Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AV0388

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
C0401138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontruiming van percelen weiland. Pachtovereenkomst of bruikleenovereenkomst? Toelating tot bewijs van stelling dat sp[rake was van bruikleen. Uitleg gewenst van term "oogststoppelbloot".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. ML

rolnr. C0401138/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 13 december 2005,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

2. [APPELLANT SUB 2],

3. [APPELLANT SUB 3],

allen wonende te [plaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van

19 augustus 2004,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 10 januari 2002, 24 oktober 2002,

19 december 2002, 15 oktober 2003 en 26 mei 2004 tussen appellant - hierna in enkelvoud: [appellant] - als gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident en geïntimeerden - hierna in enkelvoud: [geïntimeerde] - als eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het incident.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 46879/HA ZA 01-772)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 15 oktober 2003 (voorzover bestreden) en 26 mei en tot kort samengevat, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde], althans verwijzing van de zaak naar de pachtkamer van de rechtbank te Roermond, sector kanton, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, inclusief wettelijke rente over de proceskosten, indien deze niet binnen veertien dagen na dit arrest zullen zijn voldaan.

2.1.2. Het hof begrijpt hieruit dat [appellant] zijn hoger beroep tegen de vonnissen van 10 januari 2002, 24 oktober 2002, 19 december 2002 heeft ingetrokken.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3.1. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 4 oktober 2005, [appellant] door mr. Van Beek en [geïntimeerde] door

mr. Stegeman. Zij hebben hun pleitnota's overgelegd.

2.3.2. Door [geïntimeerde] is aan zijn pleitnota een productie - het tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer te Roermond van 29 september 2005 - gehecht. Het hof heeft, met instemming van [appellant], deze productie geaccepteerd. Het hof heeft vervolgens de zitting geschorst teneinde een leespauze in te lassen. Vervolgens heeft de raadsman van [appellant] tijdens zijn pleidooi op voornoemd vonnis gereageerd. Desgevraagd heeft hij uitdrukkelijk gezegd dat hij na deze (korte) reactie niet meer nader op genoemd vonnis behoefde te reageren.

2.4. Daarna hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Met de grieven is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4. De beoordeling

4.1. In r.o. 2.1- 2.3 van het vonnis van 15 oktober 2003 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze overweging is niet bestreden. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2. Het gaat in het onderhavige geschil, zeer kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

4.2.1. [geïntimeerde] heeft van [erflater], die tot 20 april 2001 eigenares was, geërfd twee percelen weiland te [plaats]. Op 31 mei heeft [geïntimeerde] aan appellant sub 1, [appellant sub 1] geschreven dat volgens zijn informatie de betreffende percelen reeds geruime tijd om niet bij [appellant sub 1] in gebruik zijn, en dat hij deze thans zelf in gebruik wil nemen.

"(de erven van [erflater]) beseffen dat een redelijke opzeggingstermijn noodzakelijk is. Namens de erven stel ik u voor dit gebruik te beëindigen per ultimo oogststoppelbloot 2001. Mitsdien zeg ik u namens de erven [erflater] het recht op deze percelen nog langer dan oogststoppelbloot 2001 te gebruiken en voorzover nodig en vereist sommeer ik u deze percelen (..) aan de erven [erflater] ter beschikking te stellen."

4.2.2. [appellant] heeft geweigerd de percelen te ontruimen. Hij voert aan dat er geen sprake is van bruikleen, doch van pacht. Hij wijst daarbij op de brief van ZR Belastingadviseurs van 12 september 2001, waarin staat geschreven dat uit [appellant]' kasadministratie blijkt dat hij in 1999 en 2000 pacht heeft betaald aan [erflater].

4.2.3. [appellant] had zich in eerste aanleg vóór alle weren op de onbevoegdheid van de rechtbank beroepen, en verwijzing naar de pachtkamer te Roermond gevraagd. Bij vonnis van 10 januari 2002 heeft de rechtbank geoordeeld dat nu de grondslag van de vordering bruikleen was (en niet pacht) zij bevoegd was kennis te nemen van het geschil. Nu [appellant] zijn bij appeldagvaarding ingestelde vordering tot vernietiging van dit vonnis in de memorie van grieven niet heeft herhaald (en hij tegen dit vonnis overigens ook geen grief heeft gericht), heeft het hof in r.o. 2.1.2. overwogen dat hij begrijpt dat [appellant] zijn hoger beroep tegen dit vonnis wenst in te trekken.

