Deze grieven berusten echter op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking althans zij missen feitelijke grondslag, zodat deze grieven falen. Hetzelfde geldt voor grief 1 voor zover deze grief is gegrond op de stelling dat de rechtbank niet onder ogen heeft gezien dat [A.] misbruik kan maken van zijn bevoegdheid ex artikel 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven (vgl. r.o. 4.3.4.3 van de beschikking waarvan beroep).

4.6.1. Met de grieven 1 en 4 betoogt Dexia (voorts) dat [A.] misbruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk om zijn processuele positie te verbeteren ten nadele van Dexia. Verder stelt Dexia dat [A.] ten doel heeft om Dexia te schaden, hetgeen eveneens misbruik van recht oplevert. Volgens Dexia mag zij daarom weigeren te voldoen aan het verzoek van [A.]. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

4.6.2. Naar het oordeel van het hof kan een betrokkene zijn bevoegdheid uit artikel 35 Wbp misbruiken waardoor deze bevoegdheid niet kan worden ingeroepen (artikel 3:15 BW jo. 3:13 BW). Of sprake is van misbruik van recht, zal aan de hand van de concrete omstandigheden moeten worden beoordeeld. Daarbij geldt dat het aan Dexia is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zonodig aan te tonen, waaruit kan volgen dat sprake is van misbruik van recht. Hetgeen Dexia stelt is ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen.

4.6.3. Het hof neemt hierbij in overweging dat het doel van artikel 35 Wbp is om de betrokkene (in casu: [A.]) in de gelegenheid te stellen om na te gaan of en zo ja welke hem betreffende persoonsgegevens door de verantwoordelijke (in casu: Dexia) worden verwerkt, en of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van de verantwoordelijke juist is, voor het doel of de doeleinden van de verwerking volledig en ter zake dienend is en of de verantwoordelijke zijn persoonsgegevens in overeenstemming met wettelijke voorschriften verwerkt. Dienaangaande is van belang dat [A.] kennelijk wil nagaan welke persoonsgegevens Dexia heeft verwerkt en of deze verwerking correct is, en hij heeft ter zake zelfs een procedure tegen Dexia aanhangig gemaakt met het risico van een proceskostenveroordeling. Het hof beschouwt het verzoek van [A.] dan ook als een serieus verzoek dat in overeenstemming is met het doel van artikel 35 Wbp. De enkele omstandigheid dat [A.] met de eenmaal verkregen gegevens vervolgens tevens een ander doel zou kunnen dienen, bijvoorbeeld door deze te gebruiken in een eventuele civiele procedure tegen Dexia of tegen de tussenpersoon van [A.], is daarbij naar 's hofs oordeel ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen. Dit kan anders zijn indien dat andere doel onrechtmatig is, maar dat heeft Dexia niet gesteld. Dexia stelt wel dat zij processuele schade zal lijden, maar, zoal sprake zou kunnen zijn van schade, is dat rechtmatige schade. Ook het enkele feit dat sprake is van een conflictsituatie tussen partijen staat er niet aan in de weg dat [A.] gebruik maakt van zijn rechten uit de Wbp, en levert op zichzelf genomen geen misbruik van recht op. Tenslotte is het hof van oordeel dat het verzoek van [A.] ex artikel 35 Wbp geen doorkruising oplevert van artikel 843a Rv. Beide procedures kunnen naast elkaar lopen in die zin dat (de mogelijkheid van) toepassing van de procedure van artikel 843a Rv niet aan toepassing van die van artikel 35 Wbp in de weg kan staan, noch de toepassing van laatstgenoemde procedure op enigerlei wijze kan belemmeren of inkorten. Daarbij is niet van belang dat voor een verzoek ex artikel 35 Wbp niet dezelfde eisen gelden als voor een vordering ex artikel 843a Rv en dat Dexia niet op gelijke voet gegevens kan opvragen bij [A.], omdat dit nu eenmaal een gevolg is van de wettelijke regeling zoals neergelegd in de Wbp, en van de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995, waarbij alleen aan de betrokkene een onvoorwaardelijk recht op kennisneming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens is verleend.

