Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AV0867

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
R200500664
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat de man zijn leven is gaan delen met een nieuwe partner kan niet leiden tot de conclusie dat de man daardoor in staat zou zijn hogere kinderbijdragen te betalen dan hij op grond van de beschikking, waarvan door de vrouw wijziging is verzocht, diende te voldoen.

Van de nieuwe partner van de man, die 57 jaar oud is en reeds 10 jaar op parttime basis als leidster bij een peuterspeelzaal een bescheiden netto inkomen heeft, kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij gaat omscholen teneinde elders

meer uren te kunnen gaan werken in een andere functie of dat zij naast haar huidige functie ander betaald werk zal aanvaarden met als doel dat zij in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien en de helft van de woonlasten zal kunnen dragen, opdat de man hogere kinderbijdragen kan gaan betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RJH

1 december 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500664

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[naam appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. E.C.R.E.M. Corsten,

t e g e n

[naam geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. G.M. de Winther-Meijers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 april 2005, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 juni 2005, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het inleidende verzoek van de vrouw af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 juli 2005 heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overlegd bij het beroepschrift.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2005. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

Het op [geboortejaar] geboren kind van partijen, genaamd [naam minderjarige zoon], is behoorlijk opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

Ter voormelde zitting heeft de man zijn grieven één en drie ingetrokken.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

De tussen hen gegeven echtscheidingsbeschikking van 2 maart 2001 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 16 maart 2001.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren, te weten:

- [naam minderjarige zoon] op [geboortejaar] en

- [naam minderjarige dochter] op [geboortejaar],

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. Zij hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

4.3. Bij eerder genoemde echtscheidingsbeschikking, waarvan door de vrouw wijziging is gevraagd, heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen met ƒ 250,-- (E. 113,45) per kind per maand en met ƒ 300,-- (E. 136,13) per maand als uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw.

De bijdragen belopen ingevolge de wettelijke indexering op dit moment E. 127,76 per kind per maand voor de twee kinderen van partijen en op E. 153,32 per maand voor de vrouw.

4.3.1. De vrouw heeft bij op 7 september 2004 ter griffie van voornoemde rechtbank ingekomen verzoekschrift wijziging gevraagd van even genoemde onderhoudsbijdragen.

4.3.2. De rechtbank heeft het wijzigingsverzoek ten aanzien van de twee kinderen toegewezen tot een bedrag van E. 244,-- per kind per maand en het meer of anders verzochte afgewezen, een en ander met ingang van 1 juli 2004.

Tegen de nader vastgestelde kinderalimentatie van E. 244,-- per kind per maand richt zich het hoger beroep van de man.

4.3.3. Tegen de afwijzing van de verhoging van de alimentatie voor de vrouw is niet gegriefd. Ter zitting is gebleken, dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw per 1 mei 2005 van rechtswege is geëindigd.

Ingangsdatum wijziging

4.4. Tussen partijen staat vast, dat de wijziging van de onderscheiden op de man rustende alimentatieverplichting moet ingaan op 1 juli 2004.

Behoefte

4.5. De behoefte van de kinderen aan de nader vastgestelde kinderalimentatie is in hoger beroep niet in geschil.

Draagkracht

4.6. Het standpunt van de man komt er kort gezegd op neer dat hij van mening is dat zijn draagkracht slechts toereikend is om de op grond van de echtscheidingsbeschikking op hem rustende onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw (tot 1 mei 2005) respectievelijk de kinderen te betalen.

4.7. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende (deels afgeronde) gegevens.

Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

- E. 35.530,-- aan fiscaal jaarloon overeenkomstig de rechtbank.

- E. 730,-- per maand aan netto besteedbaar inkomen van de partner, welk inkomen voor die partner op zich onvoldoende is om volledig te voorzien in de noodzakelijke eigen kosten van levensonderhoud en huisvesting. Dat betekent dat dit inkomen zal worden toegevoegd aan het inkomen van de man.

Dit inkomen heeft het hof becijferd aan de hand van de gegevens voorkomende op de zich bij de stukken bevindende salarisspecificatie van die partner van april 2004, waaruit onder meer het volgende blijkt:

-E. 2.488,84 bedroeg het cumulatief fiscaal loon over de periode tot en met april 2004;

-E. 30,95 per maand bedroeg het recht op eindejaarsuitkering;

-E. 51,29 per maand bedroeg het recht op vakantietoelage;

-E. 51,08 per maand bedroeg de fiscale inhouding terzake van de spaarloonregeling.

Naar jaarbasis herleid kan uit even genoemde vier componenten een fiscaal jaarloon worden becijferd van circa E. 9.066,40.

Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, alsmede de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting waarop de partner, die twee kinderen (respectievelijk 16 en 14 jaar) uit een eerdere relatie heeft, aanspraken kan doen gelden, kan een netto besteedbaar inkomen worden herleid van circa E. 730,-- per maand.

B. Lasten van de man

1. Wwb-norm voor een gezin, exclusief de woonkostencomponent, ter bestrijding van de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

2. woonlasten bestaande uit:

-E. 1.195,-- per maand aan hypotheekrente;

-E. 95,-- per maand aan overige forfaitaire woonlasten.

Fiscaal houdt het hof rekening met bijtelling eigenwoningforfait ad E. 1.600,-- op jaarbasis.

Met betrekking tot de twee zojuist genoemde lasten overweegt het hof het volgende.

De man stelt dat aan zijn kant rekening moet worden gehouden met de Wwb-norm voor een gezin in plaats van de norm voor een alleenstaande, zoals de rechtbank deed.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank met betrekking tot even genoemde twee lasten een juiste beslissing heeft gegeven.