4.2.4. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 15 oktober 2003 overwogen dat de kern van het geschil is gelegen in de vraag of het gebruik van de percelen gekwalificeerd dient te worden als bruikleen of als pacht (r.o.5.1). Vervolgens heeft zij (na een verwikkeling die in hoger beroep niet meer ter zake doet) overwogen dat het aan [appellant] is om de gestelde pachtovereenkomst te bewijzen en zij heeft [appellant] tot dit bewijs toegelaten (r.o. 5.7).

Bij eindvonnis van 26 mei 2004 heeft de rechtbank allereerst de stelling van [geïntimeerde] besproken dat, daargelaten of [appellant] in het opgedragen bewijs zou zijn geslaagd, door het uit de maatschap stappen van [appellant sub 1] en de bedrijfsopvolging van de zonen [appellant] (thans appellanten sub 2 en 3), geen sprake meer zou zijn van een geldende pachtovereenkomst. De rechtbank kwam vervolgens tot het oordeel dat er evenmin sprake kan zijn van een wijzigingsovereenkomst zodat er tussen de zonen [appellant] en (de erven van) [erflater] geen pachtovereenkomst bestaat (r.o. 2.4-2.5). Uit de stellingen van [appellant] en [geïntimeerde] heeft de rechtbank afgeleid dat door [appellant sub 1] het bedrijf is neergelegd, zodat er ook met betrekking tot hem geen pachtovereenkomst meer bestaat. Derhalve komt aan [appellant] niet de bescherming waarop hij een beroep doet toe en kan in het midden blijven of [appellant] in het bewijs is geslaagd, aldus de rechtbank (r.o.2.6-2.8).

Tenslotte heeft de rechtbank overwogen dat daargelaten de kwalificatie van de overeenkomst tussen [erflater] en [appellant], tussen partijen vast staat dat zij een duidelijke bepaling omtrent teruggave (van de weilanden, hof) zijn overeengekomen, dat deze afspraak de rechtsopvolgers van [erflater] bindt en dat de erven van [erflater] daadwerkelijk om teruggave hebben gevraagd (r.o.2.10). Derhalve wijst de rechtbank de gevorderde ontruiming toe, met maximering van de dwangsom tot E. 19.000,--.

4.3. Nu het geschil in volle omvang aan het hof is voorgelegd, zal het hof de grieven niet afzonderlijk bespreken.

4.4.1. De vordering in eerste aanleg van [geïntimeerde] is gegrond op een overeenkomst van bruikleen, gesloten tussen [erflater] en [appellant], waaraan hij als rechtsopvolger van [erflater] was gebonden, en welke hij had opgezegd. [appellant] verweerde zich tegen deze vordering primair met een beroep op de beschermende werking van de Pachtwet, stellende dat hij en [erflater] een pachtovereenkomst hadden gesloten.

4.4.2. Terecht heeft [appellant] zijn hoger beroep tegen het vonnis van 10 januari 2002, waarin de rechtbank zich bevoegd verklaarde kennis te nemen van het geschil, ingetrokken. Art. 71 lid 3 Rv bepaalt immers dat de rechter de vraag of verwijzing nodig is, voor zover daarvoor het onderwerp van het geschil bepalend is, beoordeelt aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het onderwerp van geschil. Lid 5 van dit artikel bepaalt vervolgens dat tegen een verwijzing en tegen het achterwege laten van een verwijzing geen voorziening openstaat.

4.4.3. De parlementaire geschiedenis bij dit artikel vermeldt dat op deze wijze de rechter voor zijn oordeel omtrent zijn bevoegdheid zowel gebruik kan maken van de stellingen die eiser aan zijn inleidende dagvaarding ten grondslag heeft gelegd, als van zijn eigen - voorlopig - oordeel omtrent het onderwerp van het geschil. Bij een verwijzing is de rechter naar wie verwezen wordt gebonden aan de verwijzing, aldus de slotzin van art. 71 lid 5 Rv. Deze gebondenheid, in samenhang gelezen met het appelverbod van lid 5 en de parlementaire geschiedenis van het gehele artikel (waarin als ratio voor deze bepaling wordt gegeven dat met dit artikel wordt voorkomen dat te lang wordt geprocedeerd over de voorvraag van de verwijzing), brengt het hof tot het oordeel dat de beslissing over het al dan niet verwijzen door de rechter in eerste aanleg in beginsel van zodanig definitieve aard is, dat het het hof niet meer vrijstaat de zaak alsnog naar de Pachtkamer te verwijzen, zoals [appellant] heeft verzocht in zijn memorie van grieven. Evenmin is hierin een grond te vinden voor vernietiging van het tussenvonnis van 15 oktober 2003 en/of het eindvonnis van 26 mei 2004, zoals [appellant] betoogt.