Voorts heeft Dexia niet aannemelijk gemaakt dat [A.] zijn verzoek met geen ander doel heeft gedaan dan om Dexia financiële schade toe te brengen en haar bedrijfsvoering te frustreren, zodat op deze grond evenmin misbruik van recht kan worden aangenomen. Anders dan Dexia heeft gesteld, volgt het tegendeel niet uit het enkele feit dat [A.], net als vele anderen, gebruik heeft gemaakt van een voorbeeldbrief van TROS Radar, temeer daar uit de op de website van TROS Radar gegeven toelichting op deze brief geenszins blijkt dat het de bedoeling is om Dexia op collectieve wijze te schaden in haar bedrijfsvoering. Bovendien acht het hof het bepaald niet onaannemelijk dat een betrokkene zoals [A.], die niet juridisch geschoold is, eerst een schriftelijk verzoek ex artikel 35 Wbp doet nadat hem daartoe een voorbeeldbrief is aangereikt.

4.7.1. Met grief 1 stelt Dexia verder de vraag aan de orde of [A.] voldoende belang heeft bij zijn verzoek ex artikel 35 Wbp. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend, aangezien het belang van een betrokkene bij een zodanig verzoek wordt voorondersteld door de Europese en Nederlandse wetgever. Genoemde Europese Richtlijn en de Wbp geven aan een ieder het recht om zich vrijelijk tot de verantwoordelijke te wenden zonder dat de betrokkene zijn verzoek tot kennisneming van de verwerking van zijn persoonsgegevens behoeft te motiveren, terwijl niet gezegd kan worden dat [A.] op dit belang geen beroep zou kunnen doen. Bovendien volgt ook uit het voorgaande dat [A.] een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn verzoek, omdat hij aldus wil nagaan welke persoonsgegevens Dexia heeft verwerkt en of die verwerking correct is. Ook in zoverre faalt grief 1 dus.

4.7.2. Aan het belang van [A.] doet geen afbreuk dat hij reeds bekend is met de inhoud van de overeenkomst en van de tussen partijen gevoerde correspondentie en telefoongesprekken. De ratio van artikel 35 Wbp is immers dat [A.] moet kunnen controleren of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van Dexia juist, volledig, relevant en rechtmatig is, zodat [A.] in staat is om zonodig zijn correctierecht ingevolge artikel 36 Wbp uit te oefenen.

4.7.3. Het hof is voorts van oordeel dat in artikel 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens besloten ligt alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken, behoudens door Dexia te stellen bijzondere omstandigheden. Zulks sluit aan bij de Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen, alsmede bij het op de Wbp gebaseerde Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305), welk besluit uitgaat van het verstrekken van kopieën en afschriften aan de betrokkene in het kader van de honorering van een verzoek ex artikel 35 Wbp.

Het feit dat Dexia kosten moet maken om aan [A.] kopieën en transcripties te kunnen verstrekken, en het feit dat er enige tijd gemoeid is met het traceren van de telefoongesprekken met [A.], leveren naar 's hofs oordeel geen bijzondere omstandigheden op als hier bedoeld, met name niet nu genoemd besluit erin voorziet dat Dexia de daaraan verbonden (forfaitaire) kosten in rekening kan brengen bij [A.].

Dit een en ander geldt naar 's hofs oordeel temeer nu het heden ten dage in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om een betrokkene desgewenst (tegen betaling) inzage in zijn persoonsgegevens te verschaffen door middel van kopieën en transcripties, terwijl niet gebleken is dat Dexia een rechtens te respecteren belang heeft om deze stukken niet te verstrekken aan [A.].

4.7.4. Nu als uitgangspunt heeft te gelden dat in artikel 35 Wbp het recht op kopieën en transcripties besloten ligt, wordt het belang van [A.] ook hierbij voorondersteld.

4.7.5. Het hof is van oordeel dat [A.] er juist belang bij heeft dat Dexia hem kopieën en transcripties verstrekt, omdat hij daarmee de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens door Dexia kan controleren. Verder moet [A.] in staat zijn om Dexia om correctie of verwijdering van zijn persoonsgegevens te verzoeken, en om in een eventuele procedure hierover ex artikel 46 lid 1 Wbp jo. 36 Wbp aan de hand van de betreffende kopieën en transcripties te bewijzen dat sprake is van een onjuiste, onvolledige, niet relevante of onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens. Ook gelet op deze bewijsfunctie heeft [A.] belang bij kopieën en transcripties.

