Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AV5179

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2005
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
R05-00917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 10f van de huurovereenkomst de rechten die huurder aan Afdeling 6 van Titel 4 van Boek 7 van het BW op een aantal punten wezenlijk aantast: zo wordt huurder het recht ontnomen om terzake van een door verhuurder gewenste beëindiging van de huurovereenkomst de tussenkomst van de rechter te vragen; voorts wordt door de koppeling van de huurovereenkomst aan de franchiseovereenkomst materieel een niet aan termijnen gebonden huurbeëindigingsgrond toegevoegd aan de limitatief in de wet genoemde en bovendien wel aan termijnen gebonden huurbeëindigingsgronden die de genoemde Afdeling kent. Voorts wordt de huurder het recht ontnomen om vrijelijk over zijn bedrijf, inclusief huurrechten te beschikken, hetgeen op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 7:307 BW van welke bepaling afwijking onder geen beding is toegestaan (artikel 7:291, lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2006, 56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 november 2005

Zevende kamer

Rekestnummer R05/00917

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

Beschikking

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BART'S RETAIL B.V.,

gevestigd te Beuningen,

hierna te noemen Bart's Retail,

procureur: mr. Ph. C.M. van der Ven,

en:

de vennootschap onder firma [GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te [plaats],

en haar beherend vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2]

wonende te [plaats],

hierna te noemen [vennoten],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep tegen de onder zaaknummer 401805384628 door de rechtbank te 's Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven op 15 juni 2005 gegeven beschikking op verzoek van beide partijen.

1. Het verloop van geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking waarvan beroep.

2. Het procesverloop in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift gedateerd 26 augustus 2005, bij de griffie van het hof binnengekomen op 26 augustus 2005 hebben Bart's Retail en [vennoten], hierna ook te noemen appellanten, drie grieven aangevoerd tegen de beschikking van de kantonrechter te Eindhoven d.d. 15 juni 2005. Zij verzoeken het hof, kort gezegd, deze beschikking te vernietigen voorzover geen goedkeuring is verleend aan het bepaalde in artikel 10f van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en opnieuw recht doende alsnog die goedkeuring te verlenen.

2.3. De mondelinge behandeling van het hoger beroep vond plaats op 12 oktober 2005. De advocaat van partijen heeft de standpunten van beide partijen mondeling toegelicht.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar het namens beide partijen ingediende beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Tussen Bart's Retail als verhuurder en [vennoten] als huurder is op 21 april 2005 een huurovereenkomst gesloten betreffende de winkelbedrijfsruimte staande en gelegen in [adres].

4.1.2. Op dezelfde datum is tussen partijen een franchise-overeenkomst gesloten tussen Barts' Retail als franchisegever en [vennoten] als franchisenemer.

4.1.3. Appellanten beogen de huurovereenkomst aan de franchiseovereenkomst te koppelen, des dat de een niet kan bestaan zonder de ander.

4.1.4. Daartoe hebben appellanten een artikel 10f in de huurovereenkomst opgenomen, luidende als volgt:

Partijen verklaren uitdrukkelijk dat de onderhavige huurovereenkomst is aangegaan in het kader van de tevens tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst.

Onderhavige huurovereenkomst en de franchiseover-eenkomst zijn derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden, hetgeen inhoudt dat deze huurovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst eindigt op het moment waarop de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst om welke reden dan ook zal worden ontbonden.

Huurder verplicht zich het gehuurde te ontruimen en met al de zijnen en al het zijne te verlaten op de datum waarop de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst eindigt. Indien huurder deze verplichting niet nakomt verbeurt hij ten behoeve van verhuurder een onmiddellijk opeisbare en niet voor rechterlijke machtiging vatbare boete van E. 2.500,00 voor iedere dag dat de ontruiming na de datum van beëindiging van de franchiseovereenkomst niet heeft plaatsgevonden, zonder dat enige sommatie of ingebrekestelling daartoe zal zijn vereist.

