Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU9203

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
00/00429
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil aanslag rioolrecht en afvalstoffenheffing

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0079
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00429

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak door de directeur van de sector bedrijfsmiddelen en organisatie van de gemeente Roermond (hierna aan te duiden als: verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de hierna te noemen aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende zijn op een gecombineerd aanslagbiljet, aanslagen opgelegd in onder meer het rioolrecht en de afvalstoffenheffing over het jaar 1999. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn deze aanslagen bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij het hof.

Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht ten bedrage van fl. 60,= geheven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de zaak heeft belanghebbende bij brief van 16 januari 2005 op de voet van art. 8:58 Awb een nader stuk ingediend. Van dit is voorafgaande aan de mondelinge behandeling een afschrift aan verweerder verstrekt.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 24 maart 2005 te 's-Hertogenbosch aldaar zijn toen verschenen en gehoord de verweerder. Belanghebbende heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling te kennen gegeven af te zien van zijn recht op een mondelinge behandeling en is ter zitting niet verschenen.

Het hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

Met toestemming van partijen heeft het hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Verordeningen

2.1.1. Bij besluit van 18 december 1997 heeft de Raad van de gemeente Roermond de Verordening rioolrecht 1998 vastgesteld. Deze verordening is gewijzigd bij de besluiten van 18 december 1997, 30 maart 1998, 30 oktober 1998 en 21 december 1998.

2.1.2. De Verordening rioolrecht 1998 is gepubliceerd in de Trompetter van 13 januari 1998. De wijzigingen van deze verordening zijn gepubliceerd in de Trompetter van achtereenvolgens 13 januari 1998, 14 april 1998, 17 november 1998en 29 december 1998.

2.1.3. Volgens artikel 2, eerste lid, van de aldus gewijzigde Verordening rioolrecht 1998 wordt onder de naam "rioolrecht" geheven:

"a. een recht van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, en

b. een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd".

2.1.4. De artikelen 4 tot en met 7 van de Verordening rioolrecht 1998 luiden, na de genoemde wijzigingen en voor zover hier van belang, aldus:

"Artikel 4 Maatstaf van heffing

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt geheven per eigendom.

2. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel , wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

3. (...)

Artikel 5 Belastingtarieven

1. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per eigendom f 165,60 per jaar.

2. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedraagt voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters afvalwater:

a. nihil per eenheid van 0 tot en met 500 m3;

b. f 72,20 per eenheid boven de 500 m3 tot en met 5.000 m3;

c. f 36,10 per eenheid boven de 5.000 m3 tot en met 50.000 m3;

d. f 18,05 per eenheid boven de 50.000 tot en met 500.000m3;

e. f 9,00 per eenheid boven de 500.000 m3.

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7. Wijze van heffing

De rechten worden bij wege van aanslag geheven."

2.2.1. Bij besluit van 18 december 1997 heeft de Raad van de gemeente Roermond de Verordening reinigingsheffingen 1998 vastgesteld. Deze verordening is gewijzigd bij de besluiten van 18 december 1997, 30 maart 1998, 30 oktober 1998 en 21 december 1998.

2.2.2. Deze Verordening is gepubliceerd in de Trompetter van 13 januari 1998. De wijzigingen van deze verordening zijn gepubliceerd in de Trompetter van achtereenvolgens 13 januari 1998, 14 april 1998, 17 november 1998 en 29 december 1998. 2.2.3. De artikel 2 tot en met 7 van de Verordening reinigingsheffingen 1998 luiden, na de genoemde wijzigingen en voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de wet milieubeheer.

2. (...)

Artikel 3 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

2. (...)

Artikel 4 Maatstaf van heffing en tarief

1.1. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar f 421,20.

1.2. (...)

Artikel 5 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

1. Artikel 6 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. (...)"

3. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter beide zittingen, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 30 juni 1999 voor het jaar 2000 door middel van een gecombineerd biljet gemeentelijke heffingen de onderhavige aanslagen afvalstoffenheffing en rioolaansluitrecht. De aanslag afvalstoffenheffing bedraagt f 421,20 en de aanslag rioolrecht f 165,60.

3.2. Met ingang van het jaar 2000 wordt in de gemeente Roermond naast het rioolaansluitrecht geen rioolafvoerrecht meer geheven. Zulks in verband met het arrest HR 31 maart 1999, nr. 33 427, BNB 1999/221, waarin wordt geoordeeld dat de gemeente op controleerbare wijze moet vastleggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen beogen te dekken.

3.3. In 1994 is door de gemeente Roermond een gemeentelijk Rioleringsplan opgesteld, hierna te noemen: het GRP. Het in de Verordening rioolrecht 2000 neergelegde tarief is vastgesteld aan de hand van het GRP. In dit GRP is onder meer een overzicht opgenomen van de voor een goed rioolbeheer noodzakelijke kosten. Daartoe worden onder het kopje "Afbouw rioolstelsel" gerekend de kosten ter zake van rioolaanleg. Voor de jaren 2001 en 2002 worden deze kosten begroot op achtereenvolgens f 1.590.000,- en f 1.530.000,-. Voor de jaren 2003 tot en met 2011 worden deze kosten begroot op jaarlijks f 30.000,-. Ten aanzien van deze kosten wordt opgemerkt dat daarbij "reeds rekening is gehouden met de eigen bijdrage van de betreffende eigenaren".

