Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AY8733

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
20-009390-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen ISD-maatregel

1. Combinatie straf/maatregel, wetsgeschiedenis negatief advies.

2. Voorhanden zijn van een Riscrapport, geen voorwaarde art 38m, vijfde lid WvSr, weigering verdachte zou dan aan opleggen ISD in de weg gaan staan.

3. Openstaande onherroepelijke vrijheidsstraf. De stelling dat een onherroepelijke vrijheidsstraf van langer dan vier maanden aan het opleggen van de ISD-maatregel in de weg staat, vindt geen steun in de wet, (art 38, eerste lid, WvSr).

Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers (w.o. vordering maatregel ISD) van het College van Procureurs-Generaal is geen waarborgnorm voor de verdachte, maar een instructienorm voor leden van het openbaar ministerie, aan welke beperking de rechter niet is gebonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 38
Wetboek van Strafrecht 38m
Wetboek van Strafrecht 38s
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/48
NbSr 2007/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-009390-05

Uitspraak : 23 november 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 17 mei 2005 in de strafzaak met parketnummer 04-860103-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans verblijvende in[PI]

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte terzake van het medeplegen van diefstal (het hof begrijpt: diefstal door twee of meer verenigde personen) zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 112 dagen, met aftrek van voorarrest en voorts zal opleggen de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2005 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal gouden sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 januari 2005 te Tegelen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal gouden sieraden, toebehorende aan [slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat verdachte weliswaar bekent het ten laste gelegde te hebben begaan, doch dat hij alleen was toen hij de diefstal pleegde en derhalve geen diefstal door twee of meer verenigde personen kan worden bewezen verklaard.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat, nu verdachte overeenkomstig een tussen hen gemaakte afspraak daartoe door de mededader naar de plaats van het delict -Tegelen- is vervoerd en direct na het plegen van het feit door hem weer is teruggebracht naar Helmond, terwijl voorts tussen hen vaststond dat de mededader een deel van de buit zou krijgen, er van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader sprake is geweest, dat van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht sprake is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 4, juncto artikel 310, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

Het hof is - evenals de eerste rechter - voorts van oordeel dat op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte na te melden maatregel behoort te worden opgelegd.

Daarbij is het navolgende van belang.

Verdachte heeft zich op 25 januari 2005 te Tegelen schuldig gemaakt aan diefstal van een aantal gouden sieraden.

Uit het omtrent verdachte recent afgegeven uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister blijkt dat verdachte sinds 1991 regelmatig met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook blijkt hieruit dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de diefstal die hij op 25 januari 2005 heeft gepleegd, vele malen - aanzienlijk meer dan het wettelijk minimum - wegens soortgelijke feiten tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, welke straffen, voorzover onherroepelijk, ook door hem zijn uitgezeten, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de brief inzake retourzending van het rapportageverzoek d.d. 28 april 2005 van mevrouw [reclasseringsmedewerkster] bij Novadic & Kentron, netwerk voor verslavingszorg. Uit deze

brief blijkt dat verdachte tijdens zijn verblijf de in gevangenis is bezocht om te onderzoeken of hij in een ISD-traject mogelijk in aanmerking zou komen voor een hulpverleningsprogramma.

Voor dit onderzoek zou het RISc-instrument worden ingezet. Verdachte weigerde echter elke medewerking, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep nog eens heeft herhaald.

Het hof heeft tevens kennis genomen van het rapport van de psychiater, H.L.C. Morre d.d. 26 april 2005, waarin deze rapporteert over diens vruchteloze poging een onderzoek in te stellen naar de persoonlijkheid van verdachte. Ook nu weigerde verdachte elke medewerking.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte ook deze weigering bevestigd met de mededeling: "Ze hebben ook nog een keer psychiater Morre op mij afgestuurd, maar ik wil niet aan een onderzoek meewerken".

In hoger beroep heeft verdachte die mededeling nog aangevuld met de informatie dat die weigering zijn eigen keuze was en hij bij zijn weigering blijft.

Verdachte verklaart voorts al ruim 16 jaar verslaafd te zijn en dat afkicken alleen maar lukt indien zulks niet in een gedwongen setting plaats vindt.

Verder is hij van mening dat om zijn verslavingproblematiek op te lossen heroïne moet worden vrijgegeven.

In de eerder genoemde brief van Novadic & Kentron en een voorlichtingsrapport van 23 juli 2004 van - eveneens - mevrouw [reclasseringsmedewerkster] komt ook naar voren dat verdachte al jarenlang verslaafd is. Om in zijn behoefte aan drugs te voorzien, pleegt hij strafbare feiten. Verdachte komt daardoor voor op de lijst van geprioriteerde veelplegers in Helmond. In dit verband is een aantal keren aan verdachte een traject aangeboden, waarin hij zou kunnen werken aan zijn problemen. Dit verliep echter steeds niet goed. Ook in casu kwam verdachte na een opname wederom in aanraking met justitie. In de detentie die volgde gaf hij aan toch (weer) mee te willen werken aan een behandeling, echter tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis van één dag voor een intake gesprek in verband met een hernieuwde opname van verdachte is het onderhavige delict gepleegd. Vervolgens is verdachte gekenmerkt als ISD-waardig, waarna verdachte vervolgens elke medewerking aan enig onderzoek weigerde.

Op grond van het vorenoverwogene alsmede de overige gedingstukken blijkt dat verdachte voldoet aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.

Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat het door verdachte plegen van strafbare feiten sterk samenhangt met zijn verslavingsproblematiek. Mede gelet op de huidige houding van verdachte ten aanzien van de hulpverlening dient er dan ook ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom misdrijven zal plegen, zodat de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders eist.