4.1.5. De kantonrechter te Eindhoven heeft het verzoek van appellanten om deze bepaling goed te keuren afgewezen.

4.1.6. Appellanten kunnen zich in deze beschikking niet vinden en zijn daarvan tijdig in hoger beroep gekomen.

4.2. Nu het inleidende verzoekschrift na 1 augustus 2003 is ingediend dient het hof het verzoek te beoordelen aan de hand van het na die datum geldende recht.

4.3. Appellanten hebben tegen de beschikking waarvan beroep drie grieven aangevoerd welke zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

4.4. Het hof overweegt omtrent de grieven als volgt:

4.4.1. Artikel 7:291 BW bepaalt dat van de bepalingen in Afdeling 6 van de Vierde Titel van het BW niet ten nadele van de huurder mag worden afgeweken. Dergelijke bepalingen zijn vernietigbaar; anders dan onder het oude recht zijn de bepalingen dus geldig totdat de huurder de vernietiging van die bepalingen inroept.

4.4.2. Indien evenwel door de kantonrechter desgevraagd goedkeuring aan dergelijke bepalingen is verleend kan de huurder de vernietiging niet inroepen en zijn ze dus, behoudens bijzondere omstandigheden, onaantastbaar.

4.4.3. De wetgever heeft de rechter in het genoemd artikel nadrukkelijk opgedragen om, zo nodig ambtshalve (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer 1999-2000, 26 932, nr 3, blz. 4), te bezien of het beding of de bedingen waarvan goedkeuring wordt gevraagd de rechten die huurder aan de genoemde Afdeling ontleent niet wezenlijk aantast en of de maatschappelijke positie van de huurder ten opzichte van de verhuurder zodanig is dat hij deze bescherming niet behoeft.

4.4.4. Anders dan onder het oude recht wel gebeurde is het niet de bedoeling van de wetgever dat in geval van een gezamenlijk verzoek van verhuurder en huurder het verzoek zonder meer wordt gehonoreerd (Nota naar aanleiding van het Eindverslag, Tweede Kamer 2000-2001, 26 932 nr. 5, blz. 6).

4.4.5. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 10f van de huurovereenkomst de rechten die huurder aan Afdeling 6 van Titel 4 van Boek 7 van het BW op een aantal punten wezenlijk aantast: zo wordt huurder het recht ontnomen om terzake van een door verhuurder gewenste beëindiging van de huurovereenkomst de tussenkomst van de rechter te vragen; voorts wordt door de koppeling van de huurovereenkomst aan de franchiseovereenkomst materieel een niet aan termijnen gebonden huurbeëindigingsgrond toegevoegd aan de limitatief in de wet genoemde en bovendien wel aan termijnen gebonden huurbeëindigingsgronden die de genoemde Afdeling kent. Voorts wordt de huurder het recht ontnomen om vrijelijk over zijn bedrijf, inclusief huurrechten te beschikken, hetgeen op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 7:307 BW van welke bepaling afwijking onder geen beding is toegestaan (artikel 7:291, lid 2 BW).

4.4.6. Nu voorts niet is gebleken van enig daartegenover staand voordeel aan de kant van de huurder, moet worden vastgesteld dat het artikel 10f waarvoor appellanten goedkeuring vragen de rechten die huurder ontleent aan het bepaalde in Afdeling 6 van Titel 4 van Boek 7 BW wezenlijk aantast.

4.4.7. Nu voorts niet, althans onvoldoende is gebleken dat de maatschappelijke positie van [vennoten] in vergelijking met Bart's Retail zodanig is dat hij de genoemde bescherming niet behoeft, - anders dan appellanten menen is hun goede zakelijke verstandhouding daarbij niet van doorslaggevende betekenis - dienen de grieven te worden verworpen. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

Nu partijen gezamenlijk hebben geappelleerd kan een beslissing omtrent de proceskosten achterwege blijven.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Van de Bergh en Adriaansens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 november 2005 in tegenwoordigheid van de ondertekenende griffier.