Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AV6603

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
R200500313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

De enkele omstandigheid dat de vrouw geen contact meer wenst met de man is onvoldoende om aan te nemen dat bij voortduring van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zal raken tussen de man en de vrouw.

Omgang

In haar hoger beroep geeft de vrouw twee argumenten tegen een omgangsregeling tussen de man en het kind. De vrouw voert aan dat zij de man ongeschikt acht voor omgang, nu zij vreest dat hij hetzelfde gedrag tegen het kind zal vertonen als hij in het verleden tegen haar heeft vertoond. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven ten aanzien van het gezag is overwogen, is het hof van oordeel dat deze grief van de vrouw faalt.

Voorts heeft de vrouw gesteld dat omgang tussen de man en het kind een nadelig effect op het kind zal hebben, nu het kind niet weet dat de man zijn vader is en hij de man ook niet kent. Ten aanzien van deze grief overweegt het hof dat het kind tijdens het huwelijk van de man en de vrouw is geboren. Hieruit vloeit voort dat de man de juridische vader is van het kind, hij de naam van de man draagt en sprake is van gezamenlijk gezag. Vast staat inmiddels tevens dat de man de verwekker van het kind is. In het licht van artikel 7 en 8 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) heeft een kind het recht om zijn beide ouders en zijn eigen identiteit te kennen. Het hof leidt uit deze artikelen af dat een opvoedende ouder met gezamenlijk ouderlijk gezag die het kind niet vanaf jonge leeftijd voorlicht omtrent zijn ware identiteit maar daarmee – zoals in casu de vrouw - wil wachten totdat de minderjarige 12 of 15 jaar zal zijn, handelt in strijd met de rechten van het kind. Het zijn de taken van de vrouw, als opvoeder, om het kind in te lichten over zijn afkomst en om het kind voor te bereiden op de omgang met zijn vader die samen met de vrouw het gezag over de minderjarige uitoefent. Wanneer de vrouw deze taken naar behoren vervult kan niet meer gezegd worden dat het kind omgang heeft met een onbekende man.

Het hof passeert de inhoud van het deskundigenrapport, nu dit rapport tot stand is gekomen op eenzijdige informatie van de vrouw en zonder dat mevrouw Riksen het kind en diens vader heeft gezien of gesproken. Daar komt nog bij dat in dat rapport wordt uitgegaan van de premisse dat het kind gedwongen zou worden tot omgang met een voor hem onbekende persoon hetgeen zich in casu niet voordoet c.q. voor hoeft te doen nu het juist het recht van het kind is om van jongs af aan bekend te zijn met het bestaan van zijn beide (juridische en biologische) ouders en het de taak van moeder is om - zo nodig met behulp van derden - te zorgen dat dit recht van het kind wordt gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EB

23 juni 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500313

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de vrouw,

procureur mr. P.L.M.F Roosendaal,

t e g e n

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de man,

procureur mr. W.J. Sleegers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 22 december 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 21 maart 2005, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw het eenhoofdig gezag over het minderjarige kind van partijen verkrijgt en het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 april 2005, heeft de man verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2005. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en haar advocaat mr. Stassen en de man en zijn procureur mr. Sleegers, alsmede mr. Werger namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroep- en verweerschriftschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van de vrouw en de man is op [geboortejaar] [minderjarige zoon] geboren. Bij beschikking van 28 november 2002 heeft de rechtbank Roermond de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheidings- beschikking is op 6 mei 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank Roermond de beslissing omtrent het gezag over [minderjarige zoon] aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een DNA-test te laten uitvoeren.

Uit de DNA-test is gebleken dat de man de biologische vader van [minderjarige zoon] is. Hierop heeft de man de rechtbank verzocht een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige zoon] vast te stellen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.3. Bij beschikking van 10 december 2003 heeft de rechtbank Roermond wederom de beslissing omtrent het gezag over [minderjarige zoon] alsmede de beslissing omtrent de omgangsregeling aangehouden. De rechtbank heeft daarbij de raad verzocht een onderzoek te doen naar het gezag over [minderjarige zoon] en naar een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige zoon].

4.4. Uit de rapportage van de raad van 13 september 2004 blijkt dat [minderjarige zoon] niet weet dat de man zijn vader is. Volgens de vrouw is statusvoorlichting en omgang op jonge leeftijd niet goed voor [minderjarige zoon]. De raad is echter van mening dat in de toekomst het verzwijgen van zijn afstamming en het onthouden van omgang voor [minderjarige zoon] tot grote problemen zal leiden. Ten aanzien van het gezag adviseert de raad om het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand te laten. Ondanks de slechte verhouding tussen de ouders zal toewijzing van eenhoofdig gezag aan de vrouw het gevaar vergroten voor [minderjarige zoon] dat het bestaan van de man wordt verzwegen.

