Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AV3150

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
02-03-2006
Zaaknummer
20-006040-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tomaten en komkommers worden in casu aangemerkt als afvalstoffen.

Het hof kent betekenis toe aan de omstandigheid dat een overkoepelend orgaan, waarin diverse coöperaties van tomaten- en komkommertelers op de Canarische eilanden zijn verenigd, zich om markttechnische redenen van een partij tomaten en komkommers heeft ontdaan. Verdachte wordt aangemerkt als (opvolgende) houder van afvalstoffen, in de zin van artikel 1 van richtlijn nr. 75/442/EEG.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 10.1
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-006060-04

Uitspraak : 9 december 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer in de rechtbank Breda van 27 september 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-043606-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum] 1945,

wonende te [woonplaats] [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, en te dien aanzien opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een geldboete van EUR 50.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 360 dagen, waarvan EUR 25.000,- voorwaardelijk, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 180 dagen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. [rechtspersoon] in of omstreeks de periode 7 januari 2003 tot en met 12 februari 2003 te Roosendaal, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor het opslaan van van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen, te weten tomaten- en/of komkommerafval met een capaciteit van 50 m3 of meer, althans voor het opslaan van voedingsmiddelen voor dieren of grondstoffen daarvoor of van landbouwproducten, te weten tomaten en komkommers, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28.4, althans Categorie 9.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I heeft opgericht en/of in werking heeft gehad hebbende hij, verdachte tot dat/die feiten) opdracht gegeven althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

2. [rechtspersoon] in of omstreeks de periode 7 januari 2003 tot en met 12 februari 2003 te Roosendaal al dan niet opzettelijk bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, hebbende zij toen daar al dan niet opzettelijk tomaten- en komkommerafval in ontvangst genomen en/of bewaard in een pand aan de [adres], terwijl dat afval bij de bewaring (verder) is gaan broeien en/of rotten waarbij dampen uit dat pand kwamen, en/of percolaat uit dat afval in de riolering is gelopen en/of buiten dat pand is gelopen en/of in de bodem van het bij dat pand gelegen perceel, is geraakt en/of naar de openbare weg, de Schotbossenstraat en/of in een in die weg gelegen straatkolk is gelopen, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. [rechtspersoon] in de periode 7 januari 2003 tot en met 12 februari 2003 te Roosendaal, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, in een perceel

[adres] gelegen inrichting voor het opslaan van van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen, te weten tomaten- en komkommerafval met een capaciteit van 50 m3 of meer, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28.4 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I heeft opgericht en in werking heeft gehad hebbende hij, verdachte feitelijk leiding gegeven aan voormelde verboden gedragingen;

2. [rechtspersoon] in de periode 7 januari 2003 tot en met 12 februari 2003 te Roosendaal opzettelijk bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, hebbende zij toen daar al dan niet opzettelijk tomaten- en komkommerafval in ontvangst genomen en bewaard in een pand aan de [adres], terwijl dat afval bij de bewaring is gaan broeien en rotten waarbij dampen uit dat pand kwamen, en percolaat uit dat afval in de riolering is gelopen en buiten dat pand is gelopen en in de bodem van het bij dat pand gelegen perceel, is geraakt en naar de openbare weg, de Schotbossenstraat en in een in die weg gelegen straatkolk is gelopen, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedragingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A2

De raadsman van verdachte heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gepleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnotities. Op de gronden als in die pleitnotities vervat, heeft de raadsman de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit.

De raadsman heeft daartoe zakelijk weergegeven aangevoerd dat:

- de in de tenlastelegging bedoelde tomaten en komkommer niet kunnen worden gekwalificeerd als afvalstoffen;

- verdachte niet meer dan 50 m3 afvalstoffen heeft opgeslagen;

- verdachte niet opzettelijk c.q. niet opzettelijk zonder vergunning heeft gehandeld.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

A3

Blijkens het bepaalde in artikel 1 van de Wet milieubeheer moet onder afvalstoffen worden verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG (voortaan: de richtlijn) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 91/156/EEG, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In deze richtlijn wordt in artikel 1 verstaan onder:

a.) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

(...)

b.) "producent": elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ("eerste producent") en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen, of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c.) "houder": de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft.

Het hof overweegt dat in die bijlage I alsmede de toelichting daarop, de definitie van afvalstof wordt toegelicht met lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd. Deze lijsten zijn evenwel slechts indicatief en de kwalificatie 'afvalstof' hangt vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen.

Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt derhalve af van de betekenis van de term 'zich ontdoen van', welke term moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van de richtlijn, namelijk, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, alsmede tegen de achtergrond van artikel 174, lid 2, van het EG-verdrag, volgens hetwelk de gemeenschap in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Bijgevolg kan het begrip afvalstof niet restrictief worden uitgelegd.

Voorts overweegt het hof dat de vraag of er in een bepaald geval sprake is van een afvalstof meer in het bijzonder moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening gehouden moet worden met de doelstelling van de richtlijn en dat ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

Het hof stelt vast dat de richtlijn geen enkel beslissend criterium bevat aan de hand waarvan de wil van de houder om zich van een bepaalde stof of een bepaald voorwerp te ontdoen, kan worden vastgesteld.

A4

Met inachtneming van hetgeen onder A3 is overwogen, zal het hof onderzoeken of de partij tomaten en komkommer in casu moet worden aangemerkt als afvalstof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is te dien aanzien gebleken van de navolgende omstandigheden:

- [bedrijf 1] is een overkoepelend orgaan van diverse coöperaties waarin tomaten- en komkommertelers op de Kanarische eilanden Las Palmas en Tenerife zijn vertegenwoordigd;

- [bedrijf 1] laat in die hoedanigheid tomaten en komkommers naar Nederland vervoeren;

- in de periode van 21 december 2002 tot en met 9 januari 2003 werd door [bedrijf 1] een te grote hoeveelheid tomaten en komkommers aangevoerd in Nederland, waardoor de markt werd overspoeld met tomaten, waardoor het aanbod groter werd dan de vraag;

- begin januari werd door [bedrijf 1] in verband daarmee besloten om plusminus 4100 pallets tomaten en komkommers te laten vernietigen;

- [bedrijf 1] heeft daartoe opdracht gegeven aan het overslagbedrijf [bedrijf 2], alwaar de tomaten gekoeld opgeslagen lagen;

- [bedrijf 2] heeft daartoe op haar beurt opdracht gegeven aan

[bedrijf 3];

- de heer [betrokkene ], directeur van [bedrijf 3], heeft daartoe contact gelegd met verdachte, die - handelend onder de naam [rechtspersoon]- de partij tomaten en komkommers naar de loods op perceel [adres] in Roosendaal heeft laten vervoeren;

- [bedrijf 3] en [rechtspersoon] zijn in eerste instantie voor opslag en vernietiging van de partij tomaten en komkommers een vergoeding van EUR 75.000 overeengekomen;

- na gerezen problemen met de afvoer van de tomaten aan de zijde van verdachte, werd door [bedrijf 3] nog eens EUR 25.000 betaald voor de opslag en vernietiging van de tomaten en komkommers;

- blijkens de verklaring van de heer [betrokkene ] is de gehele partij tomaten en komkommers van [bedrijf 2]overgebracht naar de loods aan de [adres] te Roosendaal, met de afspraak dat ze zouden worden vernietigd;

- op 12 februari 2003 werd(en) de partij tomaten en komkommers, of althans delen daarvan, in rottende toestand aangetroffen in de loods aan de [adres] te Roosendaal;

- het totale gewicht van de aangetroffen hoeveelheid tomaten en komkommers betrof

- ongeveer - 3.888.940 kilogram.

A5

Uit de hiervoor gerelateerde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof afdoende dat de tomaten en komkommer moeten worden aangemerkt als afvalstof, waarvan [bedrijf 1] zich - om markttechnische redenen - heeft ontdaan. Verdachte moet ten aanzien van die stoffen worden aangemerkt als opvolgende 'houder' in de zin van artikel 1 van de richtlijn.

Het hof verwerpt het verweer in zoverre.

A6

Naar het oordeel van het hof volgt uit de onder A4 gerelateerde feiten en omstandigheden dat de hoeveelheid tomaten en komkommers de 50 m3 ruimschoots overstijgt.

Het hof overweegt voorts dat het vereiste van opzet in het kader van artikel 8.1 Wet milieubeheer zich niet mede uitstrekt tot het afvalkarakter van de stoffen die in de opgerichte of in werking zijnde inrichting aanwezig zijn, noch ziet het vereiste op het handelen zonder vergunning. Voldoende is, zoals in casu het geval is, dat verdachtes feitelijke handelingen - het opslaan van van buiten de inrichting afkomstige tomaten- en komkommers - opzettelijk geschiedde.