4.7.6. Wat betreft de transcripties van opgenomen telefoongesprekken neemt het hof nog in ogenschouw dat de advocaat van Dexia tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aan het hof heeft medegedeeld dat Dexia de bandopnamen van de telefoongesprekken bewaart met het oog op haar procespositie in eventuele civiele procedures tegen haar cliënten. Zodanig belang is dan wederzijds. Deze bewijsfunctie staat er niet aan in de weg dat [A.] er belang bij heeft dat Dexia aan hem transcripties verstrekt met het in de artikelen 35 en 36 Wbp voorziene doel. In dit verband merkt het hof - ten overvloede - nog op dat gezien het feit dat partijen wellicht nog met elkaar verwikkeld zullen raken in een civiele procedure, het beginsel van equality of arms meebrengt dat het Dexia niet is toegestaan om de opgenomen telefoongesprekken met [A.] te verwijderen, zulks in afwijking van de bindende adviezen van de Geschillencommissie Bankzaken in een aantal andere zaken waarbij Dexia is bevolen om bepaalde telefoongesprekken te wissen (zie de bindende adviezen van 4 februari 2005 zoals genoemd in alinea nr. 44 van het verweerschrift van [A.]).

4.7.7. Overigens verwerpt het hof bij het voorgaande het verweer van Dexia dat zij niet inziet hoe [A.] een bandopname van een telefoongesprek op de voet van artikel 36 Wbp zou kunnen laten verbeteren of aanvullen zonder dat de inhoud van het telefoongesprek geweld wordt aangedaan. Volgens Dexia zou zij daarom kunnen volstaan met de mededeling aan [A.] dat zij de met hem gevoerde telefoongesprekken heeft opgenomen. Dexia gaat er hiermee echter aan voorbij dat zo'n mededeling geen enkel inzicht geeft in wat er tijdens die telefoongesprekken is besproken en dat [A.] recht heeft om te weten (en te controleren) wat Dexia van hem bewaart, welk recht tekort wordt gedaan indien de inhoud van die gesprekken niet behoeft te worden kenbaar gemaakt. In dit controlerecht ligt bovendien voldoende belang voor [A.] om een transcriptie te verlangen.

4.7.8. Gelet op het bovenstaande faalt grief 1 in al haar onderdelen.

4.8.1. Met grief 4 klaagt Dexia er verder over dat de rechtbank het verweer van Dexia heeft verworpen dat zij op grond van artikel 43 sub e Wbp geen gevolg hoeft te geven aan het verzoek van [A.], omdat zulks noodzakelijk is in het belang van de bescherming van haar rechten en vrijheden. Dexia voert daartoe aan dat zij zich reeds nu geconfronteerd ziet met meer dan 3800 verzoeken ex artikel 35 Wbp, en dat de honorering van al die verzoeken hoge administratieve lasten meebrengt, een onevenredige inspanning van haar vergt en de bedrijfsvoering van Dexia frustreert. Volgens Dexia kan daarom niet van haar worden verwacht dat zij al deze verzoeken inwilligt. Zulks geldt volgens Dexia met name voor het verzoek van [A.], nu het hier gaat om een gestandaardiseerd verzoek dat een rechtstreeks gevolg is van de oproep van TROS Radar, welke oproep ertoe strekt om Dexia op collectieve wijze te schaden.

4.8.2. Deze stellingen van Dexia snijden echter geen hout, omdat deze er aan voorbij zien dat het verzoek van [A.] moet worden beoordeeld als een individueel verzoek, terwijl niet gebleken is - zie r.o. 4.6.3 - dat de bedoeling van de oproep van TROS Radar is om Dexia op collectieve wijze te schaden in haar bedrijfsvoering, en evenmin dat [A.] die bedoeling heeft.