De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Nu verdachte verslaafd is dient de maatregel mede een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek.

Het hof zal aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen voor de duur van twee jaren.

Nu de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het opstellen van een behandelplan, zal dit plan in de inrichting moeten worden opgesteld.

Vanwege het - vooralsnog - ontbreken van een behandelingsplan en vanwege de duur van de maatregel ziet het hof aanleiding om te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient plaats te vinden.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde maatregel het navolgende aangevoerd:

- dat een gedwongen behandeling van verdachte geen zin heeft en niet zal slagen;

- dat, gelet op de recente rechtspraak, een kritische kanttekening dient te worden geplaatst bij de eventuele mogelijkheid van een op te leggen maatregel, in combinatie met een onvoorwaardelijke straf;

- dat, nu een zogeheten RISc-rapport ontbreekt en er geen uitgewerkt behandelplan voorhanden is, de ISD-maatregel niet kan worden opgelegd;

- dat verdachte voorts nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een strafrestant van meer dan vier maanden heeft openstaan nu hij,

raadsman, hedenmorgen het appel in een andere zaak heeft ingetrokken, zodat die zaak

thans onherroepelijk is geworden, hetgeen aan oplegging van een ISD-maatregel in de weg

staat.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Combinatie straf/maatregel:

Bij de totstandkoming van de wet, met name bij die van de oorspronkelijke SOV-regeling, was in de mogelijkheid voorzien van oplegging van een combinatie van een vrijheidsstraf en een maatregel .

Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt heeft de Raad van State terzake van dit onderdeel een negatief advies uitgebracht.

In het uiteindelijke door de Regering ingediende wetsontwerp is het advies van de Raad van State gevolgd en is er geen bepaling opgenomen die voorziet in de combinatie van een vrijheidsstraf en een maatregel.

Bij de totstandkoming van de wet die voorziet in de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, in welke regeling de strafrechtelijke opvang van verslaafden is opgegaan, is wederom niet voorzien in een mogelijke combinatie van een straf en een maatregel. Een daartoe strekkend amendement is - integendeel - ingetrokken nadat de Minister van Justitie dat amendement had ontraden.

Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de wetgever deze combinatie niet heeft gewild.

Riscrapport:

Anders dan door de raadsman betoogd, staat de omstandigheid dat een Risc-rapportage en een uitgewerkt behandelplan ontbreken, niet in de weg aan het opleggen van de ISD-maatregel.

De enkele weigering van de verdachte mee te werken aan een dergelijke rapportage zou in de visie van de raadsman er toe leiden dat oplegging van de ISD-maatregel afhankelijk zou worden van de instemming van de verdachte. Zoals kan worden afgeleid uit artikel 38m, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever zulks uitdrukkelijk niet gewild. Wel vindt het hof in het ontbreken van de Riscrapportage aanleiding om te bepalen dat uiterlijk zes maanden na aanvang van de maatregel een tussentijdse beoordeling zal moeten plaatsvinden omtrent de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Openstaande onherroepelijke vrijheidsstraf:

De stelling van de raadsman dat een onherroepelijke vrijheidsstraf van langer dan vier maanden aan het opleggen van de ISD-maatregel in de weg staat, vindt geen steun in de wet, meer in het bijzonder niet in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waar de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel zijn neergelegd.

In de richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers (w.o. vordering maatregel ISD) van het College van Procureurs-Generaal komt wel een beperking dienaangaande voor, in die zin dat, als er nog meer dan vier maanden openstaat, een gevangenisstraf dient te worden gevorderd. Het hof ziet dit onderdeel van de richtlijn - gelet op de bewoordingen van de wet en van die richtlijn - niet als een waarborgnorm voor de verdachte, maar als een instructienorm voor leden van het openbaar ministerie, aan welke beperking de rechter niet is gebonden.

De consequentie van de stelling van de raadsman zou ook zijn dat door het intrekken van een hoger beroep een zaak met een strafrestant van meer dan vier maanden - zoals in casu is geschied - de verdachte het in voorkomende gevallen in zijn macht zou hebben het opleggen van de ISD-maatregel te voorkomen, hetgeen, zoals hiervoor overwogen, niet de bedoeling van de wetgever is geweest.

Het hof gaat er vanuit dat bij de tenuitvoerlegging van een eventueel nog openstaande straf van langer dan vier maanden rekening gehouden zal worden met het vrijheidsbenemende effect van de ISD-maatregel, waartoe te meer reden bestaat indien de verdachte - met succes - heeft meegewerkt aan het behandelplan, zoals dat na zijn opname moet worden opgesteld.

Het hof is voorts van oordeel dat het reeds door verdachte ondergane voorarrest niet in mindering dient te worden gebracht op de hierna te bepalen duur van de op te leggen maatregel, nu zulks niet met het karakter van de maatregel verenigbaar is.

Wel zal het hof op grond van het bepaalde in artikel 38s, van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat tussentijdse rapportage omtrent de noodzaak van voortzetting van de maatregel dient plaats te vinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Bepaalt dat uiterlijk zes maanden na aanvang van de maatregel een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden omtrent de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt dat de advocaat-generaal uiterlijk veertien dagen voor dat tijdstip het hof zal berichten als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door

mr. J.W. de Ruijter, voorzitter,

mrs. C.R.L.R.M. Ficq en F. van Beuge, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. P.N.M. de Bruijn, griffier,

en op 23 november 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 7 - 20-009390-05