Het hof verwerpt het verweer mitsdien.

B1

Op de gronden als in de onder A2 bedoelde pleitnotities vervat, heeft de raadsman de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit.

De raadsman heeft daartoe zakelijk weergegeven aangevoerd dat:

- verdachte niet opzettelijk bedrijfsmatig heeft gehandeld in afvalstoffen;

- verdachte niet wist of redelijkerwijs kon weten dat uit zijn handelen nadelige gevolgen voor het milieu zouden ontstaan of zouden kunnen ontstaan.

De verdediging heeft daartoe gesteld dat door de plotseling ingezette kou de verwarmingsinstallatie van de recentelijk door verdachte gekochte loods automatisch werd ingeschakeld. Doordat verdachte niet wist van de aanwezigheid of van de werking van die verwarmingsinstallaties is de partij tomaten en komkommer gaan rotten.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

B2

Het hof stelt voorop dat ook het vereiste van opzet in het kader van artikel 10.1, derde lid Wet milieubeheer zich niet mede uitstrekt tot het afvalkarakter van de stoffen waarmee wordt gehandeld. Voldoende is, zoals in casu het geval is, dat verdachte opzettelijk bedrijfsmatige handelingen heeft verricht ten aanzien van die stoffen. Het hof acht op grond van de feiten en omstandigheden als weergegeven onder A4, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zulks heeft gedaan.

B3

Voorts overweegt het hof dat gelet op de aanzienlijke hoeveelheid tomaten en komkommers die verdachte in de inrichting heeft opgeslagen, alsmede gelet op de omstandigheid dat verdachte terzake kundig was (verdachte heeft daarover bij de politie, op de vraag of hij veel ervaring met de handel in groente en fruit had, verklaard dat hij als koopman met groente en fruit op de markt heeft gestaan en bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte in het bezit is van een vakdiploma 'Groente en Fruit') verdachte had moeten inzien dat door zijn handelen mogelijk schadelijke gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Dat verdachte zich niet bewust was van het beweerdelijk in werking treden van de verwarmingsinstallatie acht het hof in het geheel niet aannemelijk, nu verdachte eerst bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring van die strekking heeft afgelegd en deze stelling ook overigens op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Voorzover het hof deze verklaring reeds aannemelijk zou kunnen achten, spreekt daaruit dat verdachte zeer onachtzaam heeft gehandeld, reeds omdat hij de tomaten en komkommers heeft opgeslagen in een ruimte waarvan hij niet wist of die daartoe bestemd was.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid van de Wet op de economische delicten, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 1 van die wet, en in verbinding met artikel 8.1, eerste lid van de Wet Milieubeheer,

en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder 1 van de Wet op de economische delicten, in verbinding met artikel 51, tweede lid aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid van de Wet op de economische delicten, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 1 van die wet, en in verbinding met artikel 10.1, derde lid, van de Wet Milieubeheer,

en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder 1 van de Wet op de economische delicten, in verbinding met artikel 51, tweede lid aanhef en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

C1

De raadsman heeft op de gronden als in de onder A2 bedoelde pleitnotities vervat, bepleit dat toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde onder 9a van het Wetboek van Stafrecht, en - in zoverre subsidiair - dat het hof aan verdachte een taakstraf zal opleggen.

C2

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht als door de raadsman bepleit, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Verdachte is door te handelen als hij deed - kennelijk gedreven door de mogelijkheid van financieel gewin - hoogst nalatig omgesprongen met het milieu. De verdachte heeft voorts verzuimd de voor zijn handelen benodigde vergunningen te vragen aan het bevoegde gezag.

Het hof acht een geldboete van na te melden hoogte daarbij passend en geboden. Het hof acht geen termen aanwezig om daarnaast nog een voorwaardelijke geldboete op te leggen. Het hof wijst daartoe op het kennelijk eenmalige karakter van het handelen van verdachte die niet eerder terzake soortgelijke strafbare feiten werd veroordeeld.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 8.1 en 10.1 van de Wet milieubeheer,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde oplevert:

- Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

- Overtreding van een voorschirft gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 260 (tweehonderdzestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mrs. H. Harmsen en O.M.J.J. van de Loo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,

en op 9 december 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 2 - 20-006060-04