4.4.4. Een verdere consequentie van de systematiek van art. 71 Rv is, dat indien een procedure naar achteraf blijkt onverhoopt "in het verkeerde spoor" zit, dit spoor tot het eind gevolgd zal moeten worden. Zulks betekent dat, nu in het onderhavige geval de procedure niet ten overstaan van de pachtrechter wordt gevoerd, maar bij de "gewone" civiele rechter, deze laatste over alle aspecten van het geschil zal hebben te oordelen, ook indien het aspecten, het pachtrecht betreffende, mochten zijn.

4.5.1. Het hof is van oordeel dat, nu [geïntimeerde] zich heeft beroepen op de rechtsgevolgen van (het door hem opzeggen van) een overeenkomst van bruikleen tussen hem (als rechtsopvolger van [erflater]) en [appellant], en [appellant] het bestaan van deze bruikleenovereenkomst gemotiveerd heeft betwist, het op de weg van [geïntimeerde] ligt om daartoe feiten en omstandigheden te stellen en vervolgens te bewijzen. Niet behoefde [appellant] de feiten te bewijzen die hij stelde ter motivering van zijn betwisting van hetgeen door [geïntimeerde] is gesteld (tenzij [geïntimeerde] zijn stelling - behoudens tegenbewijs - reeds afdoende had bewezen, hetgeen de rechtbank niet heeft overwogen).

4.5.2. Hieruit vloeit naar het oordeel van het hof voort, dat de bewijslastverdeling van de rechtbank in het vonnis van 15 oktober 2003 niet juist was en [geïntimeerde] dient te worden belast met het bewijs van zijn stelling dat er tussen [appellant] en hem (als rechtsopvolger van [erflater]) een bruikleenovereenkomst bestond. De klacht van [appellant] hiertegen is dan ook terecht opgeworpen.

4.5.3. De rechtbank heeft zich in haar eindvonnis niet erg duidelijk uitgedrukt omtrent haar oordeel over de gepretendeerde bruikleenovereenkomst. Zij stelt nadrukkelijk dat zij zich niet uitlaat over de kwalificatie van de overeenkomst. Zij vermeldt dat partijen van mening verschillen of er door [appellant] een tegenprestatie werd geleverd voor het gebruik. Vervolgens stelt de rechtbank echter vast dat uit de door [appellant] overgelegde stukken en de getuigenverklaringen "naar voren lijkt te komen dat er inderdaad een betaling stond tegenover het gebruik. Door [appellant] is dit immers ook gesteld, zodat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om tot toepassing van de bruikleenbepalingen te komen" (r.o. 2.9) (cursiveringen hof).

Desgevraagd heeft de raadsman van [geïntimeerde] tijdens het pleidooi gezegd dat, nu er geen duidelijk oordeel was gegeven omtrent het bestaan van de door [appellant] gestelde betalingen, omdat de rechtbank zich bediende van het woord "lijkt", hij hiertegen geen incidenteel appel had ingesteld.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] steeds gesteld dat er sprake was van een overeenkomst om niet. De devolutieve werking van het appel brengt met zich dat, los van eventueel incidenteel appel, de stellingen van [geïntimeerde] omtrent de bruikleenovereenkomst in hoger beroep opnieuw aan de orde kunnen komen.

4.5.4. Het hof zal derhalve [geïntimeerde] toelaten tot het bewijs van zijn stelling als in het dictum te melden. Het hof zou in dat kader graag van partijen vernemen wanneer "oogststoppelbloot" precies valt, nu partijen het hierover kennelijk eens zijn, doch deze kennis niet tot het arsenaal van het hof behoort.

4.5.5. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat tussen [erflater] en [appellant sub 1] een overeenkomst van bruikleen is gesloten ten aanzien van de litigieuze weilanden;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.G. Fikkers als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 januari 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen, donderdagen en vrijdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Feith, Fikkers en Van Wechem en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 december 2005.