4.8.3. Waar het om gaat is of door de inwilliging van het enkele verzoek van [A.] de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat Dexia in één van haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Daarbij geldt dat Dexia per persoonsgegeven en per document aannemelijk zal moeten maken dat dit het geval is, aangezien artikel 43 Wbp slechts de mogelijkheid biedt om artikel 35 Wbp buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de in artikel 43 Wbp genoemde gronden.

Dexia heeft echter gesteld noch aannemelijk gemaakt dat honorering van (onderdelen van) het verzoek van [A.] tot zodanige disproportionele administratieve lasten leidt, temeer daar Dexia in eerste aanleg in alinea nr. 18 van haar verweerschrift zelf heeft gesteld dat er op zichzelf geen enkel beletsel is om aan het verzoek van [A.] te voldoen. In ieder geval verwerpt het hof hierbij het verweer van Dexia dat het verzoek van [A.] onvoldoende gespecificeerd is, omdat het tegendeel het geval is, met name nu [A.] specifiek heeft aangegeven op welke persoonsgegevens zijn verzoek in elk geval ziet. In het licht daarvan had het op de weg van Dexia gelegen om aan te geven in hoeverre [A.] zijn verzoek nader had moeten specificeren en waarom de beantwoording van het verzoek in zijn huidige vorm een onevenredige inspanning van Dexia zou vergen, maar zij heeft zulks nagelaten. Mitsdien gaat het beroep van Dexia op artikel 43 sub e Wbp niet op.

4.8.4. Gelet op het voorgaande faalt grief 4 in al haar onderdelen.

4.9.1. Nu het beroep van Dexia op misbruik van recht en artikel 43 sub e Wbp niet opgaat en [A.] voldoende belang heeft bij zijn verzoek ex artikel 35 Wbp, dient Dexia aan [A.] een volledig overzicht in begrijpelijke vorm te verstrekken van de hem betreffende persoonsgegevens die Dexia heeft verwerkt, met een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Het hof merkt daarbij op dat (zoals de rechtbank terecht en onbestreden heeft overwogen) niet relevant is of op Dexia al dan niet een verplichting rustte om bepaalde persoonsgegevens te verwerken; indien Dexia persoonsgegevens van [A.] verwerkt, dan moet zij daarvan melding maken in het overzicht.

4.9.2. Uit de eis dat het overzicht volledig en begrijpelijk moet zijn volgt dat het overzicht voldoende concreet moet zijn om de betrokkene in staat te stellen om zijn recht tot correctie en verwijdering te effectueren, ook bij de ontvangers van de gegevens. Bijgevolg kan in het algemeen niet worden volstaan met een samenvatting van de persoonsgegevens, omdat dan een belangrijk deel van de informatiewaarde verloren kan gaan. De precieze context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de betrokkene juist gaan om de details van de gegevens die over hem worden verwerkt. Gelet daarop is het hof van oordeel dat, om het overzicht begrijpelijk te doen zijn en om effectief gebruik te kunnen maken van het recht tot correctie en verwijdering, Dexia moet aangeven welke persoonsgegevens zijn opgenomen in het papieren dossier van [A.], en welke in een eventueel elektronisch dossier. Mochten er persoonsgegevens op andere wijze zijn opgeslagen (bijv. op een geluidsband of microfilm) dan dient Dexia ook daarvan melding te maken.

4.10.1. Vervolgens komt de vraag aan de orde wat dit overzicht meer concreet moet inhouden, mede gezien in het licht van het verzoek van [A.]. Te dien aanzien overweegt het hof het volgende.

4.10.2. Dexia zal [A.] kopieën moeten geven van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen, aangezien het recht op kennisneming blijkens het voorgaande ook hierop ziet. Dat geldt ook voor de door [A.] verzochte kopie van de effectenlease-overeenkomst.

4.10.3. Wat betreft de door [A.] verzochte aankoopbewijzen van de in de overeenkomst genoemde aandelen (hierna: effectennota's) geldt dat Dexia deze niet hoeft te verstrekken aan [A.], omdat het hof aannemelijk acht - zoals Dexia onweersproken heeft gesteld - dat Dexia deze aandelen tezamen met andere aandelen, op eigen naam, gebundeld heeft aangekocht voor meerdere cliënten. Daardoor bevatten de effectennota's geen persoonsgegevens van [A.] en vallen deze dus buiten de werking van de Wbp.