Zoals hiervoor reeds is overwogen wordt voor de partner van de man een netto besteedbaar maandinkomen becijferd dat ligt beneden het voor haar geldende normbedrag, ongeacht of zij als alleenstaande moet worden aangemerkt of als alleenstaande ouder.

De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat de man zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen, onvoldoende is om de man als gezin aan te merken en voorts dat niet is gebleken dat de nieuwe partner van de man niet in staat zou zijn een zodanig inkomen te genieten dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Dit, door de vrouw onderschreven, oordeel zou ertoe leiden dat de partner van de man, die reeds 10 jaar parttime werkt als leidster bij een peuterspeelzaal en thans feitelijk een parttime netto maandinkomen geniet van ongeveer E. 570,--, zich hetzij zal dienen om te scholen, hetzij méér uren dan zij tot op heden is gewend zal moeten gaan werken, danwel elders in aanvulling op haar feitelijk genoten inkomen betaald werk zal hebben te verrichten, teneinde op die wijze volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en tevens de helft van de gemeenschappelijke woonlasten met de man te dragen. Het resultaat daarvan zou dan zijn dat de man in staat zou zijn een hogere kinderalimentatie te betalen dan hij op grond van de echtscheidingsbeschikking verschuldigd is.

Het hof is van oordeel dat zodanige verandering van de arbeidssituatie van de partner van de man - teneinde de man in staat te stellen de door de vrouw van de man verlangde hogere bijdrage te betalen - redelijkerwijs in deze situatie niet van haar kan worden verlangd. Overigens is nog maar zeer de vraag of die partner reeds thans althans op korte termijn haar inkomenspositie zal kunnen wijzigen op een wijze als door de rechtbank en/of de vrouw is beoogd.

Niet bestreden is de overweging van de rechtbank dat de partner van de man kinderalimentatie voor haar beide kinderen ontvangt, waarbij de rechtbank er van uit gaat dat die bijdrage kostendekkend is. Nu de man zelf wenst dat van de gezinsnorm zal worden uitgegaan ter bepaling van zijn draagkracht, zal ook het hof daarvan uitgaan en zijn draagkracht verdelen over de kinderen van de man.

Alles overziend komt het hof tot de conclusie dat bij de bepaling van de draagkracht van de man volledig rekening dient te worden gehouden met de twee hiervoor genoemde lasten.

3. ziektekosten bestaande uit:

a. E. 213,30 per maand aan wg- en wn-deel premie ZFW, inclusief E. 15,30 per maand aan aanvullende verzekering aan de kant van de man;

b. E. 45,-- per maand aan wg- en wn-deel premie ZFW van de partner van de man, zoals blijkt uit de loonspecificatie april 2004. Deze last dient thans bij de beoordeling van de draagkracht van de man te worden meegenomen, omdat bij de toevoeging van het inkomen van deze partner bij het inkomen van de man rekening is gehouden met het fiscaal inkomen van die partner, waarin onder meer is begrepen de bijtelling van het wg-deel ZFW;

4. E. 65,-- per maand aan kosten omgangsregeling;

5. E. 153,32 per maand partneralimentatie tot 1 mei 2005. Hierbij zij opgemerkt - zoals ter zitting met partijen is besproken - dat de rechtbank kennelijk geen rekening heeft gehouden met deze reeds op grond van de echtscheidingsbeschikking bestaande partneralimentatie - die volgens beide partijen tot 1 mei 2005 is voldaan - waar zij overweegt dat met de E. 244,-- per kind per maand de grens van de draagkracht van de man is bereikt. Het hof houdt hiermee dus wel rekening, met instemming van partijen.

C. Voor het overige is aan de kant van de man niet gebleken van lasten waarmede in het bijzonder rekening dient te worden gehouden.

Vaststelling van de alimentatie

4.8. Op basis van bovengenoemde financiële omstandigheden kan aan de kant van de man een netto besteedbaar inkomen worden becijferd van ongeveer E. 3.265,-- per maand in totaal.

Bij die becijfering is rekening gehouden met de volgende (fiscale) aspecten:

- verschuldigde hypotheekrente en het eigenwoningforfait;

- algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Voor de vaststelling van de door de man in deze zaak verschuldigde alimentatie is voorts rekening gehouden met:

- het voor alimentatie beschikbaar te stellen percentage van 45;

- de buitengewone lastenaftrek kinderen en -zij het tot 1 mei 2005- te behalen fiscaal voordeel wegens betaalde partneralimentatie.

4.9. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 juli 2004 de navolgende onderhoudsbijdrage voor de kinderen van partijen kan betalen:

- E. 165,-- per kind per maand gedurende de periode van 1 juli 2004 tot 1 mei 2005

en

- E. 210,-- per kind per maand met ingang van 1 mei 2005.

4.9.1. Dat betekent dat op het hoger beroep van de man zal worden beslist op de hierna aangegeven wijze.

Proceskosten.

4.10. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 april 2005, doch uitsluitend voor wat betreft de nader vastgestelde en aan de man opgelegde kinderalimentatie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt - met wijziging van de tussen partijen gegeven echtscheidingsbeschikking van 2 maart 2001 van voornoemde rechtbank in zoverre - de door de man voor de kinderen van partijen, te weten:

- [naam minderjarige zoon], geboren op [geboortejaar] en

- [naam minderjarige dochter], geboren op [geboortejaar],

als volgt nader vast:

- E. 165,-- per kind per maand gedurende de periode met ingang van 1 juli 2004 tot 1 mei 2005

en

- E. 210,-- per kind per maand met ingang van 1 mei 2005, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

bekrachtigt de bestreden beschikking van 1 april 2005 voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Draijer-Udo en Van Zinnen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.