Voorts is de raad van mening dat er tussen [minderjarige zoon] en de man een omgangsregeling dient te worden vast- gesteld. Voorafgaand aan de omgang met de man dient [minderjarige zoon] door de vrouw, zonodig met ondersteuning van hulpverlening, voorgelicht worden over zijn status. Voor wat betreft de omgangsregeling stelt de raad een regeling voor van één keer per week twee uur totdat [minderjarige zoon] naar groep drie gaat en vanaf groep drie een omgangsregeling van één weekend per twee weken en deling van de schoolvakanties en de feestdagen.

4.5. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verkrijging van het eenhoofdig gezag afgewezen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2005 gedurende twee aaneengesloten uren per twee weken onder begeleiding van een gedragsdeskundige van de raad omgang mag hebben met [minderjarige zoon]. Vanaf 1 maart 2005 heeft de man recht op omgang met [minderjarige zoon] gedurende twee aaneengesloten uren per week onder begeleiding van een gedragsdeskundige.

4.5.1. Ten aanzien van het gezag heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de door de vrouw voor haar standpunt aangevoerde argumenten geen zodanig zwaarwegende argumenten opleveren, dat redelijkerwijs niet van de vrouw verlangd mag en kan worden dat zij met de man over belangrijke beslissingen over [minderjarige zoon] communiceert. Nu de man zich bereid heeft verklaard in het belang van [minderjarige zoon] met de vrouw te willen praten en bereid is zijn persoonlijke belangen ondergeschikt te maken aan die van [minderjarige zoon], is de rechtbank van oordeel dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige zoon] dient te worden gehandhaafd. De rechtbank baseert zich daarbij niet alleen op artikel 1:251 BW, maar tevens op hetgeen daarover in het Verdrag inzake de rechten van het kind is bepaald. Zo is in artikel 18 van genoemd verdrag het beginsel vastgelegd dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van hun kind, terwijl een kind op basis van artikel 7 van genoemd verdrag er recht op heeft zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. Voor een kind van gescheiden ouders bevat het derde lid van artikel 9 van het verdrag een bepaling, die het recht, om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, eerbiedigt.

4.5.2. Ten aanzien van de omgang heeft het hof ondermeer overwogen dat de bestaande problemen van de ouders niet in de weg mogen staan aan het recht van een kind om zijn beide ouders te kennen en met die ouders contact te hebben. Nu er buiten de ex-partnerproblematiek naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van contra-indicaties die aan het vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige zoon] en zijn vader in de weg staan, en nu vaststaat dat [minderjarige zoon] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt en zowel het kind als de vader recht hebben op omgang met elkaar, is de rechtbank van oordeel dat er op zo kort mogelijke termijn omgang tussen [minderjarige zoon] en zijn vader dient plaats te vinden.

De vrouw kan zich met deze beslissing van de rechtbank niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.6. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen overweegt het hof als volgt.

Gezag

4.6.1. Het is het hof gebleken dat er na het vertrek van de vrouw, kort voor de bevalling, slechts sporadisch en voornamelijk schriftelijk contact is geweest tussen de man en de vrouw. De vrouw heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij gezien het verleden met de man geen contact meer met hem wenst. Volgens de vrouw was er tijdens het huwelijk van partijen sprake van psychische en fysieke agressie door de man. De man heeft deze stelling van de vrouw gemotiveerd bestwist en daarbij brieven overgelegd die de vrouw aan vriendinnen heeft geschreven. Uit deze brieven komt, naar het oordeel van het hof, niet naar voren dat er sprake was van een situatie zoals door de vrouw in deze procedure geschetst. Deze brieven doen zelfs het tegendeel vermoeden.

Het is het hof voorts gebleken dat er aan de kant van de man wel de bereidheid bestaat om het contact, tussen hem en de vrouw als ouders van [minderjarige zoon], tot stand te brengen, echter dit is tot op heden niet gelukt. De man heeft aangegeven dat hij bereid is een mediationtraject in te gaan.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de vrouw geen contact meer wenst met de man onvoldoende is om aan te nemen dat bij voortduring van het gezamenlijk gezag er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige zoon] klem of verloren zal raken tussen de man en de vrouw.

Het hof zal derhalve het verzoek van de vrouw om haar alleen te belasten met het gezag over [minderjarige zoon] afwijzen.

Omgang

4.6.2. Het hof leest de uitspraak van de rechtbank als een vaststelling van een voorlopige omgangsregeling, waartegen hoger beroep open staat. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de omgangsregeling.

4.6.3. In haar hoger beroep geeft de vrouw twee argumenten tegen een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige zoon]. De vrouw voert aan dat zij de man ongeschikt acht voor omgang, nu zij vreest dat hij hetzelfde gedrag tegen [minderjarige zoon] zal vertonen als hij in het verleden tegen haar heeft vertoond. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven ten aanzien van het gezag is overwogen, is het hof van oordeel dat deze grief van de vrouw faalt.