Indien Dexia persoonsgegevens van [A.] zou hebben verwerkt in verband met de aan- en verkoop van de aandelen, dan dient zij dat wel te vermelden op het overzicht ex artikel 35 lid 2 Wbp.

4.10.4. Ten aanzien van de door [A.] verzochte afschriften van dividenduitkeringen gaat het hof er vooralsnog van uit dat, nu Dexia de aandelen steeds op eigen naam heeft aangekocht, zij de dividenden ook steeds op eigen naam zal hebben geïncasseerd. Voor zover Dexia dividenduitkeringen op naam van [A.] mocht hebben geadministreerd, dient zij daarvan wel mededeling te doen aan [A.].

4.10.5. Daarnaast dient Dexia aan [A.] transcripties van opgenomen telefoongesprekken te verstrekken, aangezien hij, zoals overwogen, ook hier recht op heeft. Daarbij verwerpt het hof het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de telefoongesprekken geen bestand in de zin van artikel 1 sub c Wbp vormen en ook niet bestemd zijn om te worden opgenomen in een bestand, zodat deze bandopnamen op grond van artikel 2 lid 1 Wbp buiten het bereik van de Wbp zouden vallen. Dexia stelt wel dat deze banden niet gestructureerd en niet gemakkelijk toegankelijk zouden zijn, maar daar staat tegenover dat zij de banden desondanks bewaart met het oog op haar procespositie en deze dus als bewijs kan gebruiken tegen haar cliënten. Het hof gaat er daarom, anders dan de rechtbank, van uit dat de banden een ontsluiting hebben waardoor deze volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn.

4.10.6. Verder dient Dexia aan te geven of zij een risicoprofiel c.q. cliëntenprofiel van [A.] heeft gemaakt, doordat zij bij [A.] informatie heeft ingewonnen over zijn financiële positie, zijn ervaring met beleggingen in financiële instrumenten en zijn beleggingsdoelstellingen. Indien dat het geval is, dan dient Dexia aan [A.] een afschrift van dit profiel te verstrekken. Tevens moet Dexia aan [A.] meedelen of zij een inventarisatie heeft gemaakt van zijn kredietwaardigheid, en zo ja, dan moet Dexia ook daarvan een afschrift aan [A.] verstrekken.

4.10.7. In het bijzonder moet Dexia ingaan op de vraag of een toetsing bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) heeft plaatsgevonden en of daarvan nog een aantekening zit in het persoonlijk dossier van [A.]. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat Dexia [A.] op dit punt niet kan doorverwijzen naar het BKR, aangezien het hier gaat om persoonsgegevens die door Dexia zijn verwerkt en die slechts afkomstig zijn van het BKR. Voor zover Dexia met grief 5 een andersluidend standpunt heeft ingenomen, faalt deze grief.

4.10.8. Voorts is het hof van oordeel dat Dexia niet aan haar informatieplicht jegens [A.] zou voldoen indien zij slechts een omschrijving zou geven van de mogelijke doeleinden van de gegevenswerking, categorieën van gegevens, (categorieën van) gegevensontvangers en herkomst van de gegevens. Dexia zal telkens concreet moeten aangeven van welke doelen, categorieën van gegevens, (categorieën van) gegevensontvangers en bronnen van gegevens sprake is in het geval van [A.].

Hierbij wordt aangetekend dat het hof het standpunt van Dexia deelt dat uit artikel 35 lid 2 Wbp volgt dat Dexia met betrekking tot de ontvangers van persoonsgegevens mag volstaan met het noemen van categorieën van gegevensontvangers. Voorts is juist de opvatting van Dexia dat zij aan [A.] slechts de beschikbare informatie over de herkomst van zijn persoonsgegevens hoeft te geven.

4.10.9. Teneinde (ook overigens) te kunnen beoordelen in hoeverre Dexia voldoet c.q. nog moet voldoen aan haar informatieplicht uit artikel 35 Wbp, zal het hof Dexia op grond van artikel 46 lid 6 Wbp verzoeken om aan het hof de navolgende schriftelijke inlichtingen te geven en onder Dexia berustende stukken in te zenden.