3.4. In de begroting van de gemeente Roermond is aangaande de voor de heffing van afvalstoffenheffing in aanmerking te nemen lasten onder meer het volgende opgemerkt:

In de kosten van de inzameling van GFT en restafval is overigens - net als in 1999 - een deel (53.810 gulden) van de bijdrage van Roermond in de kosten van de regionale weegproef in Roerdalen en Swalmen doorberekend."

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de onderhavige aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

4.2. Belanghebbende voert in dit verband de volgende stellingen aan:

4.2.1. De verordening rioolrecht 1998 is onverbindend omdat niet per recht wordt voldaan aan de eis van maximaal kostendekkendheid.

4.2.2. Door middel van het rioolrecht worden ten onrechte ook plankosten verhaald, dit zijn indirecte kosten die niet door middel van een rioolrecht mogen worden verrekend.

4.2.3. Door van grote lozers verhoudingsgewijs veel minder rioolrecht te heffen dan van particulieren, is de verordening rioolrecht 1998 in strijd met artikel 1 van de Grondwet en onverbindend.

4.2.4. De kosten van toekomstige uitbreidingsinvesteringen worden ten onrechte door middel van het rioolaansluitrecht verhaald.

4.2.5. In de lasten die door middel van de afvalstoffenheffing worden verhaald zijn ten onrechte de kosten voor de weegproef in Roerdalen en Swalmen opgenomen, aangezien het hier gaat om kosten van beleidsvoorbereiding ten aanzien van de optimale tariefstructuur.

4.2.6. De verordening afvalstoffenheffing 1999 is onverbindend omdat ten onrechte een deel van de baten uit hoofde van de inzameling van afvalstoffen niet in mindering is gebracht op de lasten die door middel van de afvalstoffenheffing worden verhaald.

4.2.7. In strijd met artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet is het tarief van de afvalstoffenheffing afhankelijk van inkomen of vermogen, doordat bij de vaststelling van het tarief al rekening is gehouden met de omstandigheid dat ten aanzien van een aantal belastingplichtigen kwijtschelding van belasting zal worden verleend.

4.3. Verweerder heeft hetgeen belanghebbende ter ondersteuning van zijn standpunt stelt betwist.

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Verweerder heeft daaraan ter zitting het volgende toegevoegd:

Het tarief voor het rioolaansluitrecht is gebaseerd op het GRP en de daarin aanbevolen wijze van financiering. De door belanghebbende overgelegde pagina's uit het GRP zijn correcte kopieën van het origineel. Ter zake van de uitbreidingsinvesteringen die aan het rioolnet zijn gepleegd is baatbelasting geheven. Ook is een deel van die investeringen door middel van grondexploitatie terugverdiend. Wij weten niet exact wat wordt bedoeld met het begrip "doelreserveringen" zoals dat wordt gebruikt in het GRP. Wij beschikken op dit moment niet over een begroting of een ander stuk waaruit op controleerbare wijze kan worden afgeleid dat tot de lasten die door middel van het rioolaansluitrecht zijn verhaald geen toekomstige uitbreidingsinvesteringen zijn gerekend. Wellicht is dat nog na te gaan. Wij verzoeken het hof om in de gelegenheid te worden gesteld alsnog een opstelling te produceren waaruit de aard en omvang van de door middel van het rioolrecht over het jaar 1999 verhaalde kosten blijkt. Tevens zullen wij trachten een opstelling te produceren waaruit blijkt hoe de uitbreidingsinvesteringen die aan het rioolstelsel zijn gepleegd wel zijn gefinancierd.

4.5. Belanghebbende concludeert naar het hof begrijpt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslagen.

De verweerder concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1 Algemeen

5.1.1. Op grond van het bepaalde in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet moeten in verordeningen als de onderhavige de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Op grond van het tweede lid van voormeld wetsartikel worden onder de in het eerste lid bedoelde lasten mede verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa.

5.1.2. Uit de parlementaire geschiedenis van deze wetsbepaling blijkt dat reserves voor uitbreiding van het voorzieningenniveau niet door middel van een heffing als de onderhavige kunnen worden verhaald. Uitgaven daarvoor, zo staat te lezen in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 81), zullen middels afschrijving (dus achteraf) aan de burger in rekening moeten worden gebracht.

5.1.3. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 229b voornoemd volgt voorts dat kosten van beleidsvoorbereiding in een te ver verwijderd verband staan tot de specifieke dienstverlening om door middel van een heffing van rechten als de onderhavige te kunnen worden verhaald. (Nota n.a.v. het Eindverslag, Kamerstukken II, 1988/1989, 20 565, nr. 8, blz. 13.)

5.1.4. Zoals de Hoge Raad bij herhaling heeft beslist - laatstelijk in zijn arrest van 13 mei 2005, nr. 38 402, BNB 2005/213 - dient een gemeente op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate beoogt te dekken door middel van de in verordeningen als de onderhavige in het leven geroepen heffingen.