Voorts heeft de vrouw gesteld dat omgang tussen de man en [minderjarige zoon] een nadelig effect op [minderjarige zoon] zal hebben, nu [minderjarige zoon] niet weet dat de man zijn vader is en hij de man ook niet kent. Ten aanzien van deze grief overweegt het hof dat [minderjarige zoon] tijdens het huwelijk van de man en de vrouw is geboren. Hieruit vloeit voort dat de man de juridische vader is van [minderjarige zoon], hij de naam van de man draagt en sprake is van gezamenlijk gezag. Vast staat inmiddels tevens dat de man de verwekker van [minderjarige zoon] is. In het licht van artikel 7 en 8 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) heeft een kind het recht om zijn beide ouders en zijn eigen identiteit te kennen. Het hof leidt uit deze artikelen af dat een opvoedende ouder met gezamenlijk ouderlijk gezag die het kind niet vanaf jonge leeftijd voorlicht omtrent zijn ware identiteit maar daarmee -zoals in casu de vrouw- wil wachten totdat de minderjarige 12 of 15 jaar zal zijn, handelt in strijd met de rechten van het kind. Het zijn de taken van de vrouw, als opvoeder van [minderjarige zoon], om [minderjarige zoon] in te lichten over zijn afkomst en om [minderjarige zoon] voor te bereiden op de omgang met zijn vader die samen met de vrouw het gezag over de minderjarige uitoefent. Wanneer de vrouw deze taken naar behoren vervult kan niet meer gezegd worden dat [minderjarige zoon] omgang heeft met een onbekende man.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het opstarten van gefaseerde omgang in strijd is met de belangen van [minderjarige zoon]. Zij heeft zich daarbij beroepen op het door haar overgelegde rapport van prof. Dr. J. Riksen-Walravens d.d. 29 juni 2004. Het hof passeert echter de inhoud van dit rapport, nu dit rapport tot stand is gekomen op eenzijdige informatie van de vrouw en zonder dat mevrouw Riksen [minderjarige zoon] en diens vader heeft gezien of gesproken. Daar komt nog bij dat in dat rapport wordt uitgegaan van de premisse dat [minderjarige zoon] gedwongen zou worden tot omgang met een voor hem onbekende persoon hetgeen zich in casu niet voordoet c.q. voor hoeft te doen nu het juist het recht van het kind is om van jongs af aan bekend te zijn met het bestaan van zijn beide (juridische en biologische) ouders en het de taak van moeder is om -zo nodig met behulp van derden- te zorgen dat dit recht van het kind wordt gewaarborgd.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het opstarten van gefaseerde omgang niet in strijd is met de belangen van [minderjarige zoon]. Dit betekent tevens dat het hof het verzoek van de vrouw tot benoeming van een nieuwe deskundige zal afwijzen. Hierbij wil het hof nog opmerken dat de rechtbank bij de vaststelling van de voorlopige omgangsregeling oog heeft gehad voor de impact die de voorlichting van [minderjarige zoon] op zijn afkomst en de daaraan gekoppelde omgangsregeling op [minderjarige zoon] zal hebben, door een gedragsdeskundige in te schakelen bij de omgang. Waar de vrouw in deze [minderjarige zoon] niet kan begeleiden, kan zij de hulp van deze gedragsdeskundige inroepen.

Ter zitting heeft de man verklaard bereid te zijn de bijdrage voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige zoon], zoals vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 10 december 2003, te betalen. Het is het hof echter ter zitting gebleken dat de vrouw de voor betaling benodigde gegevens niet aan de man ter hand heeft gesteld en dat de vrouw na afloop van de zitting bij de rechtbank heeft voorgesteld af te zien van alimentatie, in de hoop dat de man af zou zien van zijn recht op omgang met [minderjarige zoon]. Anders dan de vrouw stelt, is dan ook niet komen vast te staan dat de man geen oog zou hebben voor nakoming van zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kind.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het hof van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling dient te worden bekrachtigd, met dien verstande dat, nu ter zitting gebleken is dat er thans nog geen omgang tussen de man en [minderjarige zoon] heeft plaatsgevonden, de door de rechtbank genoemde data zullen worden aangepast.

4.7. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Roermond van 22 december 2004 met dien verstande dat de daarin genoemde data van respectievelijk 1 januari 2005 en 1 maart 2005 worden gewijzigd in die zin dat:

- de man met ingang van 1 juli 2005 gedurende twee aaneengesloten uren per twee weken omgang met [minderjarige zoon] mag hebben onder begeleiding van een gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming;

- de man met ingang van 1 september 2005 gedurende twee aaneengesloten uren per week omgang met [minderjarige zoon] mag hebben onder begeleiding van een gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Van Zinnen en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.