4.10.10. Gelet op het verzoek van [A.] en hetgeen verder nog aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling, wil het hof schriftelijk de volgende informatie van Dexia ontvangen:

1) Een kopie van de originele effectenlease-overeenkomst die bij Dexia in het dossier ligt.

2) Heeft Dexia destijds een risicoprofiel c.q. cliëntenprofiel van [A.] gemaakt en/of een inventarisatie van zijn kredietwaardigheid? In het bevestigende geval dient Dexia afschriften te verstrekken van dit profiel en/of deze inventarisatie.

3) Zijn er aankopen van aandelen die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [A.]? Zo ja, wilt u daarvan afschriften overleggen?

4) Zijn er dividenduitkeringen die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [A.]? Zo ja, wilt u daarvan afschriften overleggen?

5) Voor welk concreet doel of welke concrete doeleinden heeft Dexia de persoonsgegevens van [A.] verwerkt?

6) Aan welke ontvangers of categorieën van ontvangers heeft Dexia persoonsgegevens van [A.] verstrekt?

7) Beschikt Dexia over informatie over de herkomst van de persoonsgegevens van [A.]? Zo ja, wilt u deze informatie verstrekken aan het hof?

8) Kunt u uiteenzetten in hoeverre Dexia aandelen heeft geregistreerd op het contractnummer van [A.]?

9) Zijn er overigens nog gegevens die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [A.], en zo ja, welke gegevens zijn dat?

10) Wilt u bij de beantwoording van alle voorgaande vragen steeds specificeren of de betreffende persoonsgegevens van [A.] zich bevinden in zijn papieren en/of elektronisch dossier, of dat deze gegevens (tevens) op andere wijze zijn opgeslagen door Dexia.

Volledigheidshalve merkt het hof op dat bovenstaande vragen ook zien op het geval dat de betreffende gegevens zijn verwerkt door de rechtsvoorganger(s) van Dexia, maar zich thans bevinden in het onder Dexia berustende dossier van [A.].

4.10.11. Het hof zal Dexia overigens niet verzoeken om in dit geding transcripties van de opgenomen telefoongesprekken over te leggen, zulks gelet op de daarmee gemoeide kosten. Indien [A.] deze transcripties nog steeds (tegen betaling) wil ontvangen, dan dient hij zich daartoe rechtstreeks tot Dexia te wenden.

Evenmin zal het hof Dexia verzoeken om kopieën over te leggen van interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van Dexia bevatten en die uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, aangezien [A.] daarop geen recht heeft (vgl. HR 24 januari 2003, NJ 2003, 491 en artikel 2 lid 2 sub a Wbp). Dat wordt anders als deze notities in een bestand worden opgenomen.

Het hof merkt op dat onder bovenbedoelde interne notities niet kunnen worden begrepen notities van persoonsgegevens die Dexia bij derden heeft opgevraagd zoals bij het BKR, of notities van persoonsgegevens die Dexia heeft opgevraagd bij [A.] zelf, bijvoorbeeld in verband met het opstellen van zijn cliëntenprofiel. Laatstbedoelde notities vallen dus wél onder het recht op kennisneming ingevolge artikel 35 Wbp.

4.11. Bij haar opgave aan het hof kan Dexia zich desgewenst nog uitlaten over het verzoek van [A.] om Dexia te veroordelen in de proceskosten, aangezien [A.] dit verzoek eerst heeft gedaan nadat het hof de zitting had gesloten en de uitspraakdatum had bepaald.

5. De uitspraak

Het hof:

verzoekt Dexia om uiterlijk op 13 februari 2006 aan het hof de hiervoor onder 4.10.10 genoemde schriftelijke inlichtingen te geven en de in die overweging genoemde, onder Dexia berustende, stukken in te zenden;

verzoekt Dexia om voormelde schriftelijke inlichtingen en kopieën van stukken in afschrift naar [A.] te sturen, tegelijk met de verzending van deze gegevens naar het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Pouw en Van den Bergh en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.