5.2. Het rioolaansluitrecht

5.2.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gemeente Roermond tot de lasten ter zake waarvan het rioolaansluitrecht wordt geheven toekomstige uitbreidingsinvesteringen heeft gerekend. Verweerder heeft die stelling betwist. Verweerder heeft echter ter zitting verklaard niet te beschikken over een begroting of een ander stuk waaruit op controleerbare wijze kan worden afgeleid dat tot de lasten die door middel van de in de Verordening rioolrecht 1998 zijn verhaald geen toekomstige uitbreidingsinvesteringen zijn gerekend. Nadat verweerder in de gelegenheid was gesteld om na de zitting alsnog een dergelijk stuk over te leggen, heeft hij het hof schriftelijk te kennen gegeven daar niet toe in staat te zijn.

5.2.2. Gelet op de onder 5.1.2 bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad ligt het naar het oordeel van het hof op de weg van verweerder om zijn standpunt aannemelijk te maken. Verweerder is hierin naar het oordeel van het hof niet geslaagd.

5.2.3. Op dezelfde gronden is het hof van oordeel dat ook de bewijslast ter zake van de vraag of de geraamde baten van de rioolrechten uitgaan boven de geraamde lasten ter zake bij verweerder rust. Ook op dit punt is verweerder er niet in geslaagd zijn stelling aannemelijk te maken. Uit de door belanghebbende overgelegde passages uit het GRP volgt immers dat de in 2000, 2001 en 2002 geplande uitbreidingsinvesteringen zeer aanzienlijk zijn, te weten f 3.982.500,--, ook in verhouding tot het totaal van de lasten voor 1999 f 3.572.295,-. Dit laatste bedrag ontleent het hof aan de brief van verweerder van 28 april 2005. De mate waarin de gemeente Roermond erin is geslaagd de uitbreidingsinvesteringen te compenseren door middel van het heffen van baatbelasting of door middel van grondexploitatie is voorts onopgehelderd gebleven. Ook daaromtrent heeft verweerder geen concrete informatie in het geding gebracht.

5.2.4. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond voor zover het ziet op de aanslag rioolaansluitrecht. Die aanslag moet worden vernietigd.

5.3. De Afvalstoffenheffing

5.3.1. Ten aanzien van de weegproef ontkent verweerder de juistheid van de stelling van belanghebbende dat deze proef gericht was op het bepalen van een optimale tariefstructuur. Verweerder voegt daaraan toe dat de resultaten van deze proef zijn opgenomen in het 'Draaiboek regionale afvalreductie' en dat deze kosten te vergelijken zijn met die van extern advies en niet met de voorbereiding van beleid. Verweerder heeft dit draaiboek niet overgelegd en heeft ook overigens geen inzicht gegeven in de inhoud en de strekking ervan.

5.3.2. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van verweerder om de feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat bepaalde lasten in een zodanig verband staan tot de specifieke dienstverlening dat zij door middel van heffing van de desbetreffende rechten kunnen worden verhaald.

5.3.3. Naar het oordeel van het hof heeft verweerder aan deze stelplicht niet voldaan. Hij heeft weliswaar betwist dat de dat weegproef gericht was op het bepalen van een optimale tariefstructuur en gesteld dat de resultaten ervan met conclusies en aanbevelingen zijn opgenomen in het 'Draaiboek regionale afvalreductie', maar die stellingen kunnen zijn standpunt te dezer zaken niet ondersteunen. In het bijzonder valt niet zonder meer in te zien dat de kennelijke doelstelling om te komen tot reductie van de afvalstromen meebrengt dat de weegproef in een voldoende rechtstreeks verband staat tot de specifieke dienstverlening waarvoor de afvalstoffenheffing in het leven is geroepen.

5.3.4. Naar het hof begrijpt verbindt belanghebbende aan zijn stelling dat de kosten van de weegproef ten onrechte zijn verhaald door middel van de onderhavige afvalstoffenheffing, de conclusie dat de verordening onverbindend moet worden verklaard omdat de geraamde opbrengsten de geraamde voor verhaal in aanmerking komende lasten overstijgen. Verweerder heeft echter niets gesteld omtrent de hoogte en samenstelling van de geraamde lasten en de hoogte van de geraamde opbrengsten. Ook overigens is daaromtrent niets komen vast te staan. Het moet er daarom voor gehouden worden dat het feitelijk element van de conclusie van belanghebbende juist is. De verordening is daarom onverbindend en de aanslag afvalstoffenheffing moet worden vernietigd.

5.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond en moeten de beide aanslagen worden vernietigd. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

6. Proceskosten

Ofschoon het beroep gegrond is acht het hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van belanghebbende, zulks aangezien dergelijke kosten gesteld noch gebleken zijn.

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de aanslagen rioolaansluitrecht en afvalstoffenheffing,

- gelast dat verweerder aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 60,--, en

- wijst de gemeente Roermond aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, voorzitter, R.L.H. IJzerman en

W. Brouwer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 22 november 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 